ECLI:NL:PHR:2002:AD4925
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vereiste van ingebrekestelling bij ontbinding huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak vordert eiseres de ontbinding van een huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens wanprestatie door verweerder, waaronder het niet tijdig betalen van huur, onrechtmatig gebruik als woonruimte, agressief gedrag en buitensporig stroomverbruik. De rechtbank wees de ontbindingsvordering af omdat verweerder niet in verzuim zou zijn gesteld door ingebrekestelling, een vereiste volgens art. 6:265 lid 2 BW Pro.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid het begrip verzuim en de rol van ingebrekestelling bij wanprestatie. Hij bevestigt dat bij blijvende onmogelijkheid van nakoming, zoals het gebruik van het gehuurde als woonruimte, ingebrekestelling niet vereist is om ontbinding te vorderen. Ook onrechtmatig gedrag jegens derden kan wanprestatie jegens de verhuurder opleveren, wat ontbinding kan rechtvaardigen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de huurder als ondernemer verplicht is zijn woonadres aan de verhuurder te verstrekken, mede op grond van het Handelsregisterbesluit. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat ingebrekestelling vereist is bij onderhoudsverplichtingen van de huurder. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en verwijzing naar een lagere rechter voor nieuwe beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling naar een lagere rechter.