ECLI:NL:PHR:2007:AX0771
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering van de eigen woning voor het successierecht na afschaffing van de 60%-regeling
In deze zaak staat centraal de vraag of binnen het begrip 'waarde in het economische verkeer' van artikel 21, lid 1, Successiewet 1956 ruimte bestaat om bij de waardering van de eigen woning rekening te houden met een waardedrukkend effect van bewoning.
De casus betreft een nalatenschap waarin een woning deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap en door de langstlevende echtgenoot wordt bewoond. Na afschaffing van de forfaitaire 60%-waardering per 1 januari 2002 ontstond onduidelijkheid over de waarderingsmethode. Verschillende gerechtshoven spraken zich hierover uiteen: sommige hoven hielden vast aan de waarde in vrij opleverbare staat zonder waardedruk, terwijl andere hoven per geval een waardedrukkend effect van bewoning toestonden.
De staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen uitspraken die een waardedruk toestonden. De Hoge Raad bevestigt dat de waarde van de eigen woning voor het successierecht moet worden vastgesteld op de waarde in vrij opleverbare staat, zonder aftrek wegens bewoning, omdat de bewoning geen zakelijk recht betreft en daarmee geen waardedrukkend effect kan hebben.
De uitspraak benadrukt dat de Successiewet een objectief waardebegrip hanteert, waarbij persoonlijke omstandigheden van erflater en verkrijger buiten beschouwing blijven. Indien maatschappelijke bezwaren bestaan tegen de heffing over de volle waarde, ligt het op de weg van de wetgever om een passende regeling te treffen. Hiermee wordt de rechtszekerheid en fiscale consistentie gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat de eigen woning voor het successierecht gewaardeerd moet worden op de waarde in vrij opleverbare staat zonder aftrek wegens bewoning.