ECLI:NL:PHR:2010:BL6071
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperkte vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag na reorganisatie
In deze zaak stond de vraag centraal of de werknemer, die na een reorganisatie werd ontslagen, recht had op een hogere vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag dan toegekend door het hof. De werknemer was sinds 1966 in dienst en zou kort na het ontslag met vervroegd pensioen (VUT) gaan. Hij stelde dat hij recht had op voortzetting van zijn arbeidsovereenkomst tot de VUT-leeftijd op grond van een sociaal plan en een overeenkomst met de werkgever, en dat het ontslag daarom kennelijk onredelijk was.
De werkgever had een reorganisatie doorgevoerd waarbij de activiteiten van de Businessunit Sites werden overgebracht naar een nieuwe vennootschap (VWTI). Twee scenario's waren onderzocht, waarbij het eerste scenario leidde tot sluiting en ontslag van vrijwel alle werknemers met een beperkt sociaal plan. De werknemer kreeg een vergoeding conform dit sociaal plan, maar vond dit onvoldoende.
De kantonrechter kende een hogere vergoeding toe, maar het hof vernietigde dit en beperkte de vergoeding tot € 25.000 bruto, omdat het hof oordeelde dat geen sprake was van een toezegging tot voortzetting van het dienstverband tot de VUT-leeftijd en dat de werknemer onvoldoende had aangetoond dat het sociaal plan onredelijk was toegepast. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag een zekere mate van genoegdoening is, waarbij de rechter grote beoordelingsvrijheid heeft en rekening houdt met de omstandigheden van het geval, het sociaal plan en de mate van verwijtbaarheid aan de werkgever.
De Hoge Raad wees erop dat het gebruik van de kantonrechtersformule voor de berekening van de vergoeding niet verplicht is en dat de rechter zijn motivering moet geven, maar dat het hof voldoende inzicht had gegeven in zijn afweging. Ook werd bevestigd dat vereenzelviging van de werkgever met de rechtsvoorganger niet aan de orde was. De vergoeding werd als billijk en passend beoordeeld gezien de leeftijd, het dienstverband, de mogelijkheden op de arbeidsmarkt en het sociaal plan.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt een vergoeding van € 25.000 bruto wegens kennelijk onredelijk ontslag.