ECLI:NL:PHR:2010:BN7727
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing Salduz-recht en overmacht-noodtoestand bij niet-aangehouden verdachte
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte is veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte beriep zich op overmacht in de zin van noodtoestand omdat hij met een ongeldig verklaard rijbewijs naar zijn ernstig zieke moeder reed. Het hof verwierp dit beroep omdat er nog een andere persoon in de woning aanwezig was die hulp kon verlenen en de ambulance al was gearriveerd.
Daarnaast stelde de verdediging dat de verklaring van verdachte, afgelegd zonder advocaat voorafgaand aan het verhoor, uitgesloten moest worden als bewijs op grond van het Salduz-arrest van het EHRM. De Hoge Raad bevestigt dat het Salduz-recht primair geldt voor aangehouden verdachten en dat het niet zonder meer geldt voor niet-aangehouden verdachten. In deze zaak was verdachte niet aangehouden en bevond hij zich niet in verzekering, waardoor het ontbreken van advocaattoegang niet leidde tot een schending van het recht op een eerlijk proces.
Het hof motiveerde de strafoplegging met name vanwege recidive van de verdachte op het gebied van overtredingen van de Wegenverkeerswet. Het cassatieberoep klaagde dat de straf onvoldoende was gemotiveerd, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd en dat het oordeel over strafoplegging aan de feitenrechter toekomt. Het beroep op cassatie werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens rijden met ongeldig verklaard rijbewijs; beroep op overmacht en bewijsuitsluiting wordt verworpen.