ECLI:NL:PHR:2011:BQ3883
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling van griffierecht in cassatie bij verzoek schuldsaneringsregeling
De zaak betreft een verzet tegen de heffing van griffierecht van € 294,- bij het indienen van een cassatieverzoek tegen de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De schuldenares, een alleenstaande moeder met een bijstandsuitkering, had eerder in eerste aanleg en hoger beroep een inhoudelijk oordeel gekregen. Opposant stelde dat op grond van art. 4 lid 2 Wgbz Pro geen griffierecht verschuldigd is bij cassatie in deze procedure.
De waarnemend griffier betwistte dit en verwees naar de tekst van de wet die alleen vrijstelling verleent voor de indiening in eerste aanleg. De conclusie bespreekt uitgebreid de parlementaire geschiedenis, het Europese recht (art. 6 EVRM Pro) en jurisprudentie van het EHRM over het recht op toegang tot de rechter en de toelaatbaarheid van griffierechten als beperking daarvan.
De conclusie benadrukt dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is, maar dat beperkingen proportioneel moeten zijn en rekening moeten houden met de draagkracht van de rechtzoekende. De schuldenares kon het griffierecht niet betalen, wat een belemmering vormt. De conclusie pleit voor een ruime uitleg van de vrijstelling in art. 4 lid 2 Wgbz Pro die ook geldt voor hoger beroep en cassatie, om onnodige financiële drempels te voorkomen.
De conclusie wijst ook op de mogelijkheid van bijzondere bijstand, maar erkent dat dit geen volwaardig alternatief is. De conclusie beveelt gegrondverklaring van het verzet aan, waarmee het griffierecht in cassatie niet verschuldigd is bij verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzet tegen de heffing van griffierecht in cassatie bij een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gegrond verklaard.