Conclusie
de zogenoemde ‘eerste verwatering’– aan de door Banco Sabadell gestelde voorwaarde was voldaan, heeft Banco Sabadell op 9 juli 2009 uiteindelijk te kennen gegeven toch niet bereid te zijn om de verzochte financiering te verstrekken.
‘eerste verwatering’). Tevens werden door Efesyde – eveneens tegen nominale waarde – aandelen uitgegeven aan de Vennootschap; dit tegen betaling van EUR 1,5 miljoen. De Vennootschap wendde daarvoor, zo heeft de Ondernemingskamer aangenomen, het bedrag aan dat Holding I in december 2008 als noodkrediet aan de Vennootschap had verstrekt. Ten gevolge van deze emissie verkreeg Inversiones een belang van 78% in Efesyde. Het belang van de Vennootschap in Efesyde verwaterde naar 22%.
de ‘tweede verwatering’). In de notulen van de BAvA is vermeld dat voorafgaand aan de uitgifte van nieuwe aandelen aan Inversiones, Efesyde eerst 55.078.069 aandelen van de Vennootschap en 197.134.029 aandelen van Inversiones heeft ingetrokken (‘afgestempeld’) ter compensatie van verliezen. Voorts is in de notulen vermeld dat Inversiones voor de nieuw uitgegeven aandelen Efesyde USD 2,8 miljoen heeft betaald. De onderzoeker heeft niet kunnen constateren dat dit bedrag ook daadwerkelijk door Inversiones is betaald.
3.Procesverloop
4.Bespreking van de principale cassatieberoepen
conceivable’) is dat de gehanteerde ruilverhouding de marktwaarde vertegenwoordigde.” Het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer, door bij de vaststelling van de onzakelijkheid van de ruilverhouding te volstaan met de overweging dat ‘niet bij voorbaat aannemelijk was’ dat de gehanteerde ruilverhouding zakelijk was en door bovendien in het midden te laten dat het ‘voorstelbaar’ zou zijn dat de gehanteerde ruilverhouding wél zakelijk was, bij de beoordeling van de vraag of sprake is van wanbeleid is uitgegaan van een onjuiste maatstaf. Volgens het onderdeel is het bestreden oordeel op dit punt in elk geval onvoldoende gemotiveerd.
Op grond van al het voorgaandeverwerpt de Ondernemingskamer de stelling van Inversiones c.s. (en Invernostra c.s.) dat de marktwaarde van het hotel en (naar Inversiones kennelijk bedoelt) daarmee de waarde van de aandelen Efesyde ten tijde van de emissie verwaarloosbaar was, althans dat de waarde per aandeel gelijk was aan de nominale waarde althans dat die uitgiftekoers gelet op alle omstandigheden reëel was” (zie rov. 3.16; cursivering A-G). Dat oordeel is, (mede) gezien hetgeen de Ondernemingskamer in rov. 3.16 voor het overige heeft overwogen, ook niet onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 1.2wordt uitgewerkt in (sub)onderdelen 1.2.1 t/m 1.2.3. Onderdeel 1.2.1 richt zich tegen de overweging (in rov. 3.16) dat “Invernostra, op basis van de concept jaarrekening 2008 van Efesyde en een
business planvan de aandeelhouders, de waarde van de Vennootschap (welke toen min of meer zal zijn overeengekomen met de waarde van Efesyde) in januari/maart 2009 op USD 40 miljoen waardeerde.” Het onderdeel klaagt dat deze overweging zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Invernostra c.s. zouden bij gelegenheid van pleidooi (van 22 september 2011) hebben aangevoerd dat bij de uitgifte van aandelen in de Vennootschap aan Invernostra, werd uitgegaan van een waarde van 100% van de aandelen van
minderdan USD 40 miljoen.
uitgaande van de ruilverhouding,zoals deze gehanteerd werd bij de uitgifte van de aandelen aan Invernostra, de waarde van de Vennootschap USD 40 miljoen bedroeg.
Onderdeel 1.4richt zich tegen de overweging (in rov. 3.18) dat Inversiones en Invernostra zich op het standpunt hebben gesteld dat de uitgifte van aandelen in Efesyde aan Inversiones alleen dan tijdelijk zou zijn indien de beoogde additionele financiering van USD 12 miljoen van Banco Sabadell zou worden verkregen en Inversiones haar vordering op Efesyde zou kunnen innen, maar Inversiones en Invernostra dat tegenover de betwisting door Holding I onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Het onderdeel stelt dat, nu Holding I zich erop beroept dat (het bestuur van) de Vennootschap zich schuldig heeft gemaakt aan wanbeleid door onvoldoende in het werk te stellen om de ‘onbedoelde verwatering’ ongedaan te maken, op Holding I ook de plicht rust om te stellen en om bij voldoende betwisting ook te bewijzen dat de verwatering ‘onbedoeld’ was (met andere woorden: dat de aandelenuitgifte ook tijdelijk zou zijn in het geval dat de beoogde additionele financiering niet verkregen zou worden). Het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer dit in rov. 3.18 miskend heeft.
Onderdeel 1.7klaagt dat de Ondernemingskamer een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de gedingstukken als in rov. 3.18 bedoeld is dat volgens de stellingen van Inversiones en Invernostra de aandelenuitgifte slechts tijdelijk zou zijn indien én de additionele financiering van Banco Sabadell werd verkregen én de vordering ad USD 14,5 miljoen van Inversiones op Efesyde voldaan werd (en derhalve niet indien de vordering van Inversiones voldaan werd met op andere wijze beschikbaar gekomen gelden).
De klacht van onderdeel 1.9wordt uitgewerkt in (sub)onderdelen 1.9.1 t/m 1.9.5.
Onderdeel 1.9.1richt zich tegen het oordeel (in rov. 3.21) dat (het bestuur van) de Vennootschap bij de eerste verwatering en de ontwikkelingen onmiddellijk daarna (tot en met 31 augustus 2009) gehandeld heeft in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Het onderdeel merkt op dat dit oordeel mede gegrond is op het verwijt dat het bestuur van de Vennootschap “heeft nagelaten om vóór 1 juli 2009 adequaat vast te (doen) leggen wat door de aandeelhouders van de Vennootschap met de omzetting van de vordering van Inversiones op Efesyde werd beoogd en waarom voor de gevolgde route van de aandelenuitgifte was gekozen, inclusief de omstandigheid dat, en de reden waarom, de waarde van de nieuw uit te geven aandelen Efesyde – en daarmee de ruilverhouding voor de omzetting van de vordering – niet zakelijk en verantwoord was vastgesteld” (zie rov. 3.20.1). Het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Holding I zou aan haar verzoek tot het vaststellen van wanbeleid ter zake van de eerste verwatering, namelijk enkel ten grondslag hebben gelegd dat er geen zakelijke ruilverhouding is gehanteerd en dat het bestuur onvoldoende heeft gedaan om de aandelenuitgifte ongedaan te maken.
uitvoeringvan dat beleidsvoornemen (bijvoorbeeld in het kader van de adequate schriftelijke vastlegging van afspraken en een adequate informatieverschaffing aan ieder van de partners).
onderdelen 1.9.3 en 1.9.4falen op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdeel 1.9.2.
Onderdeel 1.9.5bevat geen zelfstandige klachten. De klacht van
onderdeel 1.10wordt uitgewerkt in (sub)onderdelen 1.10.1 t/m 1.10.6.
Onderdeel 1.10.1klaagt dat het oordeel (in rov. 3.20.2, 3.21) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende gemotiveerd is voor zover het oordeel dat sprake is van wanbeleid, mede gebaseerd is op het verwijt dat het bestuur van de Vennootschap niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs nodig was om te bewerkstelligen dat de door Efesyde aan Inversiones uitgegeven aandelen terug zouden worden geleverd aan Efesyde onder gelijktijdige terugplaatsing van de vordering van Inversiones op Efesyde op de balans van Efesyde. Dat oordeel zou namelijk niet te verenigen zijn met de omstandigheid dat aangenomen moet worden dat het terugplaatsen van de vordering op de balans van Efesyde, zou leiden tot opeisbaarheid van de door Banco Sabadell verstrekte lening van (maximaal) USD 60 miljoen.
Onderdeel 1.10.2voegt daaraan toe dat het bestreden oordeel evenmin in stand kan blijven voor zover dat ervan uitgaat dat het bestuur had moeten pogen te bewerkstelligen om de aandelenuitgifte terug te draaien zonder dat de vordering van Inversiones zou worden teruggeplaatst op de balans van Efesyde én zonder dat Inversiones in ruil daarvoor compensatie verkreeg voor haar oorspronkelijke vordering.
onderdeel 1.10.3mist goede grond. De vaststelling (in rov. 3.20.2) dat alle betrokken partijen genoegzaam bekend was dat bij de uitgifte van aandelen Efesyde aan Inversiones sprake was van een onzakelijke ruilverhouding, is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (zie onder meer rov. 3.14.3, 3.14.4, 3.15 en 3.16).
De tweede klacht van onderdeel 1.10.5is dezelfde als de klacht van
onderdeel 1.10.6. De beide onderdelen betogen dat (het bestuur van) de Vennootschap geen bevoegdheid had om de aandelenuitgifte van Efesyde aan Inversiones ongedaan te maken of om de onzakelijke ruilverhouding ongedaan te maken, althans niet indien Inversiones daaraan niet zou meewerken. De onderdelen klagen dat het bestuur dan ook niet verweten kan worden dat het niet méér heeft gedaan om een of ander te bewerkstelligen. Als het bestuur op dit punt toch een dergelijk verwijt kan worden gemaakt, is dat verwijt – zo betogen de onderdelen – in elk geval niet zo ernstig dat sprake is van strijdigheid met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Volgens de onderdelen geeft het oordeel van de Ondernemingskamer (in rov. 3.20.2, 3.21) op dat punt dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting; in elk geval zou dat oordeel onvoldoende zijn gemotiveerd.
Stb.2012, 299, 300 en 301). Sinds de genoemde datum bepaalt art. 2:242 lid 1 BW Pro dat in de statuten aan bepaalde categorieën aandeelhouders het recht kan worden gegeven om een bestuurder te benoemen. Anders dan het onderdeel betoogt, brengt deze regeling niet mee dat een ‘eigen’ bestuurder zich bij de vervulling van zijn taak mag richten op het belang van de ‘eigen’ aandeelhouder. Hierop is destijds in de Memorie van Toelichting ook uitdrukkelijk gewezen (
Kamerstukken II2006/07, 31 058, nr. 3, p. 91-92):
Kamerstukken II2006/07, 31 058, nr. 3, p. 90):
onderdeel 1.2(nrs. 2.13 t/m 2.16) kunnen niet tot cassatie leiden; dit op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdelen 1.5, 1.9.2 en 1.11 van Inversiones c.s. De klachten van onderdeel 1.3 (nrs. 2.17 t/m 2.23) falen op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdelen 1.5, 1.7, 1.9.1 en 1.9.2 van Inversiones c.s. Onderdeel 1.4 (nrs. 2.24 t/m 2.29) faalt op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdelen 1.10.1, 1.10.2, 1.10.4, 1.10.5 en 1.10.6 van Inversiones c.s. Zie over de verantwoordelijkheid van Equity Trust ook de bespreking van onderdeel 5 van Equity Trust.
onderdeel 2.2wordt uitgewerkt in (sub)onderdelen 2.2.1 t/m 2.2.3. Onderdeel 2.2.1 richt zich tegen het oordeel (in rov. 3.25.2) dat Inversiones en Invernostra gehandeld hebben in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van elkaar en van Holding I in acht behoorden te nemen, en wel door de Holding I niet op de hoogte te stellen van het voornemen van Inversiones om de aandelen C (een 7%-belang) in de Vennootschap van Invernostra over te nemen en van de bereidheid van Invernostra om haar aanbod tot overdracht van die aandelen gestand te doen. Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel in elk geval onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel wijst er onder meer op dat vaststaat dat er noch op basis van de wet, noch op basis van de aandeelhoudersovereenkomsten of de statuten van de Vennootschap, een verplichting bestond om de aandelen C eerst aan Holding I aan te bieden alvorens deze aandelen over te dragen aan Inversiones (zie rov. 3.24, 3.25). Verder wordt onder meer betoogd dat onvoldoende gemotiveerd is waarom het feit dat de joint venture in 2006 is aangegaan in een 50/50-verhouding, meebrengt dat die verhouding, niettegenstaande de latere ontwikkelingen, na beëindiging van het aandeelhouderschap van Invernostra weer hersteld zou moeten worden.
Inversiones en Invernostragehandeld hebben in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van elkaar en van Holding I in acht behoorden te nemen. Zij hebben die norm geschonden door, onder de omstandigheden zoals die destijds aan de orde waren, heimelijk afbreuk te doen aan de tussen Inversiones en Holding I beoogde aandeelhoudersgelijkheid, en wel door Holding I niet op de hoogte te stellen van de wens van Inversiones om de aandelen C in de Vennootschap (het 7%-belang van Invernostra) over te nemen en van de bereidheid van Invernostra om haar aanbod tot overdracht van die aandelen gestand te doen (zie rov. 3.25.2). Tot de omstandigheden die van belang zijn, behoort onder meer dat sprake is van een door Holding I en Inversiones als een gelijkwaardige joint venture (50/50) opgezette vennootschap, bij welke vennootschap het ondernemingsbeleid de facto zou dienen te berusten op de instemming van de beide joint venture-partners (zie rov. 3.4, 3.26 en 3.27). Deze gelijkwaardigheid van de joint venture-partners Holding I en Inversiones werd ook gehandhaafd toen besloten werd om Invernostra als financier van de Vennootschap te laten participeren in het aandelenkapitaal (zie rov. 3.26). Aan de aandelen C waren ook specifieke zeggenschapsrechten verbonden (zie rov. 3.26, 3.27). Verder bracht de aard van de joint venture mee dat ook de Vennootschap er in beginsel belang bij had dat het evenwicht tussen de joint venture-partners gehandhaafd bleef (zie rov. 3.26). Daarbij komt nog dat op het moment van de overdracht van het 7%-belang aan Inversiones er al sprake was van een aandeelhoudersconflict tussen Holding I en Inversiones, dit (onder meer) vanwege het feit dat Inversiones het op 1 juli 2009 verworven 78%-belang in Efesyde, in strijd met de beoogde tijdelijkheid van de betreffende aandelenuitgifte, niet wenste terug te draaien (zie onder meer rov. 3.26). Gezien de genoemde omstandigheden was ook duidelijk dat Inversiones door verwerving van het 7%-belang van Invernostra, een overheersende zeggenschap in de Vennootschap zou verkrijgen (zie ook rov. 3.27). Het oordeel dat Inversiones en Invernostra gehandeld hebben in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders jegens elkaar en Holding I in acht behoorden te nemen, door onder die omstandigheden en zonder Holding I tijdig en voorafgaand te informeren over de wens van Inversiones tot overname van het 7%-belang en over de bereidheid van Invernostra tot overdracht van dat belang, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is bovendien niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van hetgeen onderdeel 2.2.1 voor het overige nog heeft aangevoerd.
Onderdeel 2.2.3richt zich tegen het oordeel (in rov. 3.26, 3.27) dat
het bestuur van de Vennootschapbij de overdracht van het 7%-belang van Invernostra aan Inversiones gehandeld heeft in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Het onderdeel klaagt dat de Ondernemingskamer miskend heeft dat in een geval als het onderhavige het vennootschappelijk belang (waarnaar het bestuur zich diende te richten) niet meebrengt, althans niet zonder meer meebrengt, dat het aanvankelijke evenwicht tussen de joint venture-partners gehandhaafd of hersteld dient te worden. De Ondernemingskamer zou haar oordeel hierover in elk geval onvoldoende hebben gemotiveerd.
van onderdeel 2.6faalt omdat zij niet voldoet aan de vereisten van art. 426a lid 2 Rv.
Onderdeel IX.1faalt op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdelen 2.3 en 2.4 van Inversiones c.s., en
onderdeel IX.2loopt stuk op de gronden zoals vermeld bij de bespreking van onderdeel 2.2.1 van Inversiones c.s.
Onderdeel 2.5.2(b)betoogt onder meer dat het onderzoeksverslag onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de vaststelling (in rov. 3.26 en 3.27) dat de bestuurders van de Vennootschap gehandeld hebben in strijd met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap.
onderdeel 2.5.2(d)mist goede grond; zie ook de bespreking van onderdelen 2.2(c) en 3.3(b) van [A].
naarVesta gingen. Het onderdeel klaagt dat deze overweging in het licht van de door het onderdeel aangeduide correspondentie onbegrijpelijk is (het onderdeel verwijst in dit verband naar correspondentie die vermeld is in par. 6.2.52 en 6.2.57 van het onderzoeksverslag).
naarVesta gingen.
Onderdeel 3.2.2klaagt dat de Ondernemingskamer (in rov. 3.38 en 3.39) miskend heeft dat de Vennootschap geen verwijt gemaakt kan worden ter zake van het meewerken aan een definitieve (formele) omleiding van boekingsgelden. Het onderdeel stelt in dit verband dat de route van de boekingsgelden geregeld was in het contract tussen Vesta en AM Resorts en dat het bestuur van de Vennootschap niet aan Vesta heeft verzocht om dit contract te beëindigen. Volgens het onderdeel brengt de enkele omstandigheid dat Inversiones een definitieve en niet een tijdelijke betalingsomleiding voor ogen had, nog niet mee dat de Vennootschap aan die definitieve betalingsomleiding heeft meegewerkt. Indien de Ondernemingskamer een en ander niet miskend heeft, dan is haar oordeel volgens het onderdeel in elk geval onvoldoende gemotiveerd.
Secret Silver Sands– ook formeel;
de factowas dat sinds 15 september 2009 al het geval – niet langer via Vesta maar rechtstreeks naar Efesyde zouden stromen […]” (zie rov. 3.38). Het oordeel dat de Vennootschap daarmee feitelijk meegewerkt heeft aan een definitieve en formele omleiding van de boekingsgelden, is allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
onderdeel 3.4is uitgewerkt in (sub)onderdelen 3.4.1 t/m 3.4.3. Onderdeel 3.4.1 bevat geen zelfstandige klachten.
Onderdeel 3.4.2richt zich tegen het oordeel (in rov. 3.40.1) dat de vrees dat [betrokkene 2], indien hij over de beoogde omleiding van boekingsgelden geïnformeerd zou worden, ‘nog meer liquiditeiten van de rekening van Vesta (zou) hebben kunnen laten verdwijnen’, niet een voldoende zwaarwichtige reden vormde om Holding I niet te informeren. De Ondernemingskamer overweegt in verband met dat laatste dat er ook minder vergaande maatregelen genomen hadden kunnen worden, bijvoorbeeld maatregelen betreffende de toegang van [betrokkene 2] tot de bankrekening van Vesta (zie rov. 3.40.1).
onderdeel 3.4.3faalt. Reden daarvoor is dat het voor de hand ligt dat ook een minder vergaande maatregel zoals een tijdelijke schorsing van het Vesta-bestuur aangewend had kunnen worden om te verhinderen dat [betrokkene 2], als gevolg van het bekend raken met het voorgenomen ontslag van het Vesta-bestuur, “nog meer liquiditeiten van de rekening van Vesta (zou) hebben kunnen laten verdwijnen” (vgl. rov. 3.39; zie ook de bespreking van onderdelen 3.1.1 en 3.1.2 van Inversiones c.s.).
onderdeel 3.2(nrs. 4.14 t/m 4.18) worden tevergeefs voorgesteld. Het betoog onder nr. 4.15 miskent dat de stelling dat slechts sprake zou zijn van een tijdelijke omleiding van de betalingen, in rov. 3.38 uitdrukkelijk en gemotiveerd is verworpen. Dat oordeel is, in tegenstelling tot hetgeen onder nr. 4.16 wordt betoogd, ook allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De eerste klacht zoals vermeld onder nr. 4.17 berust op een onjuiste lezing van de bestreden rechtsoverweging (rov. 3.64.2). De in die rechtsoverweging aangeduide “stelling” betreft niet slechts een weergave van hetgeen Equity Trust in haar verweerschrift had betoogd; de Ondernemingskamer heeft daarbij namelijk tevens acht geslagen op het eerder in de beschikking (in rov. 3.38) vastgestelde feit dat Equity Trust/[betrokkene 7] zich ervan bewust was dat de betalingsomleiding een definitief karakter zou krijgen. De tweede klacht onder nr. 4.17 houdt in dat de Ondernemingskamer (in rov. 3.64.2) miskend zou hebben dat de opdracht aan de touroperators niet gegeven zou zijn door Equity Trust maar door Equity Trust Curaçao. Deze klacht mist belang; ook indien de betreffende opdracht gegeven is door Equity Trust Curaçao, blijkt uit die opdracht immers niet dat Equity Trust zelfstandig een afweging heeft gemaakt ter zake van enig aspect van het door de Vennootschap gevoerde beleid (zie rov. 3.64.2). Onderdeel 3.2 (nrs. 4.14 t/m 4.18) behoeft hier voor het overige geen bespreking. Ik verwijs naar de bespreking van onderdelen 3.1.1, 3.1.2, 3.2.2 en 3.6 van Inversiones c.s.
onderdeel 2.5.3(b)missen goede grond; zie ook de bespreking van onderdelen 2.2(c) en 3.3(b) van [A]. Ook de klacht van onderdeel 2.5.3(c) is ongegrond. De constatering (in rov. 3.39) dat er in het kader van het ontslag van het Vesta-bestuur geen hoor en wederhoor is toegepast jegens de leden van dat bestuur, is allerminst onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (zie in dit verband onder meer rov. 3.32, 3.34, 3.36 en 3.38; zie ook het onderzoeksverslag, onder meer par. 6.2.53, 6.2.62, 6.2.64 en 6.2.68).
onderdeel 4.3loopt stuk op hetgeen in rov. 3.64.1 en 3.44 is overwogen; het aldaar gegeven oordeel wordt door onderdeel 4.3 niet op adequate wijze bestreden.
Onderdeel 5.3berust op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking; zie rov. 3.66 en 3.62 t/m 3.64.2.
Onderdeel 5.4richt zich tegen de overweging (in rov. 3.66) dat uit het onderzoeksverslag genoegzaam blijkt (zoals daarvoor ook overwogen is) dat Inversiones en [B] als (feitelijke) opdrachtgevers van de bestuurders [C] en Equity Trust in gelijke mate als die bestuurders verantwoordelijk zijn te houden voor het vastgestelde wanbeleid. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel blijkt uit het onderzoeksverslag en de bestreden beschikking niet, althans niet op voldoende duidelijke wijze, dat Inversiones en [B] zijn opgetreden als feitelijk opdrachtgevers van bestuurders Equity Trust en [C]. Deze klachten van onderdeel 5.4 worden vervolgens uitgewerkt in (sub)onderdelen 5.4.1 t/m 5.4.5.
onderdeel 6bouwen enkel voort op de eerdere klachten. Het onderdeel behoeft hier om die reden geen bespreking.
Onderdelen 2.2(a) en 2.2(b)gaan uit van een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. De onderdelen miskennen dat er in rov. 3.65 (slotzin) met de term “aansprakelijkheid” enkel gedoeld wordt op de toewijzing van het verzoek van de Vennootschap betreffende het verhaal van de onderzoekskosten (ex art. 2:354 BW Pro). De onderdelen gaan er ook ten onrechte van uit dat de Ondernemingskamer in rov. 3.65 met de kwalificatie “ernstig verwijt” een oordeel heeft gegeven over aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW Pro; de vaststelling van een dergelijke aansprakelijkheid is in deze enquêteprocedure niet aan de orde (vgl. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.7-3.8 (Laurus); HR 4 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7240, NJ 1997/671, rov. 4.1.3 (Text Lite)). Uit het gegeven dat de Ondernemingskamer geconstateerd heeft dat de bestuurders van de Vennootschap ter zake van hun optreden bovendien zelfs een ‘ernstig verwijt’ kan worden gemaakt, volgt – anders dan de onderdelen kennelijk wensen te betogen – ook niet dat de Ondernemingskamer in de onderhavige enquêteprocedure een onjuiste maatstaf heeft aangelegd.
onderdeel 2.3.2(zie ook de bespreking van onderdelen 1.10.4, 1.10.5 en 1.10.6 van Inversiones c.s.). Zie ook de bespreking van onderdelen 2.5.1(a) en 2.5.1(b) van [A].
Onderdelen 3.2, 3.3(a) en 3.3(b)richten zich tegen het oordeel dat [A] veroordeeld dient te worden tot vergoeding van de kosten van het onderzoek (zie rov. 3.63, 3.64.1, 3.65 en 3.67). Onderdeel 3.2 betoogt onder meer dat de Ondernemingskamer een onjuiste maatstaf heeft toegepast “nu op grond van art. 2:354 BW Pro voor een verhaal van de onderzoekskosten uit het verslag van de onderzoeker (ook) ten aanzien van [A] individueel en concreet moe(s)t blijken dat hij verantwoordelijk is voor een onjuist beleid, en voor het verhaal van de onderzoekskosten zijn verantwoordelijkheid daarom niet kan worden vastgesteld zonder en/of buiten de in het verslag neergelegde nuanceringen van de verwijten jegens [A], c.q. de mate van verwijtbaarheid van zijn handelen of nalaten zoals deze blijken uit het verslag.” Het onderdeel stelt verder onder meer dat er in het onderzoeksverslag ten aanzien van [A] geen persoonlijke ernstige verwijten zijn vastgesteld.
onderdeel 3.3(b)mist goede grond. Reden daarvoor is dat uit de bestreden beschikking blijkt dat de Ondernemingskamer bij beantwoording van de vraag of [A] en de andere bestuurders (individueel) verantwoordelijk zijn te houden voor de geconstateerde gang van zaken, wel degelijk acht heeft geslagen op hun individuele positie (voortvloeiend uit onder meer de stemverhoudingen binnen het bestuur van de Vennootschap). Zie rov. 3.65, en verder onder meer rov. 3.63, 3.64.1 en 3.64.2. Zie in dit verband ook de bespreking van onderdeel 2.2(c) van [A]. De klachten van onderdeel 3.3(c) missen feitelijke grondslag. Het oordeel dat [A] op de in rov. 3.63, 3.65 en 3.67 genoemde gronden jegens de Vennootschap gehouden is tot vergoeding van de onderzoekskosten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (vgl. voorts het ‘verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek ex art. 2:354 BW Pro’ van de Vennootschap d.d. 8 september 2011, nrs. 55 t/m 73).