Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
terSr) en het deelnemen aan een criminele organisatie (art. 140 Sr Pro). Op vordering van de officier van justitie is een gerechtelijk vooronderzoek tegen eiser geopend. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 4 december 1997 de bewaring van eiser bevolen voor de duur van tien dagen. Op 6 december 1997 heeft eiser tegenover de FIOD een verklaring afgelegd [4] .
2.Bespreking van het cassatiemiddel
betrouwbaarheidvan het in de aanhangige strafprocedure verkregen onderzoeksmateriaal wezenlijk is beïnvloed, het materiaal reeds om die reden door de rechter buiten beschouwing zal worden gelaten [23] .
ex tuncgaat, is de taak van de rechter beperkt tot het beantwoorden van de vraag of
destijdssprake was van een toereikende grondslag voor opsporingshandelingen en voor de vervolging. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat het hof in de op 12 november 1997 door eiser afgelegde verklaring voldoende rechtvaardiging heeft gezien voor een voortgezet strafrechtelijk optreden tegen eiser na die datum. Dit oordeel is volgens de klacht in strijd met de toe te passen maatstaf: eiser had aangevoerd dat zijn verhoor in november 1997 geen rol heeft gespeeld in het ontstaan van de verdenking tegen hem. Volgens het middelonderdeel heeft het hof de juistheid van die stelling in het midden gelaten.
ex tunc). Ook de vraag of een orgaan van de Staat publiekrechtelijk bevoegd is een bepaalde handeling te verrichten − in dit geval: daden van opsporing en vervolging jegens eiser −, wordt getoetst naar het tijdstip waarop die handeling heeft plaatsgevonden [27] . M.i. heeft het hof deze regel niet miskend. In rov. 2.6 en 2.7 heeft het hof het oog op de rechtmatigheid van “het strafrechtelijke optreden van opsporingsambtenaren en justitie” jegens eiser, vanaf de aanvang daarvan. Het gaat dus om een overheidsoptreden dat zich over enige tijd uitstrekt. Voor zover uit het arrest blijkt, is de eerste opsporingshandeling waarbij eiser was betrokken het verhoor op 12 november 1997 door de FIOD geweest. Het hof heeft in het midden gelaten of eiser toen werd gehoord als verdachte of slechts als getuige. In de redenering van het hof bestonden al vóórdat (op 3 oktober 1997) het rechtshulpverzoek aan de Zwitserse autoriteiten werd gedaan, bij de FIOD op feiten en omstandigheden gebaseerde vermoedens dat sprake was van een criminele organisatie met het oogmerk door het plegen van valsheid in geschrift andere misdrijven te verhullen en dat, via Mississippi-coderekeningen, zwart geld van (toen nog nader te identificeren) cliënten was ondergebracht bij NIB Securities. De rol van eiser, als directeur van laatstgenoemd bedrijf, rechtvaardigde volgens het hof het besluit om eiser op 12 november 1997 in het kader van dit opsporingsonderzoek te horen. Het hof heeft deze opsporingshandeling dus beoordeeld naar het tijdstip waarop zij geschiedde. De op 12 november 1997 door eiser afgelegde verklaring rechtvaardigde volgens het hof vanaf die datum het voortgezette strafrechtelijk optreden (de vervolging) tegen eiser. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent een beoordeling
ex tunc. De stelling van eiser dat (het resultaat van) het verhoor op 12 november 1997 geen rol heeft gespeeld in het ontstaan of het verloop van de verdenking jegens hem, was daarmee door het hof verworpen. Het hof heeft de juistheid van die stelling niet in het midden gelaten. Daarmee ontvalt de feitelijke grondslag aan dit middelonderdeel.
achterafdoet over de rechtmatigheid van een verdenking [30] niet onder de eerste maatstaf van het arrest-Begaclaim valt (maar onder de tweede, toevoeging A-G), draagt eiser een aanvullende klacht voor: indien gebreken blijken te kleven aan de vergaring van bewijsmateriaal dat de grondslag voor een verdenking heeft gevormd, ook al worden deze gebreken pas achteraf door de (straf)rechter vastgesteld, heeft
ten tijde van het strafvordelijk optredengeen toereikende grondslag voor dat optreden bestaan en is door politie en/of justitie in strijd met een publiekrechtelijke rechtsnorm gehandeld. Tot zover de klachten.
ook zonder de resultaten van het rechtshulpverzoekeen toereikende publiekrechtelijke grondslag bestond voor het optreden van de opsporende en vervolgende autoriteiten. In de redenering van het hof waren er voldoende aanknopingspunten om het onderzoek op eiser, werknemer en directeur van Strating Effecten N.V., te richten, al vóórdat uit de Zwitserse informatie naar voren kwam dat hij ook zelf een coderekening had. Hieruit volgt m.i. dat eiser belang mist bij zijn bestrijding van het eerstgenoemde oordeel. Overigens heeft het hof niet miskend dat op een later tijdstip door de rechter kan worden vastgesteld dat de FIOD of het OM op het tijdstip van handelen onrechtmatig heeft gehandeld.
bisverworpen. In die grief kwam eiser op tegen de verwerping door de rechtbank van zijn stelling dat de Staat
ook overigensonzorgvuldig en onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld [34] . Het hof heeft het desbetreffende oordeel van de rechtbank (rov. 4.8.1 en 4.8.2 Rb) onderschreven. Dat oordeel van de rechtbank hield in:
nietheeft geresulteerd in enige verdenking jegens hem − hetgeen z.i. ook niet mogelijk was, omdat het uit Zwitserland verkregen bewijsmateriaal niet mocht worden gebruikt voor de opsporing en vervolging van belastingdelicten − acht eiser het bestreden oordeel onbegrijpelijk.
terSr) en het deelnemen aan een criminele organisatie (art. 140 Sr Pro) en dat een g.v.o. tegen eiser is geopend. In rov. 2.12 heeft het hof dan ook het oog op deze verdenkingen. Voor zover de klacht berust op de aanname dat hier sprake is geweest van een verdachtmaking waarop nooit is geacteerd of een verdenking die achteraf is geconstrueerd, mist de klacht feitelijke grondslag.