Conclusie
december2003 tot en met 11 februari 2004 in Den Haag en/of Rijswijk en/of Poeldijk en/of elders in Nederland opzettelijk bedragen aan geld, toebehorende aan [betrokkene 1], welk(e) bedragen hij onder zich had anders dan door misdrijf, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
heeftopgemaakt en/of valselijk heeft laten opmaken immers heeft hij, verdachte, en/of (een) ander (telkens) valselijk – immers opzettelijk in strijd met de waarheid – a) in die leningsovereenkomst opgenomen of laten opnemen dat er een leningsovereenkomst bestond tussen [A] B.V. en [betrokkene 2] en dat de looptijd 10 jaar bedroeg en b) in dat/die concept schrijven/verklaring opgenomen en of laten opnemen dat hij, verdachte, geen enkele zeggenschap had over de rekening(en) van de firma [B] en/of [C] BV en/of dat 2x EUR 45.000 die van [betrokkene 1] op de rekening van [C] zijn binnen gekomen, zijn geïnvesteerd in het bedrijf dit (telkens) met het oogmerk die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken;”
eerste middelklaagt dat het Hof onvoldoende heeft gerespondeerd op twee uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv, kort samengevat inhoudende (i) dat verduistering niet bewezen kan worden verklaard en voorts (ii) dat van valsheid in geschrift geen sprake kan zijn geweest.
zonder daartoe gerechtigd te zijnals heer en meester beschikken over een goed dat aan een ander toebehoort. [5] Daarbij komt dan nog dat het opzet van de ontvanger daarop gericht moet zijn geweest.
Leningsovereenkomst
tweede middelklaagt dat het HHof bij de strafoplegging onvoldoende rekening heeft gehouden met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
Strafmotivering