Conclusie
uitlegvan één aspect van die vervolgovereenkomst [1] . De positie van GDF is dat een onvoorwaardelijke
Take or Pay(TOP) verplichting is overeengekomen. Dat is een soort minimum-afnamebeding in energiecontracten: indien deze hoeveelheid niet wordt afgenomen, dient niettemin tot die hoeveelheid te worden betaald. Nuon meent dat de TOP-verplichting is aangegaan onder de voorwaarde dat deze kon worden aangepast wanneer het afnamepatroon zou verminderen of stoomafnemers van Nuon zouden wegvallen. Begin december 2006 bereikten onderhandelaars van Electrabel (key-accountmanager [betrokkene 1]) en Nuon (exploitatiemanager [betrokkene 2]) op hoofdpunten overeenstemming. Nadere uitwerking werd aan juristen overgelaten, maar stoomlevering vond vanaf 2007 plaats tegen de nieuwe prijzen en condities. Toen per juli 2007 de tweede – en grootste – stoomafnemer van Nuon wegviel (80% van de toenmalige totale afname), kwam het geschil over het al dan niet voorwaardelijke karakter van de TOP-verplichting aan het licht. Nuon weigerde de door Electrabel in juni 2007 uitgewerkte vervolgovereenkomst te tekenen, omdat daarin een onvoorwaardelijke TOP-verplichting was opgenomen. Zij heeft ook de gefactureerde TOP-bedragen niet voldaan, wel de daadwerkelijk van Electrabel afgenomen stoom. Zij heeft kortom geen onvoorwaardelijke TOP-verplichting willen nakomen.
1.Feitenen procesverloop
Specificatie van de levering van stoom
Overig
Specificatie van de levering van stoom
Take or Pay)-verplichting wordt verstaan het minimale volume dat een afnemer jaarlijks dient af te nemen, bij gebreke waarvan dit volume toch in rekening zal worden gebracht bij de afnemer.
2.Beoordeling
Indien u de in uwofferte opgenomen buitensporige prijzen bij ons in rekening zou brengen,noodzaakt u ons deze extra kosten door te berekenen aan onze afnemers oplocatie. Dit zal op korte termijn leiden tot het faillissement van onze grootsteafnemer. Indien dit scenario zich voltrekt zijn er slechts verliezers. Wij gaanervan uit dat u dit punt voldoende hebt meegewogen in uw voornemen tottariefsverhoging en bereid bent alsnog een marktconform tarief voor 2007aan te bieden.
: Deze overeenkomst loopt op 31 december2006 af, en Electrabel heeft een nieuw voorstel gedaan. Dit nieuwe voorstelbetekent een verdrievoudiging van de tarieven. Dit zal voor deeindgebruikers van stoom een stevig probleem vormen, zelfs de continuïteitvan de bedrijven zal ernstig in gevaar worden gebracht. Ter onderbouwingvan deze uitspraak stuur ik u de brieven van onze klanten als bijlage metdeze brief mee.
Grief 3, had het naar het oordeel van het hof op de weg van Electrabel gelegen om te onderzoeken of Nuon, in de omstandigheden van het geval en in weerwil van haar e-mail van 6 december 2006, toch akkoord ging met een onvoorwaardelijke TOP-verplichting.
grieven 1 tot en met 3in het principaal; en
grief 3(ten onrechte genummerd als 4) in het incidenteel appel.
Grief 4in het principaal appel komt op tegen het oordeel van rechtbank in rechtsoverweging 2.13 van het vonnis van 17 november 2010 dat Electrabel als professionele partij zich in de gegeven omstandigheden had moeten realiseren dat voor het bestaan van gerechtvaardigd vertrouwen bij haar wederpartij (Nuon) ook het uitblijven van een mededeling of gedraging op een verzoek voldoende kan zijn (HR 27 februari 2004, LJN: AO 1228 (Meplax/[...])).
Grief 5richt zich tegen rechtsoverweging 5.17 en 5.19 van het tussenvonnis van 24 juni 2009 en bevat de klacht dat de rechtbank de bewijslast bij Electrabel heeft gelegd. De grief berust op verkeerde lezing van de betreffende overwegingen van de rechtbank.
Gelet op het vorenstaande mocht Nuon, naar hetvoorshandse oordeel van de rechtbank, de toevoeging van de hiervooraangegeven passage in de e-mail van 8 december 2006 opvatten als eenacceptatie van de door haar gestelde voorwaarde inhoudende de mogelijkheidvan aanpassing van de TOP-verplichting ingeval van structurele wijzigingen in destoomafname. Gelet op het feit dat de rechtbank de door Nuon gegeven uitleg aande overeenkomst voorshands bewezen acht, zal de rechtbank Electrabel in degelegenheidstellen tegenbewijs te leveren.
grieven 7 en 8liggen in het verlengde van de voorgaande grieven en behoeven geen afzonderlijke bespreking meer.
Grief 6betoogt dat de rechtbank de Haviltex-maatstaf onjuist heeft toegepast nu zij voorbij gegaan zou zijn aan de vraag wat de letterlijke betekenis is van de contractsbepaling. De grief mist in zoverre feitelijke grondslag, dat uit rechtsoverweging 5.18 van het vonnis van 24 juni 2008 niet blijkt dat de rechtbank heeft miskend dat de letterlijke bewoordingen van een contract bij de uitleg daarvan een rol spelen, doch slechts dat deze bewoordingen geen steun bieden voor de door Electrabel voorgestane uitleg. Voor het overige faalt de grief nu het hof van oordeel is dat de overeenkomst niet primair taalkundig moet worden uitgelegd nu er geen sprake is van een gedetailleerd contract bij de totstandkoming waarvan partijen zijn bijgestaan door deskundige juristen.
Grief 9strekt ertoe dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.14 van het vonnis van 17 november 2010 ten onrechte de stelling van Electrabel heeft verworpen dat uit de eerdere offertes van 5 en 18 april 2006 en 22 september 2006 en de daarin van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden zou blijken dat er sprake is van een onvoorwaardelijke TOP-verplichting. De rechtbank is tot haar oordeel gekomen nu zij heeft vastgesteld dat de Algemene Voorwaarden wel naar Nuon zijn toegestuurd, maar inhoudelijk nooit zijn besproken. Nu partijen in onderhandeling waren over een nieuw door Electrabel bij haar e-mail van 6 december 2006 voor het eerst ingebracht bestanddeel van de overeenkomst tussen partijen, de TOP-verplichting, welk bestanddeel voor partijen van groot belang is, kan Electrabel voor de uitleg van de TOP-verplichting geen beroep doen op de Algemene Voorwaarden nu Electrabel heeft nagelaten bij de totstandkoming van de overeenkomst toe te lichten dat de TOP-verplichting is uitgewerkt in haar Algemene Voorwaarden.
Grief 10komt op tegen het in de rechtsoverwegingen 2.19 en 2.20 van het eindvonnis neergelegde oordeel van de rechtbank ten aanzien van de subsidiaire vordering van Electrabel. Electrabel beroept zich voor haar subsidiaire vordering op haar Algemene Voorwaarden. Op grond van artikel 9.2 van deze Algemene Voorwaarden zou gelden, voor zover moet worden aangenomen dat de TOP-verplichting voorwaardelijk is in de zin dat de TOP-verplichting kan worden aangepast ingeval van structurele wijziging in de stoomafhame, Electrabel alsdan het recht heeft de leveringsprijs van de geleverde stoom (met terugwerkende kracht) te verhogen.
.
Take or Pay– of dat nu een specifiek Angelsaksisch of in de energiewereld gehanteerde clausule is, doet er mijns inziens niet toe – is daarom bepalend wat onderhavige partijen ermee bedoelden, mede in het licht van het verloop van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen. Er is vanwege het primaat van de Haviltex-norm slechts een beperkte rol weggelegd voor wat de “technische betekenis” is van dit begrip. Ik verwijs daartoe opnieuw naar Mexx/Lundiform. Daar was een zogenoemde
entire agreement clauseaan de orde. Een dergelijke clausule beoogt te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere afspraken, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst
.Zo’n clausule vormt volgens dit arrest geen uitlegbepaling, maar kent een specifieke herkomst en functie in de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer en heeft naar Nederlands recht niet zonder meer een bijzondere betekenis. Het begrip vormt wel een omstandigheid om rekening mee te houden, maar de betekenis van de clausule is naar Nederlands recht afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de bewoordingen van de clausule, de aard, de inhoud, de strekking en de mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst waarvan de clausule deel uitmaakt, en de wijze waarop de clausule tijdens de onderhandelingen ter sprake is gekomen en onderdeel van de overeenkomst is geworden, aldus rov. 3.5.3. Die “Nederlandse uitleg” kan dus uiteindelijk opleveren dat de clausule er niet aan in de weg staat om voor de uitleg beslissende betekenis toe te kennen aan verklaringen en gedragingen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
Take or Pay,beschouwd in het licht van de bewoordingen van de toepasselijke algemene voorwaarden en de omstandigheid dat het gaat om grote professionele partijen. Deze zaak kenmerkt zich evenwel door bijzondere omstandigheden, die de gekozen benadering mijns inziens zonder meer toelaatbaar maken. Hoewel het een commercieel contract is tussen grote partijen, is er door managers op (hoofdzakelijk) medium niveau
zonderbijstand van juristen onderhandeld over de hoofdlijnen van voortzetting van stoomlevering door Electrabel aan Nuon. De toegezonden algemene voorwaarden zijn daarbij
nietbesproken. De factoren a. tot en met k. die het hof meeweegt blijkens rov. 12 vormen relevant te achten omstandigheden van het geval. Het is begrijpelijk en ingegeven door de redelijkheid en billijkheid dat door rechtbank en hof met name centraal is gesteld wat tussen de onderhandelaars over het springende punt van het al dan niet voorwaardelijke karakter van de TOP-verplichting (die in een laat stadium door Electrabel in ingebracht) is uitgewisseld. Voor die benadering is evenzeer ruimte binnen de Haviltex-norm – ook bij uitleg van commerciële contracten tussen grote professionele partijen. Zij ligt ook voor de hand in dit geval, waarin over het verloop van de onderhandelingen veel bekend is, zodat de rechter zich over de bedoelingen van partijen een oordeel kan vormen. Er kan niet worden gezegd dat de formulering van de TOP-verplichting geen andere conclusie toeliet dan dat deze onvoorwaardelijk zou zijn en dat de uitleg die het hof heeft gekozen tot onwenselijke gevolgen leidt [33] . Dat een andere uitleg mogelijk zou zijn geweest en de feitenrechter ook een andere keuze had kunnen maken, maakt de gegeven uitleg nog niet onbegrijpelijk. Bovendien geldt ook tussen professionele partijen dat voor het bestaan van gerechtvaardigd vertrouwen bij de wederpartij het uitblijven van een mededeling of gedraging op een verzoek voldoende kan zijn. [34] Het is begrijpelijk dat het hof hier heeft geoordeeld dat Electrabel in dit feitencomplex had moeten onderzoeken of Nuon inderdaad toch een onvoorwaardelijke TOP-verplichting wenste aan te gaan, hoewel zij duidelijk had aangegeven deze in een laat stadium door Electrabel opgeworpen clausule alleen aanvaardbaar te vinden bij een ingebouwde aanpassingsmogelijkheid bij stoomvraaguitval.
onvoorwaardelijkeTOP-verplichting, maar van een
voorwaardelijkeTOP (zoals ook eerder in rov. 24 staat: “Het hof heeft hiervoor vastgesteld dat tussen partijen een voorwaardelijke TOP-verplichting tot stand is gekomen (…)”) [35] .
subonderdeel 1.2.asprake van een onjuiste rechtsopvatting, mocht het hof met deze miskenning hebben geoordeeld dat gedragingen van partijen na contractssluiting niet van belang kunnen zijn voor de uitleg, danwel is volgens
subonderdeel 1.2.bsprake van motiveringsgebreken, omdat de betreffende stellingen dan niet kenbaar in de overwegingen van het hof zijn betrokken.
Subonderdeel 2.1.bbehelst de motiveringsklacht dat onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 22 tot het oordeel komt dat Electrabel voor de uitleg van de TOP-verplichting geen beroep kon doen op de algemene voorwaarden, nu zij bij de totstandkoming van de overeenkomst niet heeft toegelicht dat de TOP-verplichting is uitgewerkt in haar algemene voorwaarden.
Subonderdeel 2.1.cvoert aan dat het hof zodoende in rov. 22 bij de beoordeling van grief 9 art. 24 Rv Pro heeft geschonden door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden.
subonderdeel 2.1.dmet een motiveringsklacht tegen verwerping van grief 10 in rov. 23 en 24, voor zover het hof daarin tot uitgangspunt heeft genomen of geoordeeld dat volgens Electrabel zou zijn gesteld dat de TOP-verplichting in haar algemene voorwaarden is uitgewerkt.
Onderdeel 2.3klaagt dat rov. 22 en 24 onbegrijpelijk zijn, indien Nuons stellingen zijn uitgelegd als beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW Pro. Het hof zou het verweer van Nuon in strijd met art. 24 Rv Pro hebben aangevuld en/of is buiten de rechtsstrijd van partijen getreden.
onderdeel 2.4klagen
subonderdelen a, b en dandermaal over de door het hof gegeven uitleg, waarbij ten onrechte, althans onbegrijpelijkerwijs is voorbijgegaan aan de stelling dat de toevoeging in de e-mail van (vermoedelijk) 8 december 2006 van [betrokkene 1] was gebaseerd op/verband hield met het bepaalde in art. 9.2 en 10.2 van haar algemene voorwaarden.
Onderdeel 2.4cvoegt een motiveringsklacht toe voor het geval het hof meende dat Electrabel deze stelling alleen ten grondslag heeft gelegd aan haar (meer) subsidiair gevorderde verklaring voor recht, en niet tevens aan haar overige (rechts )vorderingen.
stelplicht- en bewijslastverdelingin het tussenvonnis en het voorshands oordeel van de rechtbank dat Nuon (de zinnen in) de toevoeging in de e-mail van 8 december 2006 – als zodanig en zonder meer – mocht opvatten als acceptatie van de door haar gestelde voorwaarde voor de gevallen van structurele wijzigingen in (het patroon) van stoomafname bij haar afnemers.” De bewijslastverdeling was in het voordeel van Electrabel, zodat belang bij deze klacht ontbreekt. Daarbij vermag ik niet in te zien welk gevolg art. 9.2 van de algemene voorwaarden heeft voor de stelplicht en bewijslast. Nuon heeft daar blijkens haar schriftelijke toelichting ook moeite mee [42] . De
subonderdelen a, b, cvan onderdeel 2.6 stellen, voor zover ik begrijp – samengevat – aan de orde dat het hof zelfstandig tot een oordeel had moeten komen over de wijze waarop de TOP-verplichting moet worden uitgelegd. Dat heeft het hof ook gedaan in rov. 9-16 in verbinding met rov. 22. Dat is voldoende gemotiveerd, zodat de klachten ook in zoverre falen. Dat het hof specifiek had moeten onderzoeken of Nuons bekendheid met de door Electrabel bedoelde standaardbepaling in de oude overeenkomst en in haar algemene voorwaarden in de weg stond aan het voorshands oordeel dat Nuon de toevoeging in de e-mail van 8 december 2006 mocht opvatten als een acceptatie van de door haar gestelde voorwaarde, miskent dat het hof begrijperlijkerwijs kon oordelen dat, gegeven de hiervoor geschetste bijzondere omstandigheden van dit geval, die voorwaarden geen rol kunnen spelen bij de centraal staande uitlegvraag, onder meer omdat zij niet zijn besproken. Dat is zelfstandig dragend.
subonderdeel 3.1.b.aanvoert, zie ik niet. Ook bij uitleg kan op contractspartijen een onderzoeksplicht rusten en dat geldt ook voor professionele partijen [43] . Hetzelfde geldt voor de klacht uit
subonderdeel 3.3.adat het hof een onjuiste maatstaf zou hanteren door bij de vraag of Electrabel aan haar onderzoeksplicht heeft voldaan de in Bunde/Erkens geformuleerde gezichtspunten niet te betrekken. Dit zijn aan de feitenrechter voorbehouden keuzes. Een onjuiste maatstaf is niet gehanteerd.
subonderdeel 3.3.cdat, indien het hof van oordeel is geweest dat die omstandigheden geen bepalende en/of beslissende betekenis toekwam of niet relevant waren voor beoordeling van de vraag of op Electrabel op de voet van art. 3:35 BW Pro een onderzoeksplicht rustte, het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Aan deze omstandigheden kan als gezichtspunten bij beantwoording van die vraag immers bepalende en/of beslissende betekenis toekomen.
subonderdeel 3.4.aklaagt GDF dat het oordeel van het hof in rov. 12-14 - dat Electrabel aan de handtekening van [betrokkene 2] op de e-mail van 8 december 2006 alleen niet het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat Nuon zich daadwerkelijk wenste te verbinden voor een onvoorwaardelijke TOP-verplichting - onbegrijpelijk is in het licht van rov. 5.7 van het tussenvonnis van 24 juni 2009, waarin de Rechtbank al had geoordeeld dat Electrabel zich terecht had beroepen op de bescherming die haar op grond van art. 3:35 BW Pro toekomt. Nu Nuon dat oordeel volgens Electrabel niet in incidenteel appel zou hebben bestreden, heeft het Hof aldus volgens Electrabel de negatieve zijde van de devolutieve werking en de grenzen van de rechtsstrijd van partijen in hoger beroep miskend.
subonderdeel 3.4.bwordt daaraan toegevoegd dat het hof zou hebben miskend dat art. 3:35 BW Pro in de gegeven omstandigheden meebracht dat door het achterwege blijven van een nadere mededeling of gedraging van Nuon na het ondertekenen van de e-mail van 8 december 2006 door [betrokkene 2], Electrabel gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat een onvoorwaardelijke TOP-verplichting was overeengekomen, waarbij het Hof mede in aanmerking had moeten nemen dat Nuon na 1 januari 2007 stoom van Electrabel is blijven afnemen tegen de afgesproken (nieuwe) tarieven en de daarvoor door Electrabel verzonden facturen heeft voldaan. Het subonderdeel zoekt daarvoor steun bij HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1228, NJ 2004, 571 (Meplax/[...]).
subonderdeel 3.5.bklaagt Electrabel ten aanzien van enkele specifieke in rov. 12 van het bestreden arrest genoemde omstandigheden dat het, in het licht van de stellingen van Electrabel en de vaststaande feiten, onbegrijpelijk is dat het Hof die omstandigheden in aanmerking heeft genomen. Het oordeel zou in strijd zijn met de artt. 24 en 129 Rv. In
subonderdeel 3.5.cklaagt Electrabel ten slotte dat de in rov. 14 in aanmerking genomen feiten als vaststaand zijn aangemerkt en als zodanig zonder meer in ’s hofs beoordeling zijn betrokken, terwijl deze feiten door Electrabel gemotiveerd zijn bestreden.
Subonderdeel 4.abetoogt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend door niet - opnieuw rechtdoende - alsnog te oordelen op de ontbindingsvordering op de grond dat Nuon Electrabel te kennen had gegeven de overeenkomst vroegtijdig/tussentijds per 31 december 2007 te (willen) beëindigen vanwege de situatie met haar afnemers, welke tekortkoming volgens Electrabel de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.
Subonderdeel 4.bklaagt dat de enkele bekrachtiging onvoldoende is nu de Rechtbank niet op de subsidiaire vordering heeft beslist.
Subonderdeel 4cklaagt dat, indien het Hof van oordeel is geweest dat Electrabel haar subsidiaire vordering had ingetrokken dan wel dat zij bij de beoordeling en toewijzing van die vordering geen belang meer had nu de relatie tussen partijen inmiddels was beëindigd, dat oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat de beëindiging van hun relatie onverlet laat dat de overeenkomst per 1 januari 2008 kon worden ontbonden onder toewijzing van schadevergoeding.
in hoger beroep; het is alleen een verwijzing naar de eerste aanleg. Electrabel betoogt in cassatie in onderdeel 4.a voorts dat het hof haar subsidiaire vorderingen in rov. 2 nog wel correct had weergegeven, maar vervolgens ten onrechte onbesproken laat. Uit rov. 2 volgt evenwel duidelijk dat het steeds gaat om vorderingen, die er toe zouden moeten leiden dat een schadevergoeding betaald wordt van € 2.835.879,23. Rov. 2 is niet bestreden in cassatie. Uitgangspunt voor beoordeling in cassatie moet dus zijn dat Electrabel aanspraak heeft gemaakt op de volledige schade bestaande uit niet voldane facturen over de hele periode in verband met de
onvoorwaardelijkheidvan de TOP-verplichting en
daarvoorverschillende grondslagen heeft aangevoerd. In dat verband is het begrijpelijk dat Electrabel volgens het hof kennelijk ook de hier bedoelde vorderingen heeft bezien als consequentie van haar eerdere betoog, zodat deze vorderingen geen afzonderlijke bespreking meer behoefde.