Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof na de verlening van verstek tegen de verdachte niet de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting heeft bevolen, hoewel uit zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2013 als uit het arrest blijkt dat de verdachte ten tijde van bedoelde terechtzitting uit anderen hoofde was gedetineerd.
[verdachte],
tweede middelbevat de klacht dat het hof – in strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro – de verklaringen die de verdachte op 10 oktober 2003 tegenover de politie heeft afgelegd bij de bewijsvoering heeft betrokken, terwijl uit de stukken het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat de verdachte niet daaraan voorafgaand de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen en hij evenmin afstand heeft gedaan van het recht een advocaat te raadplegen.
derde middelkomt op tegen het onder 1 bewezen verklaarde (verduistering).