Conclusie
Nummer18/05517
middelklaagt dat het hof op grond van een onjuiste en/of onbegrijpelijke redenering bewezen heeft geacht dat de verdachte zich een paard (genaamd [naam] ) wederrechtelijk gedurende een bepaalde periode heeft toegeëigend, doordat zij zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over dat paard heeft beschikt. Alvorens dit middel te bespreken geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer. Tevens maak ik enkele opmerkingen over verduistering en huurkoop.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
- [aangeefster] te gebieden het paard [naam] binnen 24 uur na het in dezen te wijzen vonnis af te geven aan [verdachte] ...;
- veroordeling van [aangeefster] tot afgifte van het paspoort van het hierboven genoemde paard;
Verduistering; aan een ander toebehoren; huurkoop
NJ1946/503 m.nt. Pompe). Daarin was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij ‘met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal gouden kronen en/of gouden stifttanden uit de mond van het lijk van P. d’O, welke kronen en tanden toebehoorden aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte’. In cassatie werd onder meer aangevoerd dat de verdachte niet zou hebben weggenomen wat aan een ander toebehoort. Uw Raad overwoog dat ‘de erven of nabestaanden, van een overledene een zoodanige zeggenschap over diens lijk hebben – zij het ook beperkt door wat de wet gebiedt en door wat voortvloeit uit godsdienstige en zedelijke opvattingen, alsmede door wat door den overledene zelf met inachtneming van een en ander is bepaald -, dat van een toebehooren in den zin van art. 310 Sr Pro. moet worden gesproken’. [5]
NJ1953/371 m.nt. Röling. Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had weggenomen ‘een boek getiteld “Natuurkunde B” door Dr P. Doornenbal en Dr. F.W. Nijhoff, toebehorende aan de Rijks H.B.S. te U.’. Uw Raad casseerde ambtshalve. Dat het boek aan de HBS toebehoorde kon door de rechter niet uit de bewijsmiddelen worden afgeleid ‘daar dit boek niet kan hebben toebehoord aan die school, zijnde dit juridisch niet bestaanbaar, daar het in de gegeven omstandigheden slechts het eigendom kon zijn en derhalve slechts kon toebehoren aan den Staat der Nederlanden’. Dat duidt erop dat het strafrechtelijke begrip ‘toebehoren aan’ destijds in de ogen van Uw Raad slechts een verruiming bood in geval het eigendom van het betreffende goed niet kon worden vastgesteld. [6]
NJ1959/357. Aan een vennootschap onder firma waren ca. 4.000 kg appels op stam verkocht onder de verplichting deze appels te leveren zodra zij oogstrijp waren geworden. Dezelfde partij appels werd vervolgens ook verkocht aan een andere afnemer; aan deze laatste afnemer werd geleverd. Eén en ander werd tenlastegelegd als verduistering; daarvan was de verdachte vrijgesproken. Uw Raad overwoog dat ‘hij, die fruit op stam heeft gekocht onder verplichting van den verkoper tot aflevering van dit fruit nadat het oogstrijp zal zijn geworden, niet gezegd kan worden door het enkele feit van deze koop in zodanige verhouding tot dit fruit te zijn gekomen, dat dit geacht kan worden hem toe te behoren in den zin van meergenoemd artikel’. [7] Het valt op dat de formuleringen van Uw Raad niet uitsluiten dat, als het niet bij dit enkele feit was gebleven, mogelijk wel van een toebehorensrelatie sprake had kunnen zijn. In dat opzicht wijkt de benadering af van die in het arrest van 25 november 1952.
NJ2000/537 m.nt. Schalken werd wel aangenomen dat een goed aan een ander toebehoorde hoewel deze daar (nog) niet de eigenaar van was. N.B.C., een niet-effectenkredietinstelling, had in opdracht van beleggingsmaatschappij Eckavit dollarobligaties gekocht. Eckavit had de obligaties aan N.B.C. betaald. N.B.C. en Eckavit hadden afgesproken dat de dollarobligaties zouden worden overgeboekt naar een rekening van Eckavit. N.B.C. had deze overboeking niet laten uitvoeren maar de stukken die voor haar rekening door Kas-Associatie in depot werden gehouden bij Morgan Trust Company of New York doen overboeken naar een depot bij Brown Brothers Harriman ten gunste van Pierson Heldring en Pierson, ten titel van inpandgeving. N.B.C. kon daardoor niet meer over de dollarobligaties beschikken. Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de dollarobligaties op het moment van inpandgeving door N.B.C. aan Eckavit toebehoorden in de zin van art. 321 Sr Pro geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, ‘in het bijzonder niet omtrent het begrip "toebehoren" in art. 321 Sr Pro, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is’. De opvatting ‘dat het Hof in het onderhavige geval slechts tot dat oordeel had kunnen komen indien het had vastgesteld dat Eckavit ten tijde van de inpandgeving door N.B.C., de eigendom - in civielrechtelijke zin - van die obligaties had verworven’ was volgens Uw Raad onjuist. Dat de obligaties wel en de appels niet aan een ander toebehoorden, vindt zijn verklaring mogelijk in de omstandigheden dat de obligaties in opdracht van Eckavit en ten behoeve van Eckavit waren aangekocht, en dat Eckavit al voor de obligaties had betaald. [8]
NJ1982/583 m.nt. ‘t Hart. Door een administratieve fout was een ‘in zogenaamd giraal geld bestaand geldbedrag’ overgemaakt op de rekening van verdachte. Het hof had ten onrechte niet beslist op het verweer dat de rechtsvraag aan de orde stelde of dit geld kon worden aangemerkt als een ‘goed’ dat als ‘toebehorende’ aan een ander vatbaar is voor ‘toeëigening’ door de rekeninghouder. Uw Raad oordeelde dat gelet op de functie van zogenaamd giraal geld in het maatschappelijk verkeer, redelijke uitleg van art. 321 Sr Pro meebrengt dat deze vraag bevestigend beantwoord moest worden. [9]
NJ2011/175 was bewezenverklaard dat de verdachte zich een bedrag dat haar door een derde was geschonken ‘ten behoeve van het ondergaan van plastisch chirurgische ingrepen’ wederrechtelijk had toegeëigend. In cassatie werd onder meer geklaagd dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de verdachte zich dit bedrag wederrechtelijk had toegeëigend. Uw Raad overwoog onder verwijzing naar een arrest uit 1989 [11] dat van zich wederrechtelijk toe-eigenen in de zin van art. 321 Sr Pro sprake is ‘indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort’. In aanmerking genomen dat het hof had ‘vastgesteld dat het geld, “gelet op de overeengekomen doelbinding”, slechts aan verdachte werd geschonken “voor zover zij dit geld ook zou gebruiken in overeenstemming met deze doelbinding”’ getuigde ’s hofs oordeel dat de verdachte zich het in de bewezenverklaring bedoelde geldbedrag wederrechtelijk had toegeëigend in deze zin niet van een onjuiste rechtsopvatting. [12] Uw Raad heeft in ander verband meer in het algemeen overwogen dat van als heer en meester beschikken over geld dat aan een ander toebehoort onder meer sprake kan zijn ‘indien aan een ander dan de verdachte toebehorende gelden aan de verdachte zijn overgemaakt met een bepaald, al dan niet contractueel vastgelegd doel en de verdachte deze gelden tegen de afspraken in beheert of voor andere doeleinden heeft aangewend, dan wel indien teruggave van die gelden door de verdachte onmogelijk is gemaakt of aanmerkelijk is bemoeilijkt’. [13]
NJ2013/14 m.nt. Borgers had de verdachte samen met een medeverdachte dvd’s van een TV-serie te koop aangeboden, koopovereenkomsten gesloten en ter betaling van de koopsom geldbedragen ontvangen. In strijd met de uit die koopovereenkomst voortvloeiende verplichting is levering van die dvd’s vervolgens uitgebleven. Het hof sprak de verdachte vrij van verduistering van geldbedragen, overwegend dat onder deze omstandigheden niet kon worden geoordeeld dat de verdachte zich aan een ander toebehorende geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. De geldbedragen waren bij de storting in eigendom overgedragen aan de verdachte en/of de medeverdachte, zodat die gelden niet meer voor toe-eigening vatbaar waren. Uw Raad overwoog dat dit oordeel van het hof kennelijk berustte op de opvatting ‘dat in de enkele omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen (vervolgens) nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, nog geen reden is te vinden om af te wijken van de uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren’. Dat oordeel was volgens Uw Raad juist, waarmee het arrest van het hof in stand bleef. [14] Uit de gekozen formulering kan worden afgeleid dat regels van burgerlijk recht (inzake eigendom) onverminderd een belangrijk uitgangspunt blijven bij de interpretatie van het toebehoren in de zin van art. 321 Sr Pro. [15] In dat opzicht ligt het bij de dvd’s uit 2012 niet anders dan bij de appels uit 1959.
NJ1933, p. 1185 had de verdachte een in huurkoop ontvangen piano verpand, na enkele bedragen te hebben betaald. In HR 14 december 1936, ECLI:NL:HR:1936:211,
NJ1937, p. 822 had de verdachte twee petroleumstellen en twee optimus-lampen, in huurkoop ontvangen, nadat hij enkele malen een bedrag had betaald, verkocht en met de opbrengst schulden betaald. In HR 19 juni 1956, ECLI:NL:HR:1956:52,
NJ1956/528 was een in huurkoop ontvangen rijwiel te koop aangeboden. In al deze gevallen werd aangenomen dat het goed waar de huurkoop betrekking op had toebehoorde aan de eigenaar, en bleef de veroordeling wegens verduistering in stand.
Bespreking van het middel
NJ2000/537 m.nt. Schalken is aangenomen dat de obligaties die door N.C.M. in opdracht van en ten behoeve van Eckavit waren gekocht en door Eckavit waren betaald, toebehoorden aan Eckavit. En uit HR 22 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8531,
NJ1990/784, mag naar het mij voorkomt worden afgeleid dat geld dat een verzekeraar ten behoeve van een derde had gestort op rekening van de verdachte die dat geld had ontvangen in zijn hoedanigheid van advocaat van deze derde, aan de derde toebehoorde. De vraag is of ook in de onderhavige situatie kan worden aangenomen dat het paard al toebehoorde aan aangeefster.