Conclusie
eerste middelvalt uiteen in twee klachten. De eerste klacht luidt dat ’s Hofs bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring van het onder 1 primair en subsidiair opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’. De tweede klacht houdt in dat de bewijsvoering van het Hof niet redengevend is voor het bestanddeel van de bewezenverklaring dat verzoeker ‘wist’ dat de geldbedragen (feit 1 primair) respectievelijk het geldbedrag (feit 1 subsidiair) afkomstig waren uit misdrijf. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Overweging met betrekking tot het bewijs
zelf begaan(grond)misdrijf, welke gedraging een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door
eigen (grond)misdrijfverkregen voorwerp gericht karakter heeft. Met verwijzing naar HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001, NJ 2014/75 en HR 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:127, NJ 2014/78 m.nt. Borgers meen ik ervan te mogen uitgaan dat en dergelijk geval zich hier niet voordoet. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch uit de aan dat proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota blijkt dat door of namens verzoeker is aangevoerd dat de door hem als medepleger gewisselde geldbedragen afkomstig zijn uit eigen misdrijf, terwijl uit ’s Hofs bewijsvoering evenmin rechtstreeks voortvloeit dat de geldbedragen afkomstig zijn uit een door verzoeker zelf begaan misdrijf. Het kan er derhalve in cassatie voor worden gehouden dat de geldbedragen die verzoeker telkens onder zich had, niet uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat de aangescherpte motiveringseisen waarop hierboven is gewezen, in de voorliggende zaak niet van toepassing zijn [3] , en dat de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad in gevallen als de onderhavige omtrent het bestanddeel ‘uit enig misdrijf afkomstig’ ongewijzigd van kracht is gebleven. Voorts wijs ik erop dat hier niet hoeft vast te staan “om welk grondmisdrijf het precies gaat en door wie dat waar en wanneer is begaan”. [4]
tweede middelbehelst aangaande feit 3 de klacht dat het Hof heeft bewezenverklaard dat verzoeker heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, zulks terwijl uit de gebezigde bewijsmiddelen, en meer in het bijzonder de daarin opgenomen verklaringen van verzoeker, niet kan volgen dat verzoeker wist, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat het geldwisselkantoor [medeverdachte 1] met wie verzoeker zaken deed, het plegen van misdrijven tot oogmerk had.