Conclusie
eerste middelklaagt over de afwijzing van de verzoeken om de getuigen [aangever] , [betrokkene 3] , [betrokkene 9] , [betrokkene 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 10] en deskundige Eikelenboom-Schievel te horen.
Voorwaardelijke verzoeken
tweede middelwordt geklaagd dat in het bijzonder art. 6 EVRM Pro en art. 359 juncto Pro art. 415 Sv Pro zijn geschonden nu het hof ten onrechte en op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd de verklaringen van [aangever] tot bewijs heeft gebezigd en de bewezenverklaring in ieder geval “to a decisive extent’ daarop heeft gebaseerd, terwijl de verdediging in weerwil van herhaalde verzoeken daartoe, niet althans onvoldoende, in de gelegenheid is geweest om die [aangever] in enig stadium van het geding ten volle te ondervragen, terwijl evenmin afdoende compenserende maatregelen zijn genomen.
Gebruik van de verklaringen van aangever [aangever]
nietin de gelegenheid is geweest de getuige in enig stadium van de strafrechtelijke procedure te ondervragen over het tenlastegelegde feit of indien de getuige hieromtrent geen vragen heeft beantwoord. [12]
derde middelwordt geklaagd dat het hof de bewezenverklaring(en) uitsluitend, dan wel in beslissende mate heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige, terwijl die verklaringen in strijd met art. 342 lid 2 Sv Pro onvoldoende steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
- er inderdaad op 1 april 2004 op zijn kantoor in Den Haag een gesprek tussen hem en [aangever] heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een zakelijk conflict;
- getuige [betrokkene 1] op enig moment daarbij aanwezig is geweest;
- de getapte telefoongesprekken rondom het tijdstip van de tenlastelegging inhouden dat verdachte contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 3] over dat er een man langs zou komen en dat verdachte met die man ging koffiedrinken;
- een tot bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] inhoudt dat na augustus 2003 de zaak tussen zijn cliënt (AG: verdachte) en Clariden Bank in een impasse zat;
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] inhoudt dat zij een hond hadden en regelmatig in het kantoor van verdachte is geweest en af en toe met haar hond.
vierde middelbevat de klacht dat het hof niet of onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt inhoudende dat de verklaringen van [aangever] onbetrouwbaar zijn, dan wel niet op alle punten geloofwaardig zijn en daarom niet tot het bewijs mogen worden gebezigd.
vijfde middelwordt geklaagd dat het hof zijn overtuiging dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, (mede) heeft ontleend aan de inhoud van bewijsmiddelen die niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
zesde middeltenslotte wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het (herhaalde) verzoek om materiaal uit het dossier Madras toe te voegen aan de processtukken en over het desondanks, in strijd met een gemotiveerd verweer, voor het bewijs gebruiken van materiaal afkomstig uit dat dossier. Het van art. 6 EVRM Pro deel uitmakende beginsel van ‘equality of arms’ zou zijn geschonden en het verzoek tot voeging van het materiaal zou in strijd met art. 330 Sv Pro in verbinding met art. 415 Sv Pro ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn afgewezen
Conclusie
.
"10.10. Madras - voldoende gemotiveerd verzoek
Dossiers Madras/Lathyrus