X BV verwierf in 1996 een vruchtgebruik op een immaterieel activum, het “System”, dat door haar Nederlandse werkmaatschappij Y BV via een Spaanse vaste inrichting werd gebruikt. Y BV betaalde hiervoor franchise fees aan X BV, maar de Spaanse vaste inrichting leed structureel verlies. De inspecteur stelde bij beschikkingen het inhaalverlies van de Spaanse vi vast, waarbij hij rekening hield met de betaalde franchise fees. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat interne royalty’s binnen de fiscale eenheid niet in aanmerking mogen worden genomen, verwijzend naar het arrest Sara Creek en het OESO-commentaar.
De rechtbank bevestigde dat het arrest Sara Creek nog steeds geldt voor de jaren 2002-2006 en dat interne royalty’s niet mogen worden meegenomen bij de berekening van het inhaalverlies binnen een fiscale eenheid. Wel oordeelde de rechtbank dat de kosten die X BV heeft gemaakt voor de aankoop van het usufruct, zoals afschrijvingskosten, wel aan de Spaanse vi moeten worden toegerekend volgens de zelfstandigheidsfictie en het belastingverdrag met Spanje.
De rechtbank verwierp het standpunt van de inspecteur om de franchise fees als basis voor de kostenallocatie te gebruiken vanwege de winstopslag in de fees. In plaats daarvan stelde zij voor om de allocatie te baseren op de verhouding van de franchise fees per land. Op basis hiervan werd het inhaalverlies voor 2007 aangepast van €16.136.845 naar €14.035.494. Tevens werd het beroep gegrond verklaard en de beschikking van 4 april 2011 gewijzigd.