Conclusie
eerste en tweede middelkeren zich met verschillende klachten tegen ’s Hofs beslissingen ten aanzien van de in het kader van feit 3 gebruikte bestanddelen ‘omzetten’ en ‘een gewoonte maken’ als bedoeld in art. 420bis Sr respectievelijk art. 420ter Sr. [3]
Verdachte
g. (gewoonte) witwassen (feit 4 [betrokkene 1], feit 3 [betrokkene 8], feit 2 [betrokkene 7])
Verweer nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van de feiten 2C en 3
Bewijsoverwegingen
helemaalovertuigt. Ik vraag mij dan wat plagerig af; overtuigt die overweging dan wel een beetje? De enkele omstandigheid dat onder een begrip (met voldoende feitelijke betekenis) meer handelingen kunnen worden gerubriceerd, maakt dat begrip toch niet opeens onvoldoende feitelijk? Als een eenvoudig voorbeeld sta ik stil bij het begrip kopen. [6] Koophandelingen kunnen onder meer afhankelijk van het object nogal uiteenlopen, maar dat betekent niet dat kopen geen feitelijk begrip is. Bovendien kan zowel via internet als in de supermarkt worden gekocht, terwijl de (vereiste) handelingen verschillen. Dit voorbeeld kan aangevuld worden met vele andere. [7]
beroep. Het kenmerkende daarvan ligt niet in de herhaling, maar in het oogmerk om te herhalen teneinde zich aldus een bron van inkomsten te verschaffen. Daar is herhaling van de gedraging dus niet nodig.”
derde middelklaagt er – mede gezien de toelichting – over dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door het onder 3 bewezenverklaarde te kwalificeren als gewoontewitwassen. Voorts klaagt het middel over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde.
“Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
vierde middelbehelst de klacht dat het Hof de dagvaarding ten aanzien van het onder 2C tenlastegelegde ten onrechte niet nietig heeft verklaard. Voorts klaagt het middel over de verwerping van een op dit punt gevoerd uitdrukkelijk voorgedragen verweer.
d. valsheid in geschrift in vereniging mbt de bedrijfsadministratie van [verdachte], meermalen gepleegd in de periode 1 januari 2004 tot en met 10 september 2009 (feit 2c [verdachte])
Verweer nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van de feiten 2C en 3
vijfde middelkeert zich tegen het in ’s Hofs arrest besloten liggende oordeel dat ten aanzien van het onder 2C bewezenverklaarde geen sprake is van voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 Sr Pro. Voorts klaagt het middel dat het Hof in strijd met artikel 358, derde lid, Sv niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk voorgedragen verweer dat sprake is van een voortgezette handeling.
zesdeen
zevende middelklagen beide dat het Hof in strijd met artikel 359, tweede lid tweede volzin, Sv ontoereikend in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met betrekking tot het onder 2B tenlastegelegde. Het zesde middel ziet op het standpunt inhoudende dat geen sprake is van medeplegen. Het zevende middel – dat blijkens de toelichting is voorgesteld voor zover het zesde middel wordt verworpen – ziet op het standpunt inhoudende dat na 31 december 2005 geen sprake meer is geweest van ‘zwarte’ leveringen. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke introductie.
, meermalen gepleegd in de periode 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006 (feit 2b [verdachte], feit lb [betrokkene 1])
“ Bewijsoverwegingen
achtste middelklaagt dat het Hof het verweer van de verdediging strekkende tot strafvermindering ex artikel 359a Sv ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
negende middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.