Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting is niet relevant.
De overwegingen van het hof ten aanzien van de middelen
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor mensenhandel en gewoontewitwassen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren, met aftrek van voorarrest. De conclusie van de Advocaat-Generaal (AG) bij de Hoge Raad bespreekt drie middelen van cassatie die door de verdediging zijn voorgesteld.
Het eerste middel richt zich op de rechtsopvatting van het hof omtrent het begrip 'uitbuiting' en de bewezenverklaring daarvan. De verdediging betoogt dat instemming van het slachtoffer met uitbuiting relevant is, mits die instemming voortkomt uit een vrije keuze. De AG oordeelt dat het hof terecht heeft overwogen dat instemming niet relevant is indien sprake is van dwangmiddelen en een uitbuitingssituatie, conform jurisprudentie en Europese richtlijnen. Klachten over de bewezenverklaring betreffende drie slachtoffers worden eveneens verworpen, waarbij het hof een gedetailleerde motivering gaf over de kwetsbare positie van slachtoffers, het gebruik van dwang en misbruik van overwicht.
Het tweede middel betreft de bewezenverklaring van gewoontewitwassen. De verdediging stelt dat de kwalificatieuitsluitingsgrond van toepassing is omdat het witwassen betrekking heeft op gelden uit eigen misdrijf zonder gerichtheid op het verbergen van de criminele herkomst. De AG stelt dat het hof terecht oordeelde dat het witwassen ook het overdragen en omzetten van gelden omvatte, waaronder transacties via derden en money transfers, en dat de kwalificatieuitsluitingsgrond niet van toepassing is.
Het derde middel klaagt over het niet toepassen van eendaadse samenloop tussen profijttrekken uit uitbuiting en witwassen. De AG benadrukt dat de gedragingen niet zodanig samenhangen dat sprake is van één verwijt, mede vanwege het verschil in rechtsbelangen die de strafbepalingen beschermen. De middelen falen, maar de AG merkt ambtshalve op dat de redelijke termijn is overschreden, wat leidt tot vermindering van de strafoplegging. De conclusie strekt tot vernietiging van het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen behalve voor de strafoplegging, waarvoor vernietiging en vermindering wegens termijnoverschrijding wordt geadviseerd.