Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Periode vanaf 1 januari 2015
eerste klachthoudt in dat, voor zover het hof van oordeel is dat de RSD met ingang van 1 januari 2015 geen bijstand meer verleent ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen (maar uitsluitend ten behoeve van de vrouw) dit oordeel uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting: het strookt niet met het uitgangspunt van ondeelbaarheid van gezinsbijstand. Hetzelfde geldt voor het daarop voortbouwende oordeel van het hof dat de RSD met ingang van 1 januari 2015 geen verhaalsrecht meer zou hebben [6] .
In lijn hiermee brengt dit wetsvoorstel geen wijziging in het verhaal van bijstand op degene die zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind niet of niet behoorlijk nakomt.” [14]
Voorts wijzigt onderhavig wetsvoorstel niets in de mogelijkheden voor eventueel verhaal van bijstand op degenen die onderhoudsplichtig jegens kinderen zijn.” [15]
Het wetsvoorstel brengt echter geen wijzingen met zich mee in de wijze waarop kinderalimentatie in de bijstandsverlening wordt betrokken.De norm voor alleenstaande ouders verdwijnt weliswaar, maar de categorie “alleenstaande ouder” blijft wel bestaan in de WWB. De alleenstaande ouder draagt als gezinshoofd de volledige zorg voor de tot zijn last komende kinderen. De bijstand wordt zowel voor paren met kinderen als voor alleenstaande ouders mede ten behoeve van het levensonderhoud van die kinderen verstrekt. Ten laste komende kinderen hebben als gezinsleden geen zelfstandig recht op bijstand. Omdat de bijstand als gezinsbijstand wordt verstrekt dienen de middelen van alle gezinsleden in beginsel in aanmerking te worden genomen, waaronder ook de kinderalimentatie.” [17]
in beginselgerechtigd zijn om de kosten van de verleende bijstandsuitkering te verhalen op de man als onderhoudsplichtige (voor de kinderen). Om deze reden kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Verwijzing van de zaak is aangewezen voor de verdere afdoening. Uit art. 62 (en 62a) Participatiewet volgt dat het verhaal niet slechts beperkt is tot de gemaakte kosten van bijstand, maar ook tot de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 BW.
tweede klachtbehoeft geen bespreking indien de eerste klacht slaagt. De tweede klacht is gericht tegen de overweging dat de omstandigheid dat de vrouw bij de RSD nog niet als ‘alleenstaande’ is aangemerkt, niet voor rekening en risico van de man dient te komen. Volgens het middelonderdeel bouwt deze overweging voort op het in de eerste klacht bestreden oordeel dat de RSD met ingang van 1 januari 2015 geen verhaalsrecht op de man meer zou hebben [21] . Daarnaast houdt de klacht in dat het hof heeft miskend dat de RSD ten aanzien van de vrouw een overgangsrechtelijke bepaling heeft toegepast en mocht toepassen. De toelichting op de klacht wijst op art. XII, lid 2 onder b, van de Wet hervorming kindregelingen, waarin − voor de periode tussen 1 januari 2015 en 1 januari 2016 − een overgangsbepaling is opgenomen voor degene die op de peildatum 31 december 2014 recht had op de algemene bijstand op grond van de Wwb, op hem/haar de norm voor een alleenstaande ouder van toepassing was en hij/zij geen aanspraak heeft op de verhoging van het kindgebonden budget omdat hij/zij een partner heeft als bedoeld in art. 3 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).