Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur
V-N31.28 aangetekend bij voornoemde arresten van 29 juni 2007:
BNB2009/273 aangetekend:
V-N2009/33.25 aangetekend bij dit en het hierna in 4.21 behandelde arrest: [27]
BNB2012/147 geannoteerd:
V-N2012/14.19 het volgende aangetekend:
BNB2000/10, A-G] blijkt dat de vraag naar de bewijslastverdeling een rechtsvraag is, die moet worden beantwoord op basis van een uitleg van de toepasselijke materieelrechtelijke norm (…). Zo nu en dan betrekt de Hoge Raad wel de omstandigheden van het geval bij de beantwoording van de vraag hoe de bewijslast moet worden verdeeld, maar dan worden die omstandigheden veralgemeniseerd en oordeelt de Hoge Raad zelf hoe, onder dergelijke omstandigheden, de bewijslast rechtens verdeeld moet worden.
5.Beschouwing en beoordeling van de middelen
alle gevallenmoet aldus zijn
uitgeslotendat producten uit andere lidstaten zwaarder worden belast dan gelijksoortige nationale producten. [44] Dat geldt ook voor de heffing van Bpm over uit andere lidstaten ingevoerde, gebruikte voertuigen: die Bpm mag niet hoger zijn dan de rest-bpm die nog rust op een reeds op het nationale grondgebied geregistreerd, gebruikt vergelijkbaar (referentie)voertuig. [45] Het staat volgens het HvJ aan de nationale rechter om na te gaan of zulks het geval is. [46]
BNB2013/19 volgt verder dat, behoudens bijzondere wettelijke bepalingen, [75] ‘voor de berekening van een verschuldigd bedrag aan belasting van toepassing is het tarief dat geldt op het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet’. [76] Het belastbare feit is de registratie in het kentekenregister, als voornoemd.
BNB2012/147 heeft de Hoge Raad de verminderingsregeling op zichzelf niet in overeenstemming met artikel 110 VWEU Pro geacht. [85] Geoordeeld is dat voor de bepaling van de waardedaling van de referentieauto moet worden uitgegaan ‘van enerzijds de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht (en bij welke prijsvorming rekening wordt gehouden met het wettelijk verschuldigde bedrag aan BPM ter zake van de registratie als ongebruikte auto) en van anderzijds de prijs waarvoor die auto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde BPM moet worden bepaald, wordt verkocht’. [86] De Hoge Raad voegde toe dat ‘de hiervoor bedoelde aankoopprijs (…) over het algemeen niet gelijk [is, A-G] aan de inkoopprijs van de handelaar die de referentieauto in nieuwe staat heeft verkocht’. [87]
BNB2013/19 heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar het arrest
BNB2012/147 geoordeeld dat ‘voor de berekening van de waardedaling van de referentieauto moet worden uitgegaan van het wettelijke begrip “inkoopwaarde”, welke waarde bestaat in de prijs waarvoor de referentieauto in nieuwe staat is aangekocht, met inbegrip van het wettelijk verschuldigde bedrag aan Bpm ter zake van de registratie als ongebruikte personenauto. Deze prijs moet voor het bepalen van de procentuele belastingvermindering worden vergeleken met de prijs waarvoor die auto wordt verkocht in dezelfde gebruikte staat als de personenauto waarvoor het bedrag aan verschuldigde Bpm moet worden bepaald’. [88]
BNB2012/147 en
BNB2013/19 geschiedt de berekening van de op de referentieauto rustende rest-bpm volgens artikel 10, lid 2, van de Wet Bpm 1992 in de onderwerpelijke periode als volgt:
BNB2003/122. [96]