Op 24 juni 2013 werd verdachte gecontroleerd op naleving van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij hij zijn rij- en kentekenbewijs niet kon tonen. De politie vorderde vervolgens onrechtmatig zijn identiteitsbewijs en voerde een onderzoek in zijn auto uit, waarbij hennep werd aangetroffen. Het hof oordeelde dat sprake was van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv en sloot het bewijs uit, wat leidde tot vrijspraak van verdachte.
In cassatie betwistte het Openbaar Ministerie het gevolg van bewijsuitsluiting, niet het oordeel over het vormverzuim zelf. De Hoge Raad overwoog dat art. 359a Sv alleen van toepassing is op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek van het ten laste gelegde feit, wat hier niet het geval was. Verder stelde de Hoge Raad dat bewijsuitsluiting slechts kan volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of grondrecht, en dat het hof dit niet voldoende had gemotiveerd.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof het oordeel dat bewijsuitsluiting noodzakelijk was niet voldoende had onderbouwd, met name omdat het recht op een eerlijk proces niet was geschonden. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van bewijsuitsluiting bij vormverzuimen buiten het voorbereidend onderzoek en benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige motivering.