Conclusie
“deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief
“medeplegen van mensensmokkel, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt; en medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het protocol genoemd in artikel 197a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd, terwijl de verdachte daarvan een gewoonte heeft gemaakt; en poging tot medeplegen van mensensmokkel”, 3. primair en 4. primair
“medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”en 5. primair
“medeplegen van gewoontewitwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een en ander onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr Pro, en tot een geldboete van tienduizend euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 85 dagen hechtenis.
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het onder 5 primair tenlastegelegde (medeplegen van gewoontewitwassen) en valt uiteen in vijf onderdelen.
“5. Witwassen”. [3]
Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, (…).”
NJ2014/500 over het oordeel van het hof dat het onder 5 bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als ‘medeplegen van gewoontewitwassen’. Uit ’s hofs vaststellingen kan volgens de stellers van het middel niet worden afgeleid dat er sprake is van gedragingen die (kennelijk) ook gericht zijn op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de betreffende geldbedragen.
“afkomstig waren uit enig misdrijf”.
tweede middelklaagt dat het hof wat betreft het onder 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten doordat het een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de daarin voorkomende term ‘(uit winstbejag) behulpzaam zijn bij’, althans dat het hof zijn oordeel dat de verdachte anderen (uit winstbejag) behulpzaam is geweest ontoereikend dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
“1. Schijnrelatie tussen [betrokkene 11] en [betrokkene 10] ”,
“2. Schijnrelatie tussen [betrokkene 13] en [betrokkene 9] ”,
“3. Schijnrelatie tussen [betrokkene 14] en [betrokkene 7] ”en
“4. Schijnrelatie tussen [betrokkene 15] en [betrokkene 8] ”. [20]
NJ1998/558 diende het hof immers aansluiting te zoeken bij de vreemdelingrechtelijke definitie van een schijnrelatie en diende het aldus te beoordelen of de betreffende relaties zijn aangegaan met
“als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen”.
derde middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring van het onder 4 primair tenlastegelegde in essentie heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, te weten [betrokkene 14] .
“3. Schijnrelatie tussen [betrokkene 14] en [betrokkene 7] ”in het bestreden arrest. [28]
“door verzending daarvan”aan de IND. Het verband tussen de verklaring(en) van [betrokkene 14] dat de formulieren naar de IND zijn verzonden en de overige bewijsmiddelen is te ver verwijderd. Nu de verklaring van getuige [betrokkene 14] onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, heeft het hof de bewezenverklaring in strijd met art. 342, tweede lid, Sv in essentie uitsluitend doen steunen op de verklaring van één getuige, waardoor de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aldus de stellers van het middel.
vierde middelkeert zich tegen de strafmotivering en valt uiteen in drie onderdelen.
“geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid en de strafwaardigheid van haar handelen”onbegrijpelijk is, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2015 heeft aangegeven
“geen verklaring te zullen afleggen over de feiten, nu zij over die periode geen concrete herinneringen meer heeft”. [35]
“de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar na het instellen daarvan”. [43]
NJ2008/358 in rov. 3.13.1 genoemde factoren [44] de opgelegde straf hebben beïnvloed.