Conclusie
eerste middelbevat een tweetal klachten over respectievelijk de bewezenverklaring en de kwalificatiebeslissing van het hof.
eerste klachthoudt in dat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat door de rechtspersonen [A] en/of [medeverdachte] uit misdrijf afkomstige geldbedragen zijn overgedragen of omgezet.
overgedragen. Anders dan de steller van het middel meent, kan uit deze bewijsmiddelen echter wel worden afgeleid dat door [A] en/of [medeverdachte] geldbedragen zijn
omgezet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [A] en/of [medeverdachte] in de tenlastegelegde periode verschillende contante geldbedragen op haar bankrekening heeft laten storten. Daarmee hebben deze rechtspersonen een omzetting van contant geld naar giraal geld bewerkstelligd. [1]
overdragenvan geldbedragen. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, omdat door een partiële vernietiging de aard en de ernst van dit gedeelte van de bewezenverklaring als geheel niet wordt aangetast en daarom voor een hierop gebaseerde terugwijzing en nieuwe behandeling onvoldoende grond bestaat. [2]
tweede klachtvan het middel. Deze is zowel in het middel zelf als – op meer uitgebreide wijze – onder 1.7 van de schriftuur verwoord. Bij de verdere bespreking van de klacht zal ik uitgaan van de onder 1.7 van de schriftuur opgenomen formulering daarvan:
tweede middelklaagt over een overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.