Conclusie
3.Procesgang en overige relevante feitelijke gang van zaken
plegenvan kort gezegd opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en hasjiesj en witwassen van een geldbedrag van € 9945,-. De strafzaak tegen [betrokkene 2] , met parketnummer 16/600826-11, is ook de enige zaak waaraan de rechtbank in de bestreden beschikking en in de beschikking van 16 februari 2016 refereert. Voor de klager is het – mocht men uitgaan van de juistheid van hetgeen de raadsman bij de behandeling in raadkamer van 17 mei 2016 heeft aangevoerd (zie onder 3.1) – bij een informeel sepot gebleven. Enig stuk waaruit blijkt dat de broers [betrokkene 3] en [betrokkene 1] nog worden vervolgd of zijn vervolgd bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Het tegen [betrokkene 2] gewezen vonnis is overigens op 5 juni 2012 onherroepelijk geworden, nadat hij zijn daartegen ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken. [13]
4.Het middel
nietbetrekking hebben op de geldbedragen die onder de klager in beslag zijn genomen en waarvan de officier van justitie teruggave aan de klager heeft gelast. Klaarblijkelijk is het openbaar ministerie, nu het die last heeft gegeven, niet van oordeel dat een ander dan de klager redelijkerwijs als rechthebbende van die geldbedragen moet worden aangemerkt. Het kan dan niet zo zijn dat de door de officier van justitie gegeven last tot teruggave aan de klager van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen vanwege de feitelijke teruggave daarvan aan de gemeente Utrecht, niet zou behoeven te worden geëffectueerd.