Conclusie
[betrokkene 1],
shaken baby) gaat over de uitleg en reikwijdte van de opzetuitzondering in de polisvoorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren van [verweerder 2] bij Reaal. Deze dekkingsuitzondering is conform de nieuwe opzetclausule uit het Standaardpolismodel AVP 2000 gehanteerd door het Verbond van Verzekeraars, die nog niet eerder in de rechtspraak van Uw Raad aan de orde is geweest. De nieuwe opzetclausule is een reactie op de te beperkend bevonden uitleg van de voorafgaande opzetclausule in het arrest
Aegon/Van der Linden [1] . Volgens die uitleg was alleen de aansprakelijkheid uitgesloten van een verzekerde die het in feite toegebrachte letsel heeft beoogd of zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolg van zijn handelen zou zijn. Die uitleg leidt er volgens de verzekeraars toe dat allerhand “crimineel” gedrag moet worden gedekt en dat is nooit de bedoeling geweest.
Aegon/Van der Linden,A-G] feitelijk buitenspel gezette opzetclausule zo snel mogelijk te vervangen, niet in geslaagd een nieuwe clausule te ontwerpen waarvan de reikwijdte zowel in de tekst als in de toelichting op een voldoende heldere wijze tot uitdrukking kwam. Dit met als gevolg dat – vijftien jaar verder – over die reikwijdte en de daaraan ten grondslag liggende ratio nog steeds geen eenduidigheid bestaat. “
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen a tot en met e.
eerste rechtsklacht van subonderdeel 1.ais dat het hof de toepasselijke maatstaf voor de uitleg van de nieuwe opzetclausule heeft miskend, door zich te oriënteren op art. 7:952 BW Pro met bijbehorende parlementaire geschiedenis. Onder verwijzing naar het arrest
Chubb/Europoint [8] voert Reaal aan dat nu niet afzonderlijk is onderhandeld over de polisvoorwaarden, de uitleg daarvan immers met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepaling gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de eventueel bij die polisvoorwaarden behorende toelichting.
tweede rechtsklacht van subonderdeel 1.ais dat het hof heeft miskend dat art. 7:952 BW Pro van regelend recht is, waarvan in de polisvoorwaarden kan worden afgeweken. Daarom kan aan de parlementaire geschiedenis van dit artikel geen (en zeker geen doorslaggevende) betekenis toekomen bij de uitleg van de opzetclausule.
derde klacht van subonderdeel 1.ais een motiveringsklacht: het oordeel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu Reaal in feitelijke instanties heeft aangevoerd bij grieven onder 22 en 23 dat met de nieuwe opzetclausule is afgeweken van art. 7:952 BW Pro en dat voor een beroep op de nieuwe opzetclausule niet is vereist dat de verzekerde strafrechtelijk is veroordeeld, of dat aan alle vereisten voor een strafrechtelijke veroordeling is voldaan, onder verwijzing naar de Toelichting van het Verbond voor Verzekeraars (prod. 3 bij cva, p. 3). Volgens de klacht volgt daaruit dat niet vereist is dat het opzet van de verzekerde (ook) gericht is geweest op de gevolgen van de gedraging (of op de wederrechtelijkheid daarvan). Uit de toelichting volgt dat ook strafrechtelijke schuldgradaties onder “opzettelijk handelen” uit de nieuwe opzetclausule (kunnen) vallen, aldus deze klacht.
Aegon/Van der Lindenpraktisch gesproken niet door verzekeraars konden worden uitgesloten van dekking. Daar is wel doorgaans “crimineel” (maatschappelijk onwenselijk) gedrag aan de orde dat wordt beoogd van dekking uit te worden gesloten met de opzetclausule, namelijk doelbewust slaan/vechten, dus mishandelen of doelbewuste zaaksbeschadiging (
willensen
wetens); iets heel anders dan een onvoorzichtige, hardhandige en inadequate poging een huilende baby stil te krijgen. Het hof plaatst hier opzet (niet gedekt) tegenover onvoorzichtigheid (wel gedekt). Deze beslissing vervat in rov. 21 hoeft volgens mij zodoende niet te worden gezien in de sleutel van: hier wordt als het ware conform de oude opzetclausule de
intentiegetoetst van het handelen van [verweerder 2] en dus in wezen of het handelen de schadelijke gevolgen voor het kind beoogde, zoals Reaal in deze zaak betoogt; het hofoordeel ademt dat er wel sprake was van
wetens, maar niet van
willens. Ik geef toe dat het een best lastig grensgeval is, maar ik meen met rechtbank en hof dat deze zaak binnen het dekkingsbereik zou moeten kantelen. De lijn van redeneren van de verzekeraar komt uiteindelijk neer op een te letterlijke uitleg van de opzetclausule zonder de uit de Toelichting blijkende bedoeling daarvan voldoende in het oog te houden (waarvan we voorbeelden in de lagere rechtspraak tegen zullen komen) en dreigt voor gevallen als dit niet aansprekend uit te pakken, met als risico inderdaad ([verweerster 1] wijst daar op in feitelijke aanleg) dat daarmee maatschappelijk onaanvaardbaar veel wordt uitgesloten en zo het ook met de opzetclausule nagestreefde evenwicht tussen verzekerbaarheid en slachtofferbescherming uit het lood wordt getrokken. Het past ook in de door de verzekeraars gegeven Toelichting dat
niet beoogd is alle strafbare feiten uit te sluitenen
evenmin een breuk met het verleden is beoogd(culpose delicten waren voorheen gedekt).
opzettelijk karakter van een gedraging uit de gedraging zelf moet worden afgeleid(met als voorbeeld een fietser die door rood licht rijdend een voetganger verwondt: dat laatste bedoelde de fietser niet en dan heeft hij geen last van de opzetclausule). Daarin past de door het hof gekozen benadering in rov. 21: uit het handelen van [verweerder 2] is niet af te leiden dat hij het opzet had op mishandeling van zijn kind, maar op het stil krijgen (hetgeen is gebeurd op aanmerkelijk onvoorzichtige wijze).
Haviltex-norm [14] , maar dan in een geobjectiveerde vorm. Dat volgt uit het
Polygram-arrest [15] . De
Haviltex-norm is immers met name goed bruikbaar indien partijen over de door hen te sluiten overeenkomst hebben onderhandeld. Bij nogal wat schriftelijke contracten wordt niet onderhandeld, maar wordt de tekst eenzijdig opgesteld (zoals bij veel verzekeringspolissen). Het komt ook voor dat de overeenkomst die partijen sluiten de rechtspositie van derden beïnvloedt. Om deze contracten met uitstraling naar derden uit te leggen is de
CAO-norm ontwikkeld [16] en uit
DSM/Fox [17] volgt dat tussen deze norm en de
Haviltex-maatstaf geen tegenstelling bestaat, maar een vloeiende overgang en dat aan beide normen de gedachte ten grondslag ligt dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld [18] . Voor de uitleg van verzekeringsvoorwaarden waarover niet tussen partijen pleegt te worden onderhandeld, zijn nadere uitlegcriteria gegeven in het
Chubb/Europoint-arrest [19] . Uw Raad oordeelde in dit arrest (rov. 3.4.2) dat “de uitleg daarvan met name afhankelijk [is] van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval (…) bij de polisvoorwaarden behorende toelichting”.
Haviltex-norm gaat het niet om het achterhalen van een gemeenschappelijke partijbedoeling, maar om het vaststellen van de betekenis van een contractsbeding aan de hand van objectieve gezichtspunten (objectief in de betekenis van: niet op de subjectieve partijbedoelingen gestoeld) [20] . In de literatuur zijn de volgende objectieve gezichtspunten terug te vinden: de bewoordingen van het beding, de structuur van het contract, de totstandkomingsgeschiedenis, productwijzers, marketinginformatie op de eigen website van een verzekeraar, voorlichting door de assurantietussenpersoon, eventuele openbare toelichtingen op het contract en de verkeersopvattingen in de kringen van de contractsluitende partijen [21] . Door de woorden “met name” is ruimte gelaten om aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval bij de uitleg ook gewicht toe te kennen aan meer subjectieve factoren, of aan de betekenis die een bepaald begrip in het algemeen spraakgebruik heeft [22] . Een uitleg aan de hand van het reguliere spraakgebruik ligt natuurlijk niet altijd in de rede. Een begrip kan in een bepaalde setting of in een bepaald vakgebied een specifieke (van het normale spraakgebruik afwijkende) betekenis of lading hebben. Wanneer de verzekering wordt gesloten in een zodanige specifieke setting of met betrekking tot een specifiek vakgebied, dan kan het begrip mede worden uitgelegd op de manier die aldaar gangbaar is, zo volgt uit het
Polygram-arrest [23] .
contra proferentem-beginsel speelt ook een belangrijke rol in geval van door een verzekeraar eenzijdig opgestelde voorwaarden die voor verschillende uitleg vatbaar zijn. Dit beginsel is in het kader van de incorporatie van de Europese richtlijn met betrekking tot oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten [24] neergelegd in het dwingendrechtelijke art. 6:238 lid 2 BW Pro [25] . Uit dit artikel volgt dat schriftelijke voorwaarden, waarbij een particulier de wederpartij is, door de gebruiker duidelijk en begrijpelijk moeten zijn opgesteld en dat bij twijfel over de betekenis van een beding de voor de (consument-)wederpartij gunstigste uitleg prevaleert [26] . Deze regel moet bij overeenkomsten met consumenten door de rechter zo nodig ambtshalve worden toegepast [27] .
contra proferentemals gezichtspunt worden meegenomen [28] . Voor het verzekeringsrecht had Uw Raad een uitleg
contra proferentemoverigens al eerder als gezichtspunt erkend in het
Lizkay-arrest uit 1989 [29] .
contra proferentem-regel [30] .
regelend rechtuit art. 7:952 BW Pro [32] , in de plaats gekomen van art. 276 en Pro art. 294 K (oud): de verzekeraar vergoedt geen schade die met
opzet of door roekeloosheidis veroorzaakt. Hiervan kan worden afgeweken (en dat gebeurt in aansprakelijkheidsverzekeringen al decennia lang [33] ) met inachtneming van de grenzen die art. 3:40 BW Pro stelt: verzekering van opzettelijk veroorzaakte schade (als oogmerk of met zekerheidsbewustzijn) verdraagt zich naar heersende opvatting niet met de goede zeden/openbare orde) [34] .
dolus) en schuld (
culpa) [37] . Zo is hierover door de regering bij de parlementaire behandeling opgemerkt:
al is de specifieke invulling van deze begrippen telkens afhankelijk van het rechtsgebied waar zij worden gehanteerd. Men onderscheidt drie vormen van opzet, te weten opzet als oogmerk, opzet als zekerheidsbewustzijn en voorwaardelijk opzet. Dit onderscheid en deze begrippen zijn afkomstig uit het strafrecht en ook het begrip opzet in art. 7.17.2.9 omvat deze drie vormen. Roekeloosheid is synoniem met het begrip grove schuld. Met dit laatste begrip wordt evenals in het strafrecht op een zeer hoge schuldgraad gedoeld [38] .” [cursivering A-G]
Bierglas-of
‘Goudse’-arrest [41] is dit door Uw Raad zo uitgelegd, dat dat niet zo was (opzet waarbij de schade het waarschijnlijke of mogelijke gevolg is van het handelen van de verzekerde, waarschijnlijkheids- of mogelijkheidsbewustzijn genoemd). Alleen uitgesloten is opzet als oogmerk (willens en wetens handelen) en schade die het zekere gevolg is van het handelen van de verzekerde, dus opzet als zekerheids- of noodzakelijkheidsbewustzijn [42] . Preciezer gezegd is de leer van dit arrest dat verzekering van opzet in strijd is met de openbare orde en de goede zeden, maar dat dit
nietgeldt voor voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet en alle vormen van schuld zijn verzekerbaar [43] .
categoriebenadering van Mendel, die een voor de praktijk “alleszins bruikbare handleiding voor de toepassing van de opzetclausule, zoals bedoeld door de Commissie” opleverde [46] . Deze categoriebenadering heeft Mendel onder (veel) meer helder uiteengezet in een artikel in Verzekeringsrechtelijke berichten uit 1991 [47] . Het kan worden gehanteerd als afbakeningsinstrument tussen opzet en grove schuld, roekeloosheid en merkelijke schuld en vervolgens om te bepalen of er sprake is van door de verzekeraars bedoelde uitgesloten opzet. Daarbij wordt het handelen van de verzekerde in zekere zin geobjectiveerd (zodat niet beslissend is of de verzekerde die de klap of schop uitdeelde nu precies het feitelijk ingetreden gevolg van dat gedrag voorzag). De gevolgen van het schadetoebrengend gedrag van de verzekerde worden gecategoriseerd in enerzijds categorie-intern letsel, dat wil zeggen: behorend tot dezelfde categorie van gevolgen als het feitelijk ingetreden gevolg, en anderzijds categorie-extern letsel. Categorie-interne gevolgen zijn dan uitgesloten, maar categorie-externe gevolgen zijn gedekt. Vereist is dus dat zich een gevolg voordoet van vergelijkbare ernst, behorend tot dezelfde categorie van gevolgen als het feitelijk ingetreden gevolg. Ik citeer ter verduidelijking uit Mendels evengenoemd artikel, waarbij hij voorbeelden geeft van wat normaalgesproken van een opzettelijke handeling is te verwachten: a. uitsluitend pijn, b. licht letsel, of c. zwaar (ernstig) letsel:
Aegon/Van der Linden [48] .Volgens dit arrest (rov. 3.4), onder verwijzing naar het
Veerman-arrest [49] , dat nog voor tweeërlei uitleg vatbaar was [50] , heeft deze “tweede” opzetclausule – waarmee de verzekeraars dus beoogden opzet als oogmerk en als zekerheidsbewustzijn van dekking uit te sluiten – geen verdere strekking dan van dekking uit te sluiten de aansprakelijkheid van een verzekerde die het
in feite toegebrachte letsel heeft beoogdof
zich ervan bewust was dat dit letsel het gevolgvan zijn handelen zou zijn. Het opzet moet dus gericht zijn op het werkelijk ontstane letsel. Dit is een heel andere uitleg dan de verzekeringspraktijk in het voetspoor van de Studiecommissie Opzet heeft gevolgd en vormt een afwijzing van de categoriebenadering van Mendel (zoals Mendel ook [51] zelf constateert in zijn NJ-noot (onder 2) onder
Aegon/Van der Linden); het objectiveringsinstrument wordt niet gevolgd. Opzet moest dus gericht zijn op de gevolgen, niet op de gedraging [52] wil dat dekkingsuitsluiting opleveren. Tegenover een verzekerde die stelt dat hij het ingetreden letsel niet had beoogd of zich daar niet van bewust was toen hij handelde, kon de verzekeraar de opzetclausule zodoende niet tegenwerpen; alleen wel als de dader zijn oogmerk of zekerheidsbewustzijn bekende, wat natuurlijk niet veel voorkomt (of wanneer dit indirect uit waarneembare feiten en omstandigheden is af te leiden) [53] . Met wijsheid achteraf kan deze ongetwijfeld met de beste bedoelingen gegeven (slachtofferbescherming in het concrete geval) restrictieve maar wel erg onverwachte uitleg niet als een doordachte stap worden gezien – het kreeg een mediahype te verwerken in de trant van “gedrag criminelen gedekt op AVP” (beeldend beschreven door Wansink in zijn evengenoemde Januskop-artikel in AV&S 2000/0) en noopte de verzekeraars (vanwege torenhoge bewijsproblemen) tot een aanpassing in 2000 in de vorm van de nieuwe, “derde”, opzetclausule [54] , die centraal staat in onze zaak (een stap die had kunnen worden verwacht na zo’n arrest en allicht naar een straffer uitsluitingsregime zou gaan opschuiven, hetgeen voor toekomstige slachtoffers niet gunstig kan uitpakken). Ter voorkoming van het moeten verzekeren van ongewenst (crimineel) gedrag is de focus daarin verschoven van
opzet op de gevolgennaar
opzet op de gedraging(zoals, zo blijkt volgens Mendel uit het Rapport Salomons ook bij de oude clausule de bedoeling was, maar in
Aegon/Van der Lindenanders is uitgelegd), maar we zullen zien dat ook dat bepaald niet onproblematisch is. Genoemd arrest wordt nog steeds kritisch besproken, omdat het voor problemen en gewrongen redeneringen zorgt [55] . Op het arrest is het
ijzeren staaf-arrest [56] gevolgd, waarin dezelfde strikte regel uit
Aegon/Van der Lindenis gehandhaafd, zij het nu met een in stand gelaten uitkomst waarvan men zich kan afvragen hoe die zo kon afwijken van die uit
Aegon/Van der Linden [57] (is het trappen met geschoeide voet tegen het hoofd niet ernstiger dan het slaan met een ijzeren staaf op een bovenbeen?)
.Wansink ziet dit als een toepassing van de al in
Aegon/Van der Lindenopen gelaten mogelijkheid dat onder omstandigheden met behulp van indirect bewijs (uit de gedragingen afleiden dat het ontstane letsel is beoogd) een minder rigide toepassing van de hoofdregel is te honoreren [58] . Van Eijk-Graveland (ook samen met Van Huizen en Wezeman) benoemt dit als een geval van opzet als zekerheidsbewustzijn [59] . Mendel laat in zijn noot onder
Aegon/Van der Lindenen het hier besproken kritische artikel in AV&S 2015 zien dat naar Belgisch [60] en Duits [61] recht anders wordt geoordeeld en ook de strafkamer van Uw Raad [62] van een andere opvatting lijkt uit te gaan.
schade door crimineel gedragbuiten de dekking te houden, zoals schade door mishandeling, vandalisme, brandstichting, afpersing, bedreiging, moord en doodslag. De gedachte is dat dat kan worden bewerkstelligd door het opzetaccent te verschuiven van de gevolgen van gedragingen (dus de schade) naar de gedraging zelf [cursiveringen hierna aangebracht door mij]:
gewelddadig, discriminerend of intimiderend gedrag.
Aegon/Van der Linden,A-G]. Door de navolgende hier opgenomen overweging van het Hof te bekrachtigen “Uit de overgelegde processen-verbaal van politie slechts kan worden opgemaakt dat G. opzettelijk L. heeft mishandeld en dat deze mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, maar dat daaruit niet valt op te maken dat G. het ingetreden ernstige letsel heeft beoogd of dat dit letsel het zekere gevolg was van de handelingen van G. en dat G. zich daarvan bewust had moeten zijn.”
allerhande maatschappelijk ongewenst gedrag gedekt is, en alleen uitgesloten blijft de schade waarvan de dader zich bewust was dat deze het zekere gevolg van zijn handelen zou zijn.
aan te passen om schade door crimineel gedrag expliciet buiten de dekking te houden.
Recente jurisprudentie
Veerman-arrest, A-G] en HR 6 november 1998 NJ 1999, 2020 [
Aegon/Van der Linden,A-G]) heeft aangetoond dat de rechter verzekeraars in extreme gevallen (waarvoor in de praktijk steeds vaker een beroep op de AVP wordt gedaan) niet in de door verzekeraars bedoelde zin te hulp is gekomen. Aldus zijn AVP-verzekeraars
gehouden tot het verlenen van dekking, waar dat nooit de bedoeling is geweest.
spelen dader- en slachtofferbescherming een belangrijke rol.Immers waar de dader geen dekking heeft op grond van de opzetclausule zal de financiële bescherming van het slachtoffer doorgaans een illusie zijn.
ongewenst dat crimineel gedrag onder enige verzekering wordt gedekt en – zoals gesteld – dat is ook nooit de bedoeling van verzekeraars geweest. Te denken valt daarbij aan mishandeling, vandalisme, brandstichting, afpersing, bedreiging, moord en doodslag. Een vrijwaring voor de gevolgen van crimineel gedrag – door dekking onder een verzekering – komt het voorkomen en bestrijden van criminaliteit vanzelfsprekend niet ten goede.Overigens kunnen slachtoffers van gewelddadige misdrijven onder bepaalde voorwaarden een beroep doen op het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de oorspronkelijke bedoeling van verzekeraars. Toegegeven zij dat dat geen eenvoudige opgave is, omdat bedoeld wordt een aantal, maar zeker niet alle, strafrechtelijke delicten civielrechtelijk buiten de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering te brengen.
Om het toepassen van de clausule in dergelijke gevallen aan de verzekerde uit te leggen is het begrip “wederrechtelijk” in de clausule opgenomen. Onder “wederrechtelijk” wordt in de literatuur verstaan “een handeling in strijd met des daders rechtsplicht” of “handelen dat in het maatschappelijk verkeer niet betaamt”. Het is een begrip waarmee de civiele jurist (lees: de burgerlijke rechter) uit de voeten kan, zonder zich te hoeven afvragen of aan alle bestanddelen van een wettelijke strafbepaling is voldaan.
bij opzettelijke gedragingen waarbij – uitgaande van aansprakelijkheid – de (letsel-)schade in geen verhouding staat tot de gedraging.Te denken valt daarbij aan een draai om de oren die leidt tot doofheid van het slachtoffer of letsel dat ontstaat door predispositie van het slachtoffer (bijv. een eierschedel).
Het is aan verzekeraars om de clausule redelijk toe te passen. Tegen deze achtergrond moet de nieuwe clausule worden gelezen én gehanteerd.Telkens zal van geval tot geval een zorgvuldige afweging gemaakt moeten worden.” [Accentueringen A-G]
contra proferentem-regel van belang. Gelet op het
Bierglas-arrest en art. 3:40 BW Pro leidt toepassing van deze regel ertoe dat alleen opzet als oogmerk en opzet als zekerheidsbewustzijn zijn uitgesloten [73] ;
Bierglas-arrest, waaruit valt af te leiden dat een
generieke opzetclausulezoals de onderhavige niet volstaat om voorwaardelijk opzet van dekking uit te sluiten: een dergelijke uitsluiting dient dan
expliciette worden overeengekomen [76] .
nietvan dekking is uitgesloten [79] . Voor opzet is bewustheid vereist dat het handelen wederrechtelijk was en dat is bij voorwaardelijk opzet niet het geval, omdat dan weliswaar bewust het risico wordt genomen dat het handelen wederrechtelijk is, maar dan kan niet worden gesproken van welbewust wederrechtelijk handelen.
welis uitgesloten: de (taalkundige) uitleg van de opzetclausule biedt geen aanknopingspunten voor onderscheid in opzetgradaties en de verzekerde heeft onvoldoende omstandigheden gesteld die aanknopingspunten bieden dat zij de opzetclausule redelijkerwijs zo heeft kunnen begrijpen dat voorwaardelijk opzet daarvan was uitgezonderd [80] .
shaken babyals de onze oordeelde rechtbank Oost-Brabant [86] in 2015:
obiter,bijvoorbeeld in een “vooropstelling”.
fietser-door-rood-licht-voorbeeldmij bepaald een indicatie lijkt te geven van het tegendeel (dus voorwaardelijk opzet (in beginsel) wel gedekt) [87] . Daar staat tegenover dat de uiterst korte omschrijving van opzet in de Productwijzer kan duiden op uitsluiting van dekking van voorwaardelijk opzet (“de gevolgen hiervan interesseren hem niet” kan gelezen worden als: de gevolgen op de koop toe nemen in de zin van strafrechtelijk voorwaardelijk opzet).
geen breuk met het verleden is beoogd, lijkt mij dat een tweede aanwijzing dat beoogd is op dit punt geen uitgebreidere uitsluiting te creëren. Gelet op de totstandkomingsgeschiedenis was immers onder de “tweede” opzetclausule alleen beoogd uit te sluiten opzet als oogmerk en opzet als zekerheidsbewustzijn [88] .
Aegon/Van der Lindenheeft willen repareren. Ook dat is te construeren als een gezichtspunt dat niet beoogd is de van oudsher uitgesloten categorieën opzet als oogmerk en als zekerheidsbewustzijn nu – zonder eenduidige toelichting in die richting – uit te breiden met voorwaardelijk opzet.
contra proferentem-regel bij twijfel dan de weegschaal te doen doorslaan ten voordele van de particuliere verzekerde.
ondubbelzinnigtot uitdrukking te brengen dat onder uitgesloten opzettelijke handelingen gedragingen moeten worden begrepen die strafrechtelijk kwalificeren als voorwaardelijk opzet (of zelfs als culpoze delicten). De prangende vraag dringt zich dan op of daarmee de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren niet oneigenlijk zou worden uitgehold. En ook zo’n vierde opzetclausule zal ongetwijfeld weer grensvragen en andere hoofdbrekens opleveren. Voor mij is geenszins duidelijk dat men in verzekeringsland zo ver zou willen gaan. Ik wijs op de passages in de Toelichting dat “zeker niet” beoogd is elk crimineel gedrag van dekking uit te sluiten en dat een rechtvaardig evenwicht moet gevonden zien te worden tussen verzekerbaarheid en slachtofferbescherming (of dader- en slachtofferbescherming).
nietgekoppeld is aan het wederrechtelijk karakter ervan. Voor een succesvol beroep op de opzetclausule is volgens hem vereist, (i) dat de schadeveroorzakende gedraging opzettelijk is verricht, (ii) dat die gedraging (opzettelijk) gericht was op de persoon of zaak waaraan de schade is toegebracht en (iii) dat die gedraging wederrechtelijk was [93] .
welgericht moet zijn op de wederrechtelijkheid, en benoemt dat deze toe te juichen uitleg niet in de Toelichting op de clausule is terug te vinden.
Een opzetclausule die de gevolgen van alle opzettelijke gedragingen, waarvan (pas) achteraf wordt vastgesteld dat zij wederrechtelijk waren, uitsluit, schiet zijn doel voorbij. Het gaat er bij de opzetuitsluiting om de gevolgen van crimineel gedrag uit te sluiten. Daaruit vloeit voort dat de opzet (mede) gericht moet zijn geweest op het wederrechtelijke karakter van het gedrag of nalaten. [97] ”
bewustis geweest dat zijn handelen wederrechtelijk was. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat niet vereist is dat de verzekeraar aantoont dat de verzekerde beoogde een wettelijke norm te overtreden (c.q. het (boos) opzet had op het wederrechtelijk handelen). Reaal verwijst in dit verband naar een zaak uit 2010 bij de rechtbank Utrecht [99] en naar een arrest van het hof Den Bosch uit 2007 [100] .
Aegon/Van der Lindenis ingeslagen en beroep op de oude opzetclausule in wezen illusoir maakte. Dat lijkt te betreuren, nu de vorige opzetclausule met uitsluiting van opzet als oogmerk en als zekerheidsbewustzijn in combinatie met de objectiverende categoriebenadering van Mendel in de praktijk zo’n twintig jaar zonder problemen heeft gewerkt, terwijl de nieuwe opzetclausule voor problemen blijft zorgen met onaanvaardbaar uiteenlopende lagere rechtspraak. Dit wordt vooral veroorzaakt door onduidelijkheid over de vraag of voorwaardelijk opzet in de nieuwe clausule van dekking is uitgesloten of niet (en er zelfs culpoze schuldvormen onder worden gebracht soms) en wat de tekst bedoelt met wederrechtelijkheid. De vanuit de optiek van de verzekeraars ongewenste wending van
Aegon/Van der Lindenis door het Verbond van Verzekeraars zodoende gepoogd te repareren met een tekst die gelet op de Toelichting niet helder tot uitdrukking brengt wat is bedoeld. De lagere rechtspraak neemt de tekst nogal eens te letterlijk zonder acht te slaan op de uit de Toelichting blijkende bedoeling.
uitgesloten is schade die het gevolg is van diens opzettelijke en op het doen ontstaan van letsel en/of zaaksbeschadiging gericht handelen of nalaten.Ook Streefkerk en Kibédi Varga voelen daar wel voor.
contra proferentem-regel doorslaggevend zijn bij deze uitleg van de AVP-polis. Het minder belang hechten aan de Toelichting omdat die “hinderlijk onduidelijk” is (Van Tiggele-van der Velde) past volgens mij niet in de geobjectiveerde
Haviltex-benadering met als uiteindelijk correctief de
contra proferentem-regel.
Haviltex-maatstaf. Uit
Chubb/Europointvolgt dat bij een dergelijke uitleg
met nameobjectieve factoren
zoalsde bewoordingen van de bepaling gelezen in het licht van het geheel en de (eventuele openbare) toelichting een rol spelen. Dat is gedaan door het hof door te letten op onder meer tekst, Toelichting, Productwijzer. Dat het in dat kader niet vreemd is om bij de uitleg van een uitzondering op regelend recht te starten met de analyse van die wettelijke bepaling van regelend recht en de parlementaire geschiedenis daarbij, kwam hiervoor al ter sprake. Misschien is zelfs nog een gezichtspunt dat ook de verkeersopvattingen in de kringen van de contractsluitende partijen en het algemeen spraakgebruik (of het spraakgebruik in een specifieke sector) als relevante “objectieve factoren” kunnen worden aangemerkt en het hof ook zo bezien acht kon slaan op parlementaire toelichting bij de verzekeringsrechtelijke eigen schulduitsluiting uit art. 7:952 BW Pro. Van miskenning van de toepasselijke uitlegmaatstaf is dus geen sprake, waarop de eerste rechtsklacht uit subonderdeel 1.a schipbreuk lijdt.
doorslaggevendebetekenis is toegekend bij de uitleg van de opzetclausule, zodat ook die deelklacht geen doel treft. Ik gaf hiervoor in 2.6 al te kennen dat doorslaggevend is voor het hof dat hier niet bedoeld is het kind te mishandelen, maar om het stil te krijgen. De vader had geen kwaad in de zin, kan je ook zeggen. Met zoveel woorden is ook acht geslagen op tekst, openbaar toegankelijke Toelichting en Productwijzer, al geef ik toe dat dat best beter had kunnen worden uitgewerkt. Daarop strandt de tweede rechtsklacht van subonderdeel 1.a.
verwerpt,maar
in het midden laat:het hof ziet blijkens de bewoordingen van rov. 22 immers geen aanleiding de vraag of de nieuwe opzetclausule
in het algemeenzo moet worden uitgelegd dat het opzetvereiste alleen ziet op de gedraging zelf en niet op het wederrechtelijk karakter, bevestigend te beantwoorden, nu dit volgens het hof
in het algemeengeen steun vindt in tekst en Toelichting. Dat is op te vatten als: gelet op de dragende rov. 21 ga ik, hof, mij hier niet onnodig aan branden, want daarvan overzie ik de consequenties onvoldoende. Ik geef toe dat dit niet de meest voor de hand liggende lezing is van rov. 22.
contra proferentem-regel dan mee zou brengen dat opzet wél gericht moet zijn op ook het wederrechtelijke karakter, want dat is immers de meest gunstige positie voor de particuliere verzekerde: de verzekeraar moet dat opzet op die wederrechtelijkheid dan bewijzen. Dat zou een wat mij betreft bizarre uitkomst zijn. Die is naar ik meen ook niet nodig.
subonderdeel 1.e(zekerheidshalve voorgesteld, zo volgt uit par. 2.6.20 s.t.) is een klacht tegen rov. 18, waarin een samenvatting staat van het kernstandpunt van Reaal met tussen haakjes een verwijzing naar het gestelde bij grieven onder 33 en 35. Voor zover het hof heeft gemeend dat Reaal niets anders heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar beroep op de opzetuitsluiting, dan is dat volgens de klacht een onbegrijpelijke/onjuiste uitleg, alleen al gelet op hetgeen in de voorgaande klachten en daarin te berde gebrachte stellingen en vindplaatsen naar voren is gekomen.