Conclusie
middel
De Hoge Raad heeft het internationale kader, waaronder art. 50 Handvest Pro, blijkens het arrest van 3 maart 2015 niet rechtstreeks toepasselijk geacht. Desalniettemin ontleent hij aan dit kader en de daaruit ontwikkelde rechtspraak elementen die de gelding van het aan art. 68 Sr Pro ten grondslag liggende beginsel tot uitdrukking brengen. Dat brengt met zich mee dat voor de beantwoording van de thans voorliggende vraag, dus of in casu sprake is van een met het ne bis in idem beginsel onverenigbare samenloop van een bestuurlijke en strafrechtelijke procedure, van belang is of de EMA naar de door het EHRM gestelde factoren als ‘criminal charge’ of ‘penalty’ kan worden aangemerkt. [10] In de zaak Blokker vs. Nederland, [11] zoals ook in het middel aangehaald, heeft het EHRM de EMA al eens langs de meetlat van de Engel-criteria gelegd en die vraag in negatieve zin beantwoord: