Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
, dan bestaat op grond van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening de mogelijkheid om een verzoek om planschade in te dienen,
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ikomt [eiser] met een rechts- en motiveringsklacht op tegen rov. 4.13, waarin het hof oordeelde dat van een wegbestemmen van de woning van [eiser] geen sprake is geweest.
Onderdeel IIis gekant tegen ’s hofs oordeel in de rov. 4.18 en 4.19 omtrent het door [eiser] gestelde onrechtmatig handelen van de gemeente Borne, welk oordeel volgens [eiser] om meerdere redenen onbegrijpelijk zou zijn.
Onderdeel IIIbetreft het oordeel in rov. 4.19 dat het
“beginsel van formele rechtskracht(...)
er rechtens aan in de weg (staat), dat in deze procedure wordt onderzocht of de gemeente Borne onrechtmatig heeft gehandeld door de woning niet positief te bestemmen.”[eiser] bestrijdt dit oordeel met rechts- en motiveringsklachten.
Onderdeel IVis gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in rov. 4.10 voor zover het hoger beroep is ingesteld tegen de gemeente Hengelo. Ik begin hierna met de bespreking van dit laatste onderdeel en zal daarna de overige onderdelen in de aangegeven volgorde behandelen.
onder Iaeen rechtsklacht. Volgens [eiser] is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, waar het, in het geval dat een woning niet als zodanig in een bestemmingsplan is opgenomen, niet reeds het rechtmatig aanwezig zijn van de woning voldoende heeft geacht om van een wegbestemmen te kunnen spreken, maar tot uitgangspunt heeft genomen dat daarvan eerst sprake is indien de woning voorheen planologisch mogelijk was gemaakt.
Onder Ibklaagt [eiser] dat het bestreden oordeel onvoldoende is gemotiveerd voor zover het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Ter nadere onderbouwing wijst hij achtereenvolgens erop dat voor de bouw van de woning een vergunning is verkregen, de woning ter plaatse rechtmatig aanwezig is, de woning als zodanig geacht moet worden onderdeel uit te maken van het oude planologische regime [21] , de functie opstal aldus aansloot op de toenmalige bestemming
“tuin met een bouwblok voor eengezinshuizen in open bebouwing” [22] en de woning in het bestemmingsplan, waarin het perceel de bestemming “Bedrijfsdoelen” heeft gekregen, niet als woning is bestemd. Uit deze omstandigheden samen volgt - zo begrijp ik [eiser] - dat van een wegbestemmen sprake is geweest. [eiser] stelt dat het hof, zo rov. 4.13 niet in stand kan blijven, alsnog moet ingaan op de grieven waarin van een wegbestemmen is uitgegaan. Bij gegrondbevinding van deze klacht(en) kunnen volgens het onderdeel ook de rov. 4.18, 4.19, 4.21 en het dictum niet in stand blijven.
“(d)e daarop ziende stellingen van [eiser] (…) ongegrond (zijn)”. Welke die stellingen zijn, heeft het hof niet geëxpliciteerd. Waar een en ander mede afhankelijk zal zijn van een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de processtukken en meer in het bijzonder van de grieven van [eiser] , zal naar mijn mening de rechter na verwijzing moeten bepalen op welke door [eiser] op het wegbestemmen van de woning gebaseerde stellingen alsnog dient te worden beslist.
onrechtmatigheidvan het wegbestemmen van de woning betreffen, zijn die stellingen, óók als van wegbestemmen van de woning sprake is, dus ongegrond. In zoverre mist [eiser] belang bij zijn klacht over het bestreden oordeel dat van wegbestemmen van de woning bij het bestemmingsplan van 2006 geen sprake was.
“van onjuiste voorlichting door de gemeente Borne van [eiser] niet (is) gebleken”(p. 11, op één na laatste alinea in fine) en dat van
“onjuiste inlichtingen die los van het desbetreffende besluit grond kunnen opleveren voor een vordering uit onrechtmatige daad,(…)
geen sprake (is)”(p. 12, eerste alinea, in fine). Uit de bedoelde stellingen en vaststellingen in het geding blijkt volgens [eiser] dat de gemeente Borne diverse onjuiste mededelingen heeft verstrekt, ook na de vaststelling van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” [29] .
“(…) omdat hij( [eiser] ; LK)
aannam voor aankoop of onteigening in aanmerking te zullen komen”, en onder 92:
“ [eiser] verkeerde in de veronderstelling dat hij net als de andere bewoners in het gebied zou worden uitgekocht en dat de gemeente Borne met hem in gesprek zou gaan over minnelijke verwerving”). Op voornoemde vindplaatsen is niet de stelling betrokken dat deze onjuiste veronderstellingen op eerdere uitlatingen van de gemeente Borne berustten.
onder berop dat de gemeente Borne hem ook na de vaststelling van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” onjuist heeft voorgelicht [31] , onder meer door zich op het standpunt te stellen dat de woning illegaal zou zijn [32] , niet positief zou kunnen worden bestemd [33] en niet onder het overgangsrecht zou kunnen worden gebracht [34] .
“tussen de stukken”heeft ontdekt. De verwijzing door het onderdeel naar de appeldagvaarding (c.q. de memorie van grieven) onder 150 en 151 betreft het standpunt dat de gemeente Borne in de planschadeprocedure had ingenomen, maar waarin zij door de bestuursrechter niet is gevolgd. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld in rov. 38 van het tussenvonnis van 19 maart 2014, waarnaar het onderdeel eveneens verwijst, heeft het bedoelde standpunt overigens geleid tot het wegbestemmen van de woning en de weigering van planschadevergoeding en vloeit daaruit derhalve geen zelfstandige schade voort.
los van het desbetreffende besluitgrond voor een vordering uit onrechtmatige daad kunnen opleveren, geen sprake is. Overigens herinner ik eraan dat de woning van [eiser] (alhoewel het hof dat niet heeft onderkend) uiteindelijk alsnog (in het kader van een uitsterfregeling) positief is bestemd (zie hiervóór onder 3.6).
“(o)ok van schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, als door [eiser] gesteld,(…)
naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake (is)”, en dat het hof derhalve tot de slotsom komt dat
“de gemeente Borne met de vaststelling van het [bestemmingsplan 1] ook anderszins niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld”. Het hof is in de bestreden overweging alleen nader ingegaan op het verwijt dat de gemeente Borne het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Kort gezegd, is ’s hofs oordeel volgens [eiser] onbegrijpelijk, nu niet wordt gemotiveerd waarom van de andere aan het beweerdelijk onrechtmatig handelen door de gemeente Borne ten grondslag gelegde schendingen van beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is.
“Het hof komt derhalve tot de slotsom dat de gemeente Borne met de vaststelling van het [bestemmingsplan 1] ook anderszins niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld.”). Hetgeen het hof in rov. 4.19, laatste alinea, heeft geoordeeld, staat eraan in de weg de vaststelling van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ” “anderszins” onrechtmatig te oordelen. Het hof heeft in rov. 4.19 overwogen dat in deze procedure ervan moet worden uitgegaan dat dit bestemmingsplan zowel wat betreft de wijze van totstandkoming, als wat de inhoud betreft in overeenstemming is met de relevante wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Het beginsel van formele rechtskracht staat rechtens eraan in de weg dat in deze procedure wordt onderzocht of de gemeente Borne onrechtmatig heeft gehandeld door de woning niet positief te bestemmen, aldus nog steeds het hof. Dat oordeel wordt in cassatie - naar hierna bij de bespreking van het derde onderdeel zal worden toegelicht - tevergeefs bestreden. Bij die stand van zaken doet de vraag of de gemeente Borne bij de totstandkoming van het relevante bestemmingsplan algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, niet langer ter zake.
“beginsel van formele rechtskracht(…)
er rechtens aan in de weg (staat), dat in deze procedure wordt onderzocht of de gemeente Borne onrechtmatig heeft gehandeld door de woning niet positief te bestemmen”.
Onder IIIaklaagt [eiser] dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu het heeft miskend dat [eiser] heeft gesteld enkel door toedoen van de gemeente geen bezwaarschrift te hebben gericht tegen het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 1] ”, omdat hij door de gemeente onjuist is geïnformeerd op de wijze als eerder uiteengezet, en dit een uitzondering op de formele rechtskracht rechtvaardigt.
IIIaop het standpunt stelt dat een uitzondering op de formele rechtskracht daarom is gerechtvaardigd, omdat hij
“enkel door toedoen van de Gemeente geen bezwaarschrift (…) (heeft) gericht tegen het bestemmingsplan”. Posterieure omstandigheden hebben het al dan niet indienen van een bezwaarschrift zoals door het onderdeel bedoeld echter onmogelijk kunnen beïnvloeden [48] , en kunnen naar mijn mening ook anderszins een uitzondering op de formele rechtskracht niet schragen [49] . Ook het feit dat latere besluiten zijn vernietigd, kan niet afdoen aan de formele rechtskracht van een daaraan voorafgaand maar niet met succes bestreden besluit of tot een uitzondering op de formele rechtskracht van dat eerdere besluit dwingen. Overigens heeft de vernietiging van een besluit evenmin consequenties voor de formele rechtskracht van daarop volgende besluiten, waaraan hetzelfde gebrek als aan het vernietigde besluit kleeft [50] .
“ [eiser] niet onjuist (is) voorgelicht en(…)
bekend was met het in procedure gebrachte bestemmingsplan en dus op de plankaart heeft kunnen zien dat volgens dat bestemmingsplan op zijn perceel niet in een (bedrijfs)woning was voorzien, (zodat) niets eraan in de weg (stond) om zijn zienswijze of bedenkingen aan te vullen met een klacht over het feit dat de woning niet positief was bestemd.”