Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
gedeeltelijkwordt verplaatst, en de onderneming dus deels op de reeds door [eiser] c.s. in gebruik zijnde maar niet onteigende gronden en deels op nieuw aan te kopen gronden wordt voortgezet. Aan de nadelen die met een gedeeltelijke bedrijfsverplaatsing gepaard gaan, is vervolgens door de rechtbank tegemoet gekomen door toekenning van schadeloosstelling voor herinvesteringsschade (rechtsoverweging 2.41 e.v.), aankoopkosten (rechtsoverweging 2.45), kosten voor een aankoopmakelaar en een deskundige teeltkundig bodemonderzoek (rechtsoverweging 2.49 e.v.), kosten voor de aanleg van een beregeningsinstallatie op de vervangende grond (rechtsoverweging 2.52 e.v.), overige aanpassingskosten (rechtsoverweging 2.56 e.v.), inkomensschade (rechtsoverweging 2.59), omrijschade (rechtsoverweging 2.61.1 e.v.) en opbrengstverlies (rechtsoverweging 2.65 e.v.). Naar het kennelijke, niet onjuiste en evenmin onbegrijpelijke oordeel van de rechtbank worden [eiser] c.s. aldus in een gelijkwaardige vermogens- en inkomenspositie gebracht ten opzichte van de situatie vóór onteigening.
liquidatievan de onderneming. Dat is een wezenlijk andere keuze dan die tussen de ene dan wel de andere variant van voortzetting van het bedrijf van de onteigende. Liquidatie grijpt diep in in het bestaan van de onteigende: ze gaat uit van het einde van het ondernemerschap. Dat einde is hier niet aan de orde.
Onder 3.1.2voegt het onderdeel hier aan toe dat voor zover de rechtbank dit niet heeft miskend, zij haar oordeel in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd met de enkele overweging dat de niet meer te gebruiken grond niet voor vervanging in aanmerking komt omdat [eiser] c.s. ‘deze grond niet kwijtraakt’. Zodoende heeft de rechtbank volgens het onderdeel niet (voldoende) begrijpelijk gerespondeerd op de essentiële stelling van [eiser] c.s. dat zij beteelbare oppervlakte kwijtraken doordat zij als gevolg van de onteigening een kavelpad op het overblijvende moeten aanleggen en dat zij extra beteelbare oppervlakte moeten aankopen om na onteigening in dezelfde vermogens- en inkomenssituatie te blijven.
mogelijkheiddat de compensatie onvolledig is, inderdaad bestaat, omdat die mogelijkheid aan iedere gekapitaliseerd berekende vergoeding nu eenmaal inherent is. Onzekerheid over de toekomst bestond echter ook voorafgaand aan de onteigening. Zulke onzekerheid impliceert bovendien dat er evenzeer omstandigheden denkbaar zijn waaronder [eiser] c.s. ter zake van inkomensschade méér ontvangen dan zij uiteindelijk als gevolg van de onteigening zullen blijken te hebben verloren. Een gekapitaliseerd berekende vergoeding houdt op gepaste wijze rekening met zowel goede als kwade kansen. Men vergelijke wat Telders schreef: [12]
omzettenvan € 52.195,—, € 31.977,— en € 44.871,—, te verminderen met inkoopkosten van € 6.856,—, € 6.353,— en € 9.436,— en uiteraard vervolgens nog te verminderen met overige toe te rekenen kosten. Dezelfde jaarstukken vermelden voor de bedrijfsonderdelen landbouw en varkensbedrijf omzetten van € 27.704,—, € 20.572,— en € 20.675,— respectievelijk € 12.461,—, € 11.487,— en € 6.470,—, met significant lagere of zelfs negatieve inkoopkosten, namelijk € 4.970,—, € 135,— en nihil respectievelijk € 12.633,— negatief, € 1.140,— negatief en € 1.192,— negatief. Welke oppervlakten aan deze bedrijfsonderdelen moeten worden toegerekend, is niet nauwkeurig te bepalen. Wel stel ik vast dat volgens de opgave gewaspercelen 2012 in dat jaar 8.06.00 ha voor de maisteelt [19] in gebruik was. Hoe dan ook is duidelijk dat van het beweerde tienvoudige gemiddelde saldo voor de graszodenteelt geen sprake kan zijn. Waar ook niet eenduidig blijkt van een significant hoger saldo voor de graszodenteelt dan voor ander grondgebruik, hadden deskundigen en rechtbank mijns inziens niet werkelijk een andere keuze dan te doen wat zij hebben gedaan, namelijk rekenen met het gemiddelde saldo van alle grond, zoals dat saldo uit de jaarstukken blijkt. Iedere andere keuze zou het karakter van een slag in de lucht hebben gehad.
Onder 5.1.1voegt het onderdeel hieraan toe dat de rechtbank heeft miskend dat zij over elke door de onteigende gestelde schadepost een gemotiveerde beslissing moet nemen.
Onder 5.1.2betoogt het onderdeel dat als de rechtbank dit niet heeft miskend, haar oordeel in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, nu
Onder 6.1.2voegt het onderdeel hieraan toe dat, voor zover de rechtbank dit niet heeft miskend en geacht moet worden ten aanzien van deze schadepost het advies van de deskundigen te hebben gevolgd, het oordeel in ieder geval niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Het onderdeel betoogt dat de deskundigen op dit punt geen eigen formulering in het rapport hebben opgenomen, maar in een voetnoot hebben verwezen naar een redenering die de Provincie ten beste heeft gegeven. [26] Die redenering deugt volgens het onderdeel echter niet. De provincie veronderstelt dat perceel L77 nog kan worden bereikt door aan de oostzijde van het perceel met grondplannummer 7 de weg over te steken. Deze redenering is volgens het onderdeel echter op niets gebaseerd. In de oude situatie kon aan de kop van perceel L77 de Fransebaan worden overgestoken; in de nieuwe situatie kan dat niet meer. De rechtbank oordeelt dus ten onrechte dat perceel L77 buiten het onteigende valt. De verminderde bereikbaarheid van perceel L77 is wel degelijk een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening, betoogt het onderdeel, zoals [eiser] c.s. als essentiële stelling hebben verdedigd. [27]
ten noorden liggendeveldkavels kunnen bereiken maar uitsluitend nog vanaf de te maken ontsluiting nabij de nieuwe rotonde ten westen van de veldkavels.’
die het gevolg is van het verlies van de onteigende perceelsgedeelten maar ook omrijschade die het gevolg is van het vervallen van de (oude) Venweg, die in de nieuwe situatie niet meer is verbonden met het ten westen van de A73 liggende deel van die weg. Dit oordeel, dat moet worden begrepen in samenhang met de door de rechtbank klaarblijkelijk gehuldigde, en juiste, opvatting dat
de Onteigeningswet niet voorziet in vergoeding van nadelen die niet door de onteigening of door het werk op het onteigende doch door de uitvoering van het werk daarbuiten worden veroorzaakt, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. (…)’ [31]
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
de factozelfs extra groot is, namelijk een geval waarin bedrijfsbeëindiging niet aan de orde is, zodat slechts een keuze behoeft te worden gemaakt uit verschillende varianten van voortzetting van het bedrijf, en de bedrijfsresultaten onmiskenbaar positief zijn en enkel debat bestaat over de vraag of ze (voor een reconstructie in de vorm van een gedeeltelijke verplaatsing van het bedrijf) ook positief genoeg zijn.