Conclusie
1.Becton Dickinson B.V.,
[A]/GIAde aspecten uit onze zaak ook buiten kortgeding spelen.
Needle tip guard for hypodermic needles’.Het octrooi is verleend op 24 april 2013 op een aanvraag daartoe van 27 februari 1997, onder inroeping van prioriteit van 27 februari 1996 op basis van US 12343, 12 september 1996 op basis van US 25273 en 19 november 1996 op basis van US 31399. EP 556 (...) [is geëxpireerd] op 26 februari 2017. Het octrooi (...) [had] onder meer gelding in Nederland.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is dat dit oordeel onjuist is, omdat art. 1019h Rv van toepassing is wanneer de eiser intellectuele eigendomsrechten handhaaft jegens zijn wederpartij. De grondslag van het verweer van die wederpartij doet daarbij niet ter zake en ook diens processuele opstelling is niet beslissend. Art. 1019h Rv is van toepassing op (ontvankelijkheids)incidenten in procedures waarin de eiser intellectuele eigendomsrechten handhaaft jegens zijn wederpartij.
materiële toepassingsgebied– de vraag op
welke rechtende handhaving betrekking moet hebben om binnen het bereik van art. 1019h Rv te vallen – en het
formele toepassingsgebied– de vraag wat (nog) onder
handhavingvalt [5] . Dat het hier materieel om een zaak van octrooirechthandhaving gaat, is niet in geschil. Onze zaak draait om de vraag of het (commune) procedurele verweer in een materiële octrooizaak dat niet tijdig is geappelleerd onder het formele toepassingsgebied van de IE-proceskostenregeling valt; dus of dat nog als handhaving van IE-rechten valt aan te merken.
[A]/GIA [10] ook bij een ingetrokken IE-kortgeding voor zowel de pretense rechthebbende als de beweerdelijk inbreukmaker aanspraak kan bestaan op vergoeding van gemaakte kosten volgens art. 1019h Rv. Bij zo’n ingetrokken kortgeding is dus niet toegekomen aan een inhoudelijk oordeel over de gestelde inbreuk; net als in onze zaak eindigt zo’n procedure in een daaraan voorafgaande fase. Hoewel dat destijds volgens A-G Verkade nog geen uitgemaakte zaak was, is in
Endstra tapes [11] en
Euro-Tyre [12] uitgemaakt dat art. 1019h Rv ook moet worden toegepast in cassatiezaken. Datzelfde geldt voor prejudiciële procedures die in het kader van IE-zaken worden gevoerd [13] . Ook indien het verband met een inbreukzaak meer afgeleid is, zoals bij een verweer tegen een negatief declaratoir (“vrij van auteursrechten”), vindt art. 1019h Rv toepassing, nu dat als een verweer ter handhaving van auteursrechten moet worden gezien [14] . In lagere rechtspraak is art. 1019h Rv toegepast op IE-executiegeschillen [15] , een wrakingsverzoek in een IE-zaak [16] en (incidentele) art. 843a Rv exhibitiezaken [17] .
vermoedenvan inbreuk is een art. 1019h Rv begroting geweigerd [20] .
Leo Pharma/Sandoz [23] een glijdende schaal geschetst met processuele varianten in het IE-dispuutsveld, aansluitend bij vaste rechtspraak van het Haagse hof en inmiddels in de literatuur verwelkomd als een bruikbaar overzicht [24] . Die schaal beweegt zich tussen de uiterste polen A: conventioneel ongeldigheidsverweer in een door een pretens rechthebbende aangespannen inbreukprocedure (geen twijfel dat hier art. 1019h Rv van toepassing is ten nadele van de verliezende partij) en Z: enkele oppositie in een verleningsprocedure (waarvoor het tegenovergestelde geldt: geen twijfel dat de IE-proceskostenregeling daar niet op van toepassing is, vgl. Verkades conclusie 5.10.2 en 5.10.3; hij verduidelijkt in 5.10.5 dat in de ons bekende administratieve type Z-procedures geen reconventionele inbreukvorderingen mogelijk zijn).
[A]/GIAin geval van intrekking van een kort geding, waarin ruimte kan zijn voor kostenvergoedingen begroot volgens art. 1019h Rv (zowel in het geval van intrekking door de oorspronkelijke eiser ten gunste van de oorspronkelijke gedaagde, als in geval van “vrijwillige” voldoening na dagvaarding door de oorspronkelijke gedaagde ten gunste van de oorspronkelijke eiser) lijken niet ver af te liggen van onze zaak, waarin evenmin rechterlijk-inhoudelijk aan de IE-inbreukbeoordeling wordt toegekomen, omdat in hoger beroep niet aan de inhoud wordt toegekomen vanwege een te laat appel (in gelijke zin antwoordakte inzake ontvankelijkheid Becton c.s. 44
in fine). Dat de laatste twee volzinnen uit rov. 3.6 van dit arrest zo moeten worden gelezen dat met voor art. 1019 Rv Pro vatbare “geschilpunten die onder het bereik van deze bepaling vallen” geen kosten bedoeld zijn gemoeid met het ontvankelijkheidsverweer, zoals Braun betoogt bij s.t. 44-45, is volgens mij niet zo te begrijpen. Blijkens de laatste zin (kosten gemaakt om de kosten vast te stellen vallen niet onder dat bereik (lees: bedoeld in de voorafgaande zin)) is de strekking van de net geciteerde passage uit de eerste zin beperkt op te vatten als: af te zetten tegen “kosten gemaakt om de kosten te begroten” en alleen die kosten zijn niet te begroten in de sleutel van art. 1019h Rv.
schadevergoedingvanwege onterecht gelegd bewijsbeslag ook denkbaar en we zagen al dat zo’n zaak wel onder het formele toepassingsbereik van (de implementatie van art. 14 HhRl Pro in de vorm van) art. 1019h Rv valt (arrest
Diageo/Serimarida,vp. vtnt. 9).
en verworpen, dan lijkt er (althans bij mij tot nu toe) geen twijfel te zijn dat de uiteindelijk verliezer ook de kosten gemoeid met het bestrijden van dat verworpen verweer begroot volgens art. 1019h Rv zal dienen te dragen. Dat ligt naar mij voorkomt niet anders met andere processuele verweren als verjaring of rechtsverwerking – of in kortgeding: gebrek aan spoedeisend belang, zoals in onze zaak in eerste aanleg (waarna ook een (volledige, niet “procedureel gekorte”) proceskostenveroordeling volgens art. 1019h Rv is toegekend, zoals we gezien hebben). Ik zie geen steekhoudend argument waarom dan bij een
geslaagdniet-ontvankelijkheidsverweer opeens anders moet worden geoordeeld. Dat wordt een innerlijk niet consistent stelsel.
verworpenniet-ontvankelijkheidsverweer (en andere niet-IE-gerelateerde commuun procedurele verweren) niet in aanmerking komen voor begroting volgens art. 1019h Rv (net als kosten voor een
gehonoreerdniet-ontvankelijkheidsverweer zoals in onze zaak in de visie van het Haagse hof) – en dat is bij het in stand laten van het nu bestreden hofoordeel de consequentie, wil nog kunnen worden gesproken van een consistent stelsel (zie hiervoor punt 2)
in fine), dan dwingt dat mijns inziens tot de ongerijmde en praktisch nauwelijks te hanteren gevolgtrekking dat in elke IE-zaak werkzaamheden zullen moeten worden uitgesplitst in niet alleen materieel-rechtelijk IE-inhoudelijk gerelateerd aan de ene kant en niet-IE-inhoudelijk gerelateerd aan de andere kant (bij zaken op gemengde grondslag), maar ook tot een procedureel-rechtelijke onderscheiding langs die twee lijnen. Dat lijkt (mij) niet (praktisch) uitvoerbaar.
PR Aviation/Ryan Air [26] onder 4.2 en 4.3; vgl. ook rov. 2.5 van het arrest [27] ).
Kolassa/Barclays Bank [28] en
Universal Music [29] is uitgemaakt dat de aangezochte rechter voor de toetsing van zijn bevoegdheid krachtens de Brussel I-Verordening [30] alle hem ter beschikking staande gegevens in acht moet nemen, waaronder ook betwistingen van de verweerder. Uit het nadien gewezen
Zürich/LAG [31] lijkt te volgen dat Uw Raad deze lijn doortrekt naar het commune bevoegdheidsrecht in rov. 4.2.3: “Hieruit [de arresten
Kolassa/Barclays Banken
Universal Music, A-G] volgt dat die rechtsmacht niet mag worden bepaald op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van zijn vordering.”. Is het dan zo dat deze (mogelijke) parallel zo moet worden doorgetrokken naar ons procedureel niet-ontvankelijkheidsverweer dat de art. 1019h Rv-proceskosten “van kleur verschieten” naar het liquidatietarief als we letten op dit verweer? Het is niet helemaal uit te sluiten, maar ik acht dit dermate vergezocht (en niet opwegen tegen de hiervoor besproken punten 1)-3)), dat voor mij buiten redelijke twijfel is dat dit niet het systeem kan zijn, zodat ik geen prejudiciële vragen aangewezen acht. Het zal duidelijk zijn dat men dit ook anders kan waarderen; ik wijs er overigens op dat we hier met een kortgeding te maken hebben, zodat geen verplichting (wel de mogelijkheid) bestaat voor Uw Raad om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie [32] .
Realchemieen
[A]/GIA). Dat werpt in die zin geen nader licht op onze zaak, dat hieruit hooguit valt te destilleren dat als onderscheidend criterium “inhoudelijk duidelijk samenhangen met de inbreukvraag” inderdaad (ook mij) gelet op de jurisprudentiële ontwikkeling niet langer houdbaar lijkt (anders dan Braun bij dupliek in cassatie onder 8 betoogt).
Leo Pharma/Sandoz [37] en Hammerstein in
Rubik/Beckx Trading [38] heb ook ik eerder (m.i. tevergeefs) gepleit voor een genuanceerder stelsel in mijn conclusie voor
Leidseplein/Red Bull [39] . Volgens Vrendenbarg [40] is daar evenwel “langzaam maar zeker gehoor [aan] gegeven. Zo volgt uit latere rechtspraak dat de Hoge Raad op kwesties over de toepasselijkheid van art. 1019h Rv conform de glijdende schaal van Verkade beslist.” Zij wijst naast de nu als in beginsel als maximumtarieven fungerende Indicatietarieven t.a.p. overigens ook hierop: “Een echte koerswijziging waarbij het uitgangspunt van volledige proceskostenveroordeling is verlaten is pas ingezet na het United Video Properties-arrest van 28 juli 2016 [41] , waarin het HvJ EU heeft bevestigd dat art. 14 IE Pro Handhavingsrichtlijn inderdaad niet noopt tot een volledige proceskostenvergoeding in alle zaken, maar tot evenredige vergoeding van tenminste een significant en passend deel van de redelijke kosten.” Niettemin is zij als gezegd bijzonder kritisch over de wijze waarop in Nederland wordt omgegaan met de omzetting van art. 14 HhRl Pro.
subonderdeel 1.2dat het kostenoordeel over de ontvankelijkheidsvraag onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Aan de vorderingen van Braun in deze procedure is uitsluitend octrooi-inbreuk ten grondslag gelegd, zodat van een “gemengde grondslag” geen sprake is. Dat maakt dat art. 1019h Rv op de gehele procedure van Braun tegen Becton c.s. van toepassing is.
subonderdeel 1.3dat de overweging van het hof dat de kosten die de vaststelling van de omvang van de kosten betreffen niet onder het bereik van art. 1019h Rv vallen, ontoereikend is voor het oordeel dat
allekosten daterend van na 15 juli 2016 begroot moeten worden volgens het liquidatietarief. Dit omdat de kostenspecificatie van Becton c.s. slechts twee posten kent, van in totaal € 350,-, die de vaststelling van de omvang van de kosten betreffen.
zowelde omstandigheid dat de kosten zien op de ontvankelijkheidsvraag
alsop de omstandigheid dat de kosten zien op de vaststelling van de omvang van de kosten, zoals Braun terecht aangeeft bij s.t. 61. Ik zie ook deze motiveringsklacht dan ook niet opgaan.
LR Advocaten/LMR Advocaten [43] dient de rechter immers ambtshalve te beslissen over de toewijsbaarheid van de proceskosten en de hoogte daarvan, hetgeen een feitelijke beoordeling vergt.