Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd”, 2 “
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd”, 3 “
feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, en 4 “
medeplegen van: van het plegen van witwassen een gewoonte maken” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar. Daarnaast heeft het hof de bijkomende straf tot openbaarmaking van de uitspraak gelast, de verdachte ontzet van het recht bepaalde beroepen uit te oefenen en een aantal in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen verbeurdverklaard. Tot slot heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen, vertegenwoordigd door de [benadeelde] , gedeeltelijk toegewezen en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen hechtenis, een en ander nader zoals in het arrest (en de daaraan gehechte lijst) is vermeld.
eerste middelklaagt dat het verdedigingsrecht van de verdachte is geschonden, doordat de voorzitter op de terechtzitting van 23 mei 2018 de advocaat-generaal bij het hof de gelegenheid heeft gegeven iets naar voren te brengen naar aanleiding van het op voorhand toegewezen aanhoudingsverzoek, terwijl de verdachte en zijn raadsvrouw op die zitting niet aanwezig waren.
De verdachte genaamd:
De voorzitter deelt mede:
op voorhand” toegewezen.
buiten zitting, schriftelijk aan de zittingsrechter bepaalde informatie doet toekomen. Zolang ook de andere procespartij tijdig [2] komt te beschikken over dezelfde informatie en, alvorens de rechter daarop beslist, deze informatie op de eerstvolgende terechtzitting in aanwezigheid van beide procespartijen aan de orde wordt gesteld, vermag ik zonder nadere specificatie niet in te zien welk beginsel van een behoorlijke procesorde of welk ‘kernbeginsel’ van een eerlijk proces zou zijn geschonden.
tweede middelklaagt dat het hof het recht van de verdachte op berechting door een onpartijdig gerecht heeft geschonden door het wrakingsverzoek van 15 mei 2019 niet aan de wrakingskamer voor te leggen en de behandeling van de zaak voort te zetten.
het niet anders [kan] dan dat hier is bedoeld dat het medeplegen werd begaan door verzoeker en medeverdachte [medeverdachte 1]”. [3]
het hof wel geïrriteerd [begint] te raken” (opmerking D.A.: uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt dat die irritatie klaarblijkelijk voortkomt uit de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis is geschorst om de verdachte in staat te stellen stukken aan het dossier toe te voegen, maar dat de verdediging na anderhalf jaar nog geen stukken heeft overgelegd); [7]
De advocaat-generaal merkt op:
.
'. Dat duidt op contact en als u niet wenst mede te delen wat dat contact heeft ingehouden, zullen wij niet kunnen beoordelen of artikel 12 RO Pro geschonden is. Daar hebben we recht op om dat te weten. Als u zegt dat wij dat niet behoeven te weten dan bent u buiten de orde.
- Artikel 513 Sv Pro
1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
Art. 39 lid 5 Rv Pro bepaalt dat tegen de beslissing op een wrakingsverzoek geen voorziening openstaat. Een tegen die beslissing gericht cassatieberoep is desondanks ontvankelijk indien wordt aangevoerd dat de rechter buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, die ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU7430).” [10]
eenvormigheid in verhouding tot het burgerlijk en het strafprocesrecht.” [12] Hierop kom ik nog terug.
in beginselaan cassatie in de weg en zou het beroep niet-ontvankelijk verklaard moeten worden.
effective remedytegen de eventuele partijdigheid van de rechter. De Hoge Raad wees daarop ook in zijn arrest van 25 september 2018, E:1770: bij verwerping van het beroep (dus bij afwijzing van het wrakingsverzoek) kan een rechtsmiddel worden aangewend tegen de beslissing in de hoofdzaak, en in het kader daarvan kan het beroep op vooringenomenheid of partijdigheid herhaald worden (rov. 4.2.2 en 4.6). Een inhoudelijk onderbouwd en steekhoudend beroep op 6 EVRM zou dus een mogelijkheid [14] zijn om ondanks het rechtsmiddelenverbod van artikel 515 lid 5 Sv Pro toch de door de verzoeker vermoede vooringenomenheid aan een hogere instantie voor te leggen. Zodoende had ook in de voorliggende zaak in cassatie kunnen worden geklaagd over de eventuele vooringenomenheid van het hof, waarvan (ook) de rauwelijkse afwijzing van het wrakingsverzoek mogelijk blijk zou kunnen hebben gegeven. Dat hebben de stellers van het middel evenwel achterwege gelaten. [15]
zittingsrechteris die de beslissing op het wrakingsverzoek heeft genomen, zodat de conclusie tot niet-ontvankelijkheid niet zonder meer gerechtvaardigd is omdat – zo zien wij dadelijk – eerder door de Hoge Raad is aangenomen dat een dergelijk verzuim leidt tot nietigheid. [16] En over dat verzuim wordt in het middel geklaagd. Mag de zittingsrechter wel zelf oordelen over een wrakingsverzoek waarvan hij het onderwerp is?
gelet op de aard van die dwingend voorgeschreven bepalingen[de vigerende artikelen 513 lid 5 en 515 lid 1 Sv, D.A.]
, en in aanmerking genomen dat hetgeen is bepaald in art. 17 Gw Pro, dient te leiden tot nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg.” Naar het oordeel van de Hoge Raad was dit verzuim gelijk te stellen met “
een zodanig gebrek […] in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdige rechtelijke instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM”, en dus deed de Hoge Raad wat het hof had moeten doen en verwees hij de zaak naar de eerste instantie. [18] Aldus oordelend blijkt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad en die van de civiele kamer van de Hoge Raad weliswaar niet uitdrukkelijk, maar toch in hoge mate te convergeren. De politierechter die het tegen hem gerichte wrakingsverzoek zelf afwees was immers (ook) – in de woorden van de civiele kamer – “
buiten het toepassingsgebied” van de wrakingsregeling getreden en had die “
ten onrechte buiten toepassing gelaten”, dan wel had “
bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel […] veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.”
De ratio van het instituut van de wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke partijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid.
een gewraakte rechter [mag] in het algemeen geen recht spreken in – kort gezegd – zijn eigen zaak en dat in verband daarmee een verzoek tot wraking behoort te worden behandeld door een meervoudige kamer waarin de rechter wiens wraking is verzocht, geen zitting heeft” (rov. 4.7). Ook overwoog de Hoge Raad in dat arrest dat uit de rechtspraak van het EHRM de hoofdregel volgt dat de behandeling van een wrakingsverzoek niet achterwege mag worden gelaten, al geldt dit alleen als het verzoek “
does not immediately appear to be manifestly devoid of merit”(rov. 3.2.2).
door de wrakingskamerbuiten behandeling worden gelaten (rov. 4.4);
de wrakingskamerkan een (eerste of volgende) verzoek dat blijk geeft van evident misbruik van het wrakingsinstrument buiten behandeling laten; dat geldt zowel voor de situatie waarin het verzoek strekt tot wraking van de zittingsrechter als wanneer het gaat om een verzoek tot wraking van de wrakingskamer (rov. 4.5);
de wrakingskamerdie voor wraking is voorgedragen in het geval van evident misbruik van recht zelf het wrakingsverzoek buiten behandeling laat, nu ook een dergelijk verzoek niet kan worden aangemerkt als wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv Pro (rov. 4.7).
schijndaarvan. Juist omdat het aan de zittingsrechter is voorbehouden een inhoudelijke beslissing te geven in de zaak, is het van belang dat hij niet zelf oordeelt over de aangevochten (schijn van) vooringenomenheid. Oók niet als hij meent dat het verzoek slechts vanwege formele (ontvankelijkheids)kwesties zal stranden. [34]