Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
3.Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen
Raiffeisen Bank Zrt. [16]
Raiffeisen Bank Zrt. [25] Vanwege het belang van die beschikking ben ik extra uitvoerig.
Raiffeisen Bank Zrtherkennen we eerst bekende en hiervoor reeds benoemde elementen: het bereik van de oneerlijkheidstoets (punt 23-24), concrete toetsing door de nationale rechter (punt 25-26), vergelijking met het aanvullende recht waarvan met het beding wordt afgeweken (punt 27), de toets aan de goede trouw aan de hand van fictieve onderhandelingen (punt 28), het moment van contractsluiting als peilmoment (punt 29) en de betekenis van de indicatieve lijst van de richtlijn (punten 31-32). Wat betreft die indicatieve lijst van de bijlage bij Richtlijn 93/13 EEG wijst het hof (punt 31) op punt 1 sub q, dat bedingen vermeldt ‘die tot doel of tot gevolg hebben het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden’. In de overwegingen die volgen ligt de nadruk op informatieverstrekking vóór de sluiting van de overeenkomst, opdat de consument kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen die aan de sluiting van de overeenkomst zijn verbonden, waarbij het hof verwijst naar art. 5 van Pro de richtlijn (punt 33). Ook als die informatieverstrekking voldoet aan de in art. 5 van Pro de richtlijn neergelegde vereisten van duidelijkheid en transparantie, volstaat die omstandigheid op zichzelf niet om uit te sluiten dat het beding oneerlijk is (punt 34). In zijn overwegingen herinnert het hof aan de verplichting van de nationale rechter om, indien hij tot de conclusie komt dat het beding oneerlijk is, alle volgens het nationale recht daaruit voortvloeiende consequenties te trekken, teneinde zich ervan te vergewissen dat de consument door dat beding niet is gebonden (punt 35). In de eigenlijke beantwoording (punt 36) komen de bepaling van de indicatieve lijst van de bijlage en het evenmin beslissende perspectief van de informatieverstrekking vóór de sluiting van de overeenkomst terug.
Raiffeisen Bank Zrthet gelijk bevestigt van Wissink (vergelijk hiervoor onder 3.3) dat het transparantievereiste van art. 5 Richtlijn Pro 93/13 EEG niet alleen een rol speelt bij de afgrenzing van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en bij de uitleg van het beding. Het Hof van Justitie plaatst het transparantievereiste van art. 5 onmiskenbaar Pro in het verband van de oneerlijkheidstoets. Dat spoort met andere uitspraken van het Hof van Justitie. Zo spreekt het hof bijvoorbeeld in de zaak
Jelzálogbankover de gehoudenheid van de nationale rechter om, ‘rekening houdend met de criteria van de artikelen 3, lid 1, en 5 van richtlijn 93/13, in het licht van de omstandigheden van het betrokken geval’ te bepalen of het te toetsen beding ‘voldoet aan de in deze richtlijn gestelde eisen van goede trouw, evenwicht en transparantie’. [26]
Raiffeisen Bank Zrtop de betrekkelijk grote plaats die de bepaling van punt 1 sub q van de lijst van de bijlage bij de richtlijn in de overwegingen van het Hof van Justitie inneemt. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het hof in die bepaling een min of meer zwaarwegende aanwijzing ziet dat bedingen die inderdaad ‘tot doel of tot gevolg hebben het indienen van een beroep of het instellen van een rechtsvordering door de consument te beletten of te belemmeren, met name door de consument te verplichten zich uitsluitend tot een niet onder een wettelijke regeling ressorterend scheidsgerecht te wenden’, oneerlijk zijn. [27]
schriftelijkjegens de consument op het beding heeft beroepen. Dat vereiste zal ertoe dienen [30] zowel om het begin van de termijn te markeren als om de consument in te scherpen dat hij van zich moet laten horen. Een vorm voor de verklaring houdende opt out vermeldt de wet niet. Dit betekent dat die verklaring in beginsel vormvrij is (art. 3:37 lid 1 BW Pro). Dit sluit niet uit dat een gebruiker van algemene voorwaarden geldig een vorm voor de verklaring kan bedingen, zij het dat een vormvereiste dat verder gaat dan het vereiste van een onderhandse akte vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn (art. 6:237 aanhef Pro en onder m BW, ‘grijze lijst’). In het verlengde van wat hiervoor al is gezegd, neemt de omstandigheid dat een beding buiten het bereik van de zwarte (wat betreft het arbitragebeding) én de grijze lijst (het vormvereiste) valt, niet weg dat het beding in concreto op oneerlijkheid moet worden getoetst. In dat verband kan een vormvereiste, grijs of niet, afhankelijk van de overige omstandigheden van het geval, bijdragen tot het oordeel dat het arbitragebeding oneerlijk is.
4.Verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis en ambtshalve toetsing
Asturcom. [35] Ik ben opnieuw uitvoerig.
Asturcombetreft de eerlijkheid van het arbitragebeding en dus de bevoegdheid van de arbiter. Een volgende vraag is of de rechter in de exequaturprocedure ook de
inhoudvan het arbitrale vonnis dient te toetsen, in die zin dat hij zich ervan dient te vergewissen dat de arbiter de regels met betrekking tot oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten correct heeft toegepast. Die vraag heeft meerwaarde ten opzichte van de in
Asturcombesliste kwestie omdat de arbiter, indien hij terecht meent bevoegd te zijn, bij de beoordeling van de in het arbitrale geding ingestelde vorderingen vervolgens in aanraking kan komen met bedingen die oneerlijk zijn in de zin van de richtlijn. De vraag rijst wat de exequaturrechter moet doen indien hij meent dat de arbiter een of meer bedingen ten onrechte niet als oneerlijk terzijde heeft gesteld.
Pohotovosť. [36] Die zaak betrof een kredietovereenkomst met onder meer een contractuele vertragingsrente van 0,25% van het verschuldigde bedrag per dag (overeenkomend met 91,25% per jaar). De Slowaakse rechter die diende te oordelen over de tenuitvoerlegging, de Krajský súd v Prešove, stelde de vraag of hij ambtshalve moest nagaan of een in een kredietovereenkomst tussen een kredietverstrekker en een consument vervatte sanctie onevenredig is, indien hij volgens zijn nationale procesrecht een dergelijke beoordeling in het kader van vergelijkbare op het nationale recht gebaseerde procedures mag verrichten. In dit verband is van belang dat volgens het Slowaakse recht de exequaturrechter de procedure schorst in het geval het arbitrale vonnis een prestatie oplegt ‘die objectief onmogelijk, onrechtmatig of strijdig met de goede zeden is’. [37]
Ministerstvo spravodlivosti SR(de Minister van Justitie van de Slowaakse Republiek) [38] met betrekking tot staatsaansprakelijkheid. Onder 32 vat het hof de stand van zijn rechtspraak met betrekking tot de taak van de nationale rechter in een exequaturprocedure als volgt samen:
aannemelijkis dat het arbitraal vonnis zal worden vernietigd (in dit verband op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt) en in dit verband behoort er van te worden uitgegaan dat in een procedure tot vernietiging van een arbitraal vonnis het gerechtshof (vergelijk art. 1064a Rv) gehouden is om een oneerlijk arbitragebeding ambtshalve te vernietigen.
Pohotovosťnaar aanleiding van de in die zaak veronderstelde bijzonderheden van het Slowaakse procesrecht (vergelijk hiervoor onder 4.6 en 4.8).
Pénzügyi, waarin door het Hof van Justitie wat betreft een territoriaal forumkeuzebeding met een beroep op het doeltreffendheidsbeginsel de verplichting is aangenomen om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen, hoewel het procesrecht van de verwijzende Hongaarse rechter zulke maatregelen enkel op verzoek van een der partijen toestond. [48] De vraag is uiteraard hoe
Pénzügyizich verhoudt tot
Asturcom(besproken onder 4.2 e.v.)
.Thiescheffer heeft echter gelijk dat in het licht van
Pénzügyionzeker is of Richtlijn 93/13 EEG in verband met het doeltreffendheidsbeginsel een lezing van art. 1063 lid 1 Rv Pro toelaat volgens welke voor ambtshalve maatregelen van instructie geen plaats is. Dezelfde twijfel lijkt bij Snijders te bestaan. [49]
nietin strijd is met het recht van de Unie. Ook echter met betrekking tot het feitenonderzoek naar de mogelijke oneerlijkheid van een beding in gewone procedures voor de overheidsrechter, waaronder verstekprocedures, geldt dat uw Raad volgens diverse schrijvers, waaronder de zojuist genoemde Ancery, [52] vérder is gegaan dan waartoe de bestaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU verplichtte. [53] In het licht van het beginsel van loyale samenwerking (‘Unietrouw’) is dat niet dubieus maar lofwaardig. Voor de sterk vergelijkbare kwestie van het feitenonderzoek naar de mogelijke oneerlijkheid van een beding in de exequaturprocedure, bepleit ik een benadering in dezelfde geest. Daarbij kan ik mij de nuance voorstellen dat de kwestie van de eventuele oneerlijkheid van het arbitragebeding waarop het arbitrale vonnis als zodanig steunt, zwaarder weegt dan die van de juistheid van de inhoud van het arbitrale vonnis wat betreft bedingen die de toewijsbaarheid van de vordering raken. De eerste kwestie raakt het fundamentele recht op behandeling door het gerecht dat bij de wet is ingesteld (art. 6 lid 1 EVRM Pro). Uw Raad heeft reeds beslist dat dit met zich brengt dat dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op de grond vermeld in art. 1065 lid Pro 1, onder a Rv, door de rechter niet terughoudend wordt getoetst. [54] Dit verschil in gewicht kan tot uitdrukking komen in de wijze waarop de norm van een ‘summierlijk onderzoek’ in de zin van art. 1063 lid 1 Rv Pro wordt ingevuld.
6.Beantwoording van de prejudiciële vragen
feitelijktenminste een maand is gegund om voor beslissing van de zaak door de overheidsrechter te kiezen. Een andere opvatting zou mijns inziens neerkomen op een niet toelaatbare herziening van het oneerlijke beding. [67]