Conclusie
nietigbesluit, redenerend vanuit het schema van art. 2:14 BW Pro (in het bijzonder art. 2:14 lid 2 BW Pro), kwam het hof in hoger beroep tot een ander oordeel. Het hof vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter, daarbij onder meer oordelend dat geen sprake is van een nietig (en daarmee niet rechtsgeldig) besluit in de zin van art. 2:14 lid 2 BW Pro, maar van een
vernietigbaar(en daarmee vooralsnog rechtsgeldig, want niet in rechte vernietigd) besluit, redenerend vanuit het schema van art. 2:15 BW Pro (waaronder art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW).
1.Feiten
arrest). [1]
Holding) is sinds 1 juni 1995 bestuurder van [verweerster] Beheer B.V. (hierna:
Beheer). Bestuurder van [eiseres] Holding is [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]). [A] B.V. (hierna:
[A]) is een dochtervennootschap van [verweerster] Beheer.
Bredasa) als verkopers enerzijds en Bellivo S.A. (hierna:
Bellivo) als koper anderzijds (hierna: de
koopovereenkomst). Artikel 5.5 van de koopovereenkomst luidt als volgt:
ontslagbesluit). Per dezelfde datum heeft [verweerster] Beheer [betrokkene 1] afgesloten van zijn zakelijke e-mailaccount.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
ST-Mrespectievelijk de
ST-R), waarna [eiseres] Holding nog heeft gerepliceerd (hierna: de
Repliek-M).
3.Cassatiemiddel
vernietigbaarmaken in de zin van art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting”. Volgens [eiseres] Holding heeft het hof daarmee miskend dat “een dergelijk besluit nietig is in de zin van art. 2:14 lid 2 BW Pro, in geval de bestuurder geen agenda heeft ontvangen, niet (tijdig) is opgeroepen en bijgevolg zijn raadgevende stem niet heeft kunnen laten horen ter aandeelhoudersvergadering zodat deze geen invloed heeft kunnen uitoefenen op dat besluit.” [13]
kunnenuitoefenen”. [14]
nietigzijn, tenzij ze [deze besluiten, A-G] worden bekrachtigd (hetgeen in casu niet is gebeurd).” [15]
vernietigbaarwas en niet
nietig, [althans] rust op een onbegrijpelijke uitleg van de betreffende statutaire bepalingen.” [eiseres] Holding betoogt dat art. 23 lid 4 van Pro de statuten van [verweerster] Beheer, geciteerd door het hof in rov. 6.1.2, zich “immers” niet anders laat uitleggen “dan dat de aandeelhoudersvergadering geen “
wettige besluiten” kan nemen indien er niet (tijdig) is opgeroepen, tenzij bij vergadering waarin alle aandeelhouders aanwezig zijn
ende directeuren zijn gehoord.” [16] De overweging van het hof in rov. 6.17 dat vaststaat dat er niet (tijdig) is opgeroepen en dat [eiseres] Holding niet is gehoord, brengt met zich dat niet aan beide vereisten van de tenzij-bepaling van art. 23 lid 4 van Pro de statuten is voldaan, zodat er geen “
wettig” ontslagbesluit volgens de statuten tot stand is gekomen. [eiseres] Holding stelt dat “een niet-“
wettig” besluit een
nietigbesluit [is], zodat het hof op onbegrijpelijke gronden – want in strijd met de statuten – tóch heeft geoordeeld dat het om een
vernietigbaarbesluit ging.”
nietige besluiten.”
voortbouwende klachtvan [eiseres] Holding dat gegrondbevinding van een van de in nrs. 3.2-3.3 genoemde klachten tot gevolg heeft dat ook de conclusie van het hof in rov. 6.22 en het dictum van het arrest niet in stand kunnen blijven.
4.Juridisch kader
Dit is thans in lid 2 bepaald: weliswaar moet degene aan wie een recht tot beïnvloeding van de besluitvorming is toegekend, evenals ieder ander, het besluit naast zich kunnen neerleggen als hij tot die beïnvloeding niet de gelegenheid heeft gekregen, maar anderzijds zijn er geen belangen met nietigheid gemoeid indien hij zich achteraf met het genomen besluit kan verenigen.[cursivering A-G]
Tot deze keus leidt de overweging dat deze bepalingen wettelijke of statutaire bevoegdheden van andere organen of derden inhouden, en dat dezen niet tot procederen behoren te worden genoopt, indien het besluitende orgaan verzuimt zijn verplichtingen na te komen. Voor de redactie is verwezen naar artikel 14 lid 2 waar Pro wordt bepaald dat juist deze besluiten, indien op deze grond nietig, kunnen worden bekrachtigd.[cursivering A-G]
bepaaldebevoegdheid – het nemen van een bepaald besluit – is aangewezen op de medewerking of het medeweten van een ander orgaan (…). Art. 14 lid 2 regelt Pro de rechtsbetrekking tussen twee of meer organen (zie nr. 201).” [38]
bepaaldebevoegdheid (het nemen van een
bepaaldbesluit) op grond van de wet of de statuten is aangewezen op de medewerking of het medeweten van een ander. [46] Daarmee strookt de ook in de literatuur te vinden observatie dat art. 2:14 lid 2 BW Pro is beperkt tot een bekrachtiging van een besluit door een ander die in de wet of de statuten specifiek is aangewezen om rechtstreeks invloed uit te oefenen op het betreffende besluit. [47] Dit geeft verder reliëf aan art. 2:14 lid 2 BW Pro.
als daarin geduid, geldt dan, zoals die toelichting het verwoordt, “dat dezen niet tot procederen behoren te worden genoopt, indien het besluitende orgaan verzuimt zijn verplichtingen na te komen.” [48]
Raadgevende stem van bestuurders en commissarissen als zodanig in de aandeelhoudersvergadering (of bij besluitvorming van aandeelhouders buiten vergadering)
Nadere analyse
Fremdkörperin art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW), omdat nu eenmaal art. 2:14 lid 2 BW Pro verwijst naar een voorafgaande handeling of mededeling (zie nr. 4.2) of de toelichting daarop verwijst naar het vragen van advies (zie nr. 4.10). Dit is geen vanzelfsprekende, dogmatisch noodzakelijke koppeling; hier is een bredere blik vereist. Zulk herleiden als bedoeld in nrs. 4.26-4.28 acht ik niet goed inpasbaar in het toepasselijke wettelijke stelsel, en daarmee niet goed voorstelbaar, vanwege de daaraan inherente complicaties. Dit een en ander gaat de spankracht van art. 2:14 lid 2 BW Pro te buiten, zoals geduid in nrs. 4.14-4.17. Ik kan ook niet (in)zien dat de wetgever de daarin vervatte regeling zo heeft bedoeld. [77] Zie nrs. 4.10-4.13.
bottom-lineis dan ook dat ingeval art. 2:227 lid 7 BW Pro of art. 2:238 lid Pro 2, slotzin BW van toepassing is, maar een bestuurder of commissaris niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld om als zodanig zijn raadgevende stem te gebruiken conform de betreffende bepaling, dit laatste ongeacht de verschijningsvorm daarvan wél een zelfstandige grond oplevert voor vernietiging van het betreffende besluit van de algemene vergadering op de voet van art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW, maar níet dat besluit met nietigheid treft als bedoeld in art. 2:14 (lid 2) BW.
Doel van de toekenning van deze raadgevende stem is dat de bestuurders in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering voorgenomen besluiten te doen blijken zodat de aandeelhouders of de leden met die visie rekening kunnen houden.Op dit moment is de raadgevende stem alleen wettelijk geregeld voor de NV (artikel 2:117 lid 4 BW Pro) en voor de B.V. (artikel 2:227 lid 7 BW Pro). Mede gezien de aanbevelingen die er in de consultatie op dat punt zijn gedaan, wordt nu voorgesteld om een regeling over de raadgevende stem van bestuurders op te nemen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW.
De regeling komt daarmee te gelden voor alle rechtspersonen die een algemene vergadering hebben. Aangezien de bestuurders in de algemene vergadering een de raadgevende stem hebben, zullen zij ook uitgenodigd moeten worden voor de algemene vergadering. Het niet in acht nemen van de raadgevende stem van bestuurders leidt op grond van artikel 2:15 lid 1 aanhef Pro en onder a BW tot vernietigbaarheid van het besluit van de algemene vergadering wegens strijd met de wettelijke bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen.[cursivering A-G]
Met de voorgestelde regeling wordt voor alle rechtspersonen bepaald dat bij besluitvorming van de algemene vergadering buiten vergadering, de bestuurders de gelegenheid dienen te krijgen om voorafgaand advies uit te brengen.[cursivering A-G]
De ratio van de raadgevende stem is dat de commissarissen in de gelegenheid worden gesteld om hun visie op de door de algemene vergadering voorgenomen besluiten te doen blijken, zodat de aandeelhouders of leden daarmee rekening kunnen houden. Mede naar aanleiding van hetgeen in de consultatie op dit punt naar voren is gebracht, wordt de regel nu opgenomen in het algemene gedeelte van Boek 2 BW. Voor een verdere toelichting zij verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over de raadgevende stem van bestuurders in de algemene vergadering (artikel 2:9 lid Pro 7)” [cursivering A-G]. [92]
eerstegeval (‘Janssen Pers’) veronderstelde het cassatiemiddel de toepasselijkheid van dát schema vanwege de niet-naleving van art. 2:227 lid 4 BW Pro (oud), [97] gelijk A-G Mok in zijn conclusie voor dit arrest [98] (en Maeijer in zijn annotatie bij dit arrest). [99] De Hoge Raad acht de betreffende klacht gegrond en casseert, zonder zich over die sanctie verder uit te laten. Het cassatiemiddel bevatte ook geen specifiek daarop gerichte klacht.
tweedegeval (‘Hay Group’) veronderstelde niet alleen het cassatiemiddel de toepasselijkheid van dát schema, [100] maar ook het hof, [101] zoals de Hoge Raad ook onderkent. [102] Sterker nog, in het cassatiemiddel werd de sanctie van vernietigbaarheid (art. 2:15 BW Pro) juist omarmd en aangevoerd als argument tégen de toepasselijkheid van art. 2:227 lid 4 BW Pro (oud) op besluiten van aandeelhouders genomen buiten vergadering in de zin van art. 2:238 BW Pro (oud), zoals wel aangenomen door het hof (en gesauveerd door de Hoge Raad, daarmee de in het ‘Janssen Pers’-arrest ingezette lijn handhavend). De Hoge Raad acht de klachten ongegrond en verwerpt het cassatieberoep. In de betreffende overwegingen verwijst hij naar passages uit de conclusie van A-G Timmerman voor dit arrest, [103] die daarin nadrukkelijk gewag maakt van de sanctie van vernietigbaarheid blijkend uit de toelichting op art. 2:227 lid 7 BW Pro en art. 2:238 lid Pro 2, slotzin BW. [104] Zie nr. 4.33. Ook verwijst hij naar art. 3:53 lid 1 BW Pro, waaruit volgt dat juist is het bestreden oordeel van het hof (erop neerkomend dat de vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon meebrengt dat het besluit van meet af aan niet rechtsgeldig is geweest), [105] en waarover A-G Timmerman zich ook nadrukkelijk uitlaat mede in verbinding met art. 2:15 BW Pro. [106] De Hoge Raad laat zich over die sanctie verder niet uit. Het cassatiemiddel bevatte ook geen specifiek daarop gerichte klacht.
en massehet schema van art. 2:15 BW Pro aangehouden, in het bijzonder dat van art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW, ingeval (een voorloper van) art. 2:227 lid 7 BW Pro of art. 2:238 lid Pro 2, slotzin BW van toepassing is, maar een bestuurder of commissaris niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld om als zodanig zijn raadgevende stem te gebruiken. [113] Ook daarbij wordt niet onderscheiden naar bijvoorbeeld de verschijningsvorm van dat ‘niet (voldoende) in de gelegenheid stellen’ of bepaalde besluiten van de algemene vergadering, en ook daarbij vormt de overgang van art. 2:227 BW Pro (oud) en art. 2:238 BW Pro (oud) naar de huidige bepalingen geen breuklijn. Dit behoeft geen nadere toelichting; het bevestigt intussen wel dat ook de literatuur, gelijk de lagere rechtspraak genoemd in nr. 4.36, de in nr. 4.35 genoemde Hoge Raad-arresten in dat licht beziet.
Herziening art. 2:4 BW Pro. Artikel 2:4 lid 1 BW Pro bepaalt onder meer dat een rechtspersoon niet ontstaat bij het ontbreken van een door een notaris ondertekende akte voor zover door de wet voor de totstandkoming vereist. Dit laatste geldt voor alle privaatrechtelijke rechtspersonen in Boek 2 BW, behoudens de ‘informele’ vereniging (art. 2:30 BW Pro). Is art. 2:4 lid 1 BW Pro van toepassing, dan ontstaat de rechtspersoon niet omdat dat essentiële vereiste niet is vervuld, of anders gezegd: dan is de oprichtingshandeling nietig. Tot 1 juli 2011 [116] behoorde ook de verklaring van geen bezwaar tot de essentiële vereisten, waarvan het ontbreken in art. 2:4 BW Pro met nietigheid bedreigd was. Ontbrak die verklaring, of was op het moment van oprichting een termijn verstreken van drie maanden na dagtekening van die verklaring en was deze termijn niet verlengd (zie art. 2:64/175 lid 3 BW (oud)), dan ontstond de rechtspersoon niet. [117] Met ingang van 1 juli 2011 is dat tweede essentiële vereiste dus komen te vervallen, waardoor de nietigheidsgrond van art. 2:4 lid 1 BW Pro is versmald tot nog maar één essentieel vereiste en niet-naleving daarvan: het ontbreken van de in art. 2:4 lid 1 BW Pro bedoelde notariële akte. De problematiek van de ‘nietige rechtspersoon’ speelt hierdoor in de praktijk nauwelijks tot niet.
Herziening tegenstrijdigbelangregeling.Tot 1 januari 2013 kende het N.V.- en B.V.-recht met art. 2:146/256 BW (oud) een wettelijke regeling inzake tegenstrijdig belang van een bestuurder die, in verbinding met art. 2:130/240 BW, was ingebed in het leerstuk van (on)bevoegde vertegenwoordiging. Verrichtte een bestuurder namens de vennootschap een rechtshandeling, maar was hij vanwege een tegenstrijdig belang onbevoegd de vennootschap daarbij te vertegenwoordigen, dan leidde dit ertoe dat de vennootschap in beginsel niet aan de rechtshandeling was gebonden. In zoverre was de rechtshandeling ten opzichte van de vennootschap als ongeldig, of anders uitgedrukt: nietig, te beschouwen; zij was dus niet vernietigbaar. [118] Mede gelet op de in beginsel externe werking van art. 2:146/256 BW (oud), aldus dat de vennootschap de daaruit voortvloeiende vertegenwoordigingsonbevoegdheid van de bestuurder aan derden kon tegenwerpen indien de daarin bedoelde tegenstrijdigheid ten tijde van het verrichten van de rechtshandeling aan de derde bekend was of had behoren te zijn, is per 1 januari 2013 [119] deze tegenstrijdigbelangregeling vervangen door een andere (art. 2:129/239 lid 6 BW en art. 2:140/250 lid 5 BW). Deze nieuwe regeling is niet langer ingebed in het leerstuk van (on)bevoegde vertegenwoordiging, maar bevat een regel voor besluitvorming door het bestuur respectievelijk de raad van commissarissen, waarbij de sanctie in geval van niet-naleving in beginsel gezocht moet worden in art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW (dus in vernietigbaarheid), niet langer in (relatieve) nietigheid. Deze nieuwe regeling is daarmee primair een interne aangelegenheid geworden (‘binnen de vennootschap’). [120] Ik wijs er nog op dat het in nr. 4.34 genoemde wetsvoorstel Wet bestuur en toezicht rechtspersonen een vergelijkbare besluitvormingsregel bevat voor verenigingsvormen (een voorgesteld art. 2:44 lid 4 BW Pro en art. 2:47 lid 5 BW Pro), waar thans nog een vertegenwoordigingsregel geldt (art. 2:47 BW Pro en art. 2:57 lid 4 BW Pro), en voor stichtingen (een voorgesteld art. 2:291 lid 4 BW Pro en art. 2:292a lid 5 BW). [121]
Herziening B.V.-recht. In nr. 4.20 verwees ik naar de per 1 oktober 2012 ingevoerde herziening van Boek 2 BW inzake het B.V.-recht, waarvan het vigerende art. 2:227 lid 7 BW Pro en art. 2:238 lid Pro 2, slotzin BW deel uitmaken. Een kenmerk van deze omvangrijke wetgevingsoperatie is de accentverschuiving van de sanctie van nietigheid (vernietiging) naar de sanctie van aansprakelijkheid, die met name zichtbaar is in het kader van regels van kapitaalbescherming. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in het vervallen van art. 2:204c BW (oud) (‘Nachgründung’), in de wijziging van art. 2:207 BW Pro (oud) (inkoop van eigen aandelen), in het vervallen van art. 2:207c BW (oud) (financiële steunverlening) en in de wijziging van art. 2:216 BW Pro (oud) (uitkeringen aan aandeelhouders). [122]
Enkele reparatieregelingen
Kamerstukken II2006/07, 31058, 3, p. 58.”
5.Behandeling cassatiemiddel
ongeacht de verschijningsvorm daarvanin de systematiek van art. 2:14 BW Pro en art. 2:15 BW Pro wél een zelfstandige grond oplevert voor vernietiging van het betreffende besluit van de algemene vergadering op de voet van art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW, maar níet dat besluit met nietigheid treft als bedoeld in art. 2:14 (lid 2) BW. Dat geldt dus óók als, kort gezegd, de algemene vergadering dat besluit “achter de rug van de bestuurder om” heeft genomen en hij die raadgevende stem daardoor “überhaupt niet heeft
kunnenuitoefenen”, zoals [eiseres] Holding ten grondslag legt aan onderdeel 1. Dit wordt niet anders als ook sprake is van een of meer andere gebreken die aan het betreffende besluit kleven als bedoeld in art. 2:15 lid 1 BW Pro: meerdere zelfstandige gronden voor vernietigbaarheid van dat besluit op de voet van art. 2:15 lid 1 BW Pro ‘tellen niet op’ tot een zelfstandige grond voor nietigheid van dat besluit als bedoeld in art. 2:14 (lid 2) BW. In het onderhavige geval brengt dit een en ander mee dat, anders dan onderdeel 1 ingang wil doen vinden met een beroep op de ontstaansgeschiedenis van art. 2:14 lid 2 BW Pro, [131] [eiseres] Holding hoe dan ook niet op grond van de wet (art. 2:227 BW Pro) of de statuten van [verweerster] Beheer (art. 22-23) ten aanzien van het ontslagbesluit van de algemene vergadering van [verweerster] Beheer van 17 juli 2017 als (ontslagen) bestuurder van [verweerster] Beheer een “beïnvloedingsgerechtigde” is waarop de wetgever met art. 2:14 lid 2 BW Pro het oog heeft gehad. Het correcte schema is hier dat van art. 2:15 BW Pro (in het bijzonder art. 2:15 lid 1 onder Pro a BW), niet dat van art. 2:14 BW Pro (met inbegrip van art. 2:14 lid 2 BW Pro). Dit alles miskent het hof niet, waar het tegen de achtergrond van rov. 6.17-6.18 [132] met betrekking tot dat ontslagbesluit concludeert in rov. 6.21:
Holding als bestuurder van [verweerster] Beheertot de aandeelhoudersvergadering van [verweerster] Beheer van 17 juli 2017 en het niet sturen van een agenda van de daarin te behandelen onderwerpen aan
[eiseres] Holding als bestuurder van [verweerster] Beheer. [135]
de bestuurder(hier mede: [eiseres] Holding) waar het gaat om art. 23 lid Pro 5, welke bepaling het hof in rov. 6.17 relateert aan art. 2:227 lid 7 BW Pro (dit voorschrift “stemt overeen met artikel 23 lid 5 van Pro de statuten van [verweerster] Beheer”). Ter zake stelt het hof in rov. 6.17 vast dat op grond daarvan “de bestuurder het recht [heeft] om zijn raadgevende stem in de aandeelhoudersvergadering te geven” en dat “vast staat dat dit niet is gebeurd”.