Conclusie
1.Feiten
Aan werknemers, van wie de werkgever van oordeel is dat zij een structureel alcohol- en/of drugsprobleem hebben, al dan niet vastgesteld met tussenkomst van de bedrijfsarts, wordt door de werkgever eenmaal hulp aangeboden via de bedrijfsarts. In overleg met voornoemde deskundige wordt een hulpplan opgesteld. De werknemer dient zijn medewerking te verlenen aan een correcte uitvoering van dit hulpplan. Tijdens dit hulptraject zal de werknemer regelmatig worden gecontroleerd (al dan niet door middel van een alcohol-, drugs- of andere test(en)) op de gemaakte afspraken.
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
(Choaibi/NS). [11] Het hangt af van de aard van de dringende, voor het ontslag op staande voet aangevoerde reden en, aangenomen dat niet reeds die aard meebrengt dat de eis van verwijtbaarheid moet worden gesteld, van de afweging van de concrete omstandigheden van het geval, of het verweer van de werknemer dat de aangevoerde dringende reden niet toereikend is voor een ontslag op staande voet omdat die gedraging hem niet valt te verwijten, doel kan treffen, zo werd in het arrest
Choaibi/NSoverwogen. Die overweging is herhaald in het arrest
Van D/Nutricia. [12] Die zaak ging over een medewerker die was ontslagen omdat hij zich vanwege overmatig alcoholgebruik ziek had gemeld. De werknemer voerde aan dat het excessieve alcoholmisbruik moest worden beschouwd als een ziekte die een gevolg was van onvrede met zijn werksituatie en een daaruit voortvloeiende depressiviteit. Onder verwijzing naar het arrest
Choaibi/NSoverwoog de Hoge Raad dat een ontslag op staande voet in beginsel ook mogelijk is indien de werknemer geen verwijt treft. In het arrest van 30 maart 2018 in deze zaak (
Dräger) heeft de Hoge Raad dit herhaald (rov. 4.3.4). [13]
Vixia/[…]volgt dat ook omstandigheden die niet direct te maken hebben met het werk in de afweging kunnen worden betrokken. [20] Het hof had in die zaak onder meer het overlijden van de moeder van de werknemer en de daarmee samenhangende depressiviteit en het alcoholprobleem meegewogen. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand.
Los Gatos/HALoordeelde de Hoge Raad echter dat indien de werkgever nalaat om de werknemer voorafgaand aan het ontslag te horen over de beweegredenen voor het bestreden handelen, dit voor diens risico komt. [21]
Van D/Nutricia. Anderzijds is een alcoholverslaving een omstandigheid die
kanleiden tot het oordeel dat geen sprake is van een dringende reden
(Vixia/[…]).
4.Bespreking van het principale cassatieberoep
nietvastgesteld dat sprake was van ziekte die aan ontslag op staande voet in de weg zou kunnen staan. Ook heeft het hof
nietvastgesteld dat sprake was van alcoholverslaving of van alcoholafhankelijkheid. Het hof heeft
welvastgesteld dat er een alcoholprobleem was en dat dit als structureel moest worden aangemerkt.
Wij zijn van mening dat er ten gevolge van zijn ernstige verslavingsprobleem problemen in zijn stemming en gedrag zijn opgetreden, waardoor cliënt niet meer in staat was om goed te functioneren in zijn werk en in de thuissituatie”;
alcoholafhankelijkheid vertoont het patroon van een chronisch recidiverend ziektebeeld.”
eerste onderdeelvan het cassatiemiddel richt zich tegen de vaststelling door het hof in rov. 3.9.1 dat Werknemer een structureel alcoholprobleem had. Het onderdeel is opgebouwd uit zeven subonderdelen.
subonderdeel 2.1.1-Iwordt betoogd dat het hof op basis van de stellingen van partijen niet heeft kunnen vaststellen dat sprake was van een ‘structureel alcoholprobleem’. Werknemer heeft weliswaar gesteld dat sprake was van ‘alcoholafhankelijkheid’ en ‘alcoholverslaving’ maar dit is door Dräger betwist. De bewijslast van de stelling dat sprake is van alcoholafhankelijkheid rust op Werknemer. Dit is door het hof miskend.
subonderdeel 2.1.1-IIis de vaststelling dat sprake is van een structureel alcoholprobleem onbegrijpelijk, omdat het partijdebat was toegespitst op de vraag of al dan niet sprake was van alcoholafhankelijkheid/verslaving. Het hof kon en mocht niet ‘uitwijken’ naar de vagere term ‘alcoholprobleem’ of ‘structureel alcoholprobleem’ en oordelen dat daarvoor niet noodzakelijk is dat komt vast te staan dat er sprake was van een alcohol
verslaving. Aldus is het hof buiten het partijdebat getreden.
afhankelijkheidof alcohol
verslavingmoet worden aangemerkt en zich heeft beperkt tot de vaststelling er dat er in elk geval sprake was van een structureel alcoholprobleem, betekent niet dat het hof buiten het partijdebat is getreden. In de stellingen van Werknemer dat hij alcoholafhankelijk/verslaafd was, ligt immers besloten dat hij een ‘structureel alcoholprobleem’ had. Daarmee faalt het subonderdeel.
subonderdeel 2.1.1-III, dat bestaat uit vijf klachten die zijn aangeduid als 2.1.1-IIIa tot en met 2.1.1-IIIe, wordt gewezen op in feitelijke instanties ingenomen stellingen. De klachten komen erop neer dat het hof, gelet op die stellingen, niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van een structureel alcoholprobleem. Het gaat om de volgende stellingen:
(2.1.1-IIIa);
(2.1.1-IIIb);
(2.1.1-IIIc);
(2.1.1-IIId);
(2.1.1-IIIe).
structureelalcoholprobleem, is dan ook zeker niet onbegrijpelijk. Dat door Dräger uitgebreid is betoogd waarom er in haar ogen geen probleem was – eigenlijk met name omdat zíj niet bekend was met de alcoholproblematiek van Werknemer – doet aan deze conclusie niet af. Het
onder 2.1.1-IIIagestelde faalt dan ook.
subonderdeel 2.1.1-IIId, waarin wordt gesteld dat het hof niet duidelijk maakt wat het precies onder een ‘structureel alcoholprobleem’ verstaat en waarom dat aan het ontslag op staande voet in de weg staat. Dat het hof niet nader definieert wat onder een ‘structureel alcoholprobleem’ moet worden verstaan en hoe zich dat verhoudt tot de gestelde alcoholverslaving, maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Uit rov. 3.9.1 is immers af te leiden dat het hof klaarblijkelijk – en niet onbegrijpelijk – van mening is dat van een structureel alcoholprobleem sprake is, wanneer iemand zich meer dan een half jaar vanwege alcoholgebruik en de daarmee gepaard gaande problemen door de huisarts en een sociaalpsychiatrisch verpleegkundige moet laten behandelen en er vervolgens ook een doorverwijzing moet plaatsvinden naar gespecialiseerde verslavingszorg.
subonderdelen 2.1.1-IIIb en 2.1.1-IIIcrichten zich tegen de overweging van het hof in rov. 3.9.1.
“Dat blijkt uit de navolgende feiten die door Dräger niet, althans niet gemotiveerd, zijn betwist.”Aangevoerd wordt dat Dräger de stelling dat Werknemer alcoholafhankelijk of –verslaafd was, wel degelijk gemotiveerd heeft betwist. Gelet op deze betwisting had het hof niet mogen concluderen dat van een structureel alcoholprobleem sprake was.
dieomstandigheden komt het hof tot de conclusie dat sprake is van een structureel alcoholprobleem. Die conclusie is in het licht van de vastgestelde feiten niet onbegrijpelijk en ook niet onvoldoende gemotiveerd. De beide subonderdelen falen dan ook.
subonderdeel 2.1.1-IIIebevat geen zelfstandige klacht en kan dus onbesproken blijven. Het voorgaande betekent dat subonderdeel 2.1.1-III in zijn geheel faalt.
subonderdeel 2.1.1-Vis het oordeel dat Werknemer een structureel alcoholprobleem heeft ook onbegrijpelijk in het licht van de stelling van Dräger, dat zij pas een structureel alcoholprobleem aanneemt en art. 4.12 van haar alcohol- en drugsbeleid van toepassing verklaart als iemand zóveel drinkt dat het door collega’s wordt opgemerkt. Pas dan kan worden gesproken van ziekte die tot arbeidsongeschiktheid leidt en die mogelijk aan opzegging (al dan niet op staande voet) in de weg staat. Aangezien de bedrijfsarts in september 2015 geen alcoholprobleem heeft vastgesteld, er zeven maanden lang niets is voorgevallen en Werknemer zelf geen melding van het probleem heeft gemaakt, was er voor Dräger geen aanleiding om het beleid van toepassing te verklaren. Het oordeel van het hof in rov. 3.9.5, dat Dräger op 17 maart 2016 een structureel alcoholprobleem had moeten vermoeden, terwijl Werknemer daar zelf geen melding van had gemaakt en er geen aanwijzingen voor waren, is dan ook onjuist, althans onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.1.1-VIais zonder nadere toelichting onbegrijpelijk wat het hof onder een structureel alcoholprobleem verstaat, nu dit kennelijk iets anders is dan Dräger er in de uitvoering van haar beleid onder verstaat. Dräger gaat er naar gangbaar taalgebruik vanuit dat alcoholafhankelijkheid en alcoholverslaving inhoudt dat sprake is van een zodanige voortdurende behoefte aan alcohol, dat men wel (telkens) moet drinken om allerhande afkickverschijnselen tegen te gaan. Daarvan zijn uiterlijke verschijningskenmerken te ontwaren. Dat was hier niet het geval. Daardoor is het oordeel van hof dat sprake was van een structureel alcoholprobleem onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.1.1-VIblijkt het hof ervan uit te gaan dat niet alleen sprake is van een chronisch alcoholprobleem, maar ook van chronische ziekte. Het hof miskent daarmee dat er verschil bestaat tussen ziekte en arbeidsongeschiktheid. In het onderhavige geval staat vast dat Werknemer zich nooit ziek heeft gemeld. Hij heeft zelfs erkend dat hij ‘niet arbeidsongeschikt was of is’. ‘s Hofs oordeel dat Werknemer een structureel alcoholprobleem had, is rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk, nu niet duidelijk is hoe dat oordeel zich verhoudt met het vaststaande gegeven dat Werknemer niet ziek of arbeidsongeschikt was.
subonderdeel 2.1.1-VIcwordt daaraan toegevoegd dat alcoholafhankelijkheid als ziekte in arbeidsrechtelijke zin pas relevant is, indien het tot arbeidsongeschiktheid leidt. Het hof heeft dit miskend.
tweede onderdeelricht zich tegen de maatstaf die het hof heeft aangelegd bij de beoordeling van de dringende reden. Het onderdeel is opgedeeld in vijf subonderdelen.
subonderdeel 2.1.2-IIaheeft het hof bovendien miskend dat de dringende reden moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het ontslag bij de werkgever bekend waren (verwezen wordt naar HR 12 februari 1999 en HR 8 oktober 2004); [26] met ontwikkelingen die daarna plaatsvinden, mag geen rekening worden gehouden. Dräger was vóór 17 mei 2016 niet bekend met de gestelde alcoholverslaving. Werknemer heeft hier tijdens zijn dienstverband geen melding van gemaakt en voorafgaand aan het ontslag ook niet. Het hof had de dringende reden dan ook met de kennis die Dräger op 17 maart 2016 had moeten beoordelen.
kanzijn. Volgens het arrest
Vixia/[…]kan een alcoholverslaving immers bij de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden worden meegewogen (zie onder 3.6). Het gaat bij die beoordeling om feiten en omstandigheden die zich ten tijde van het ontslag voordeden, zoals in subonderdeel 2.1.2-IIa met juistheid wordt gesteld. Dat heeft het hof echter niet miskend. Het hof heeft in rov. 3.9.5 immers geoordeeld dat er op 17 maart 2016 aanwijzingen waren voor een alcoholprobleem en dat Dräger op grond daarvan onderzoek had moeten doen. Als Dräger dat had gedaan, had zij toen bekend kunnen raken met het alcoholprobleem van Werknemer. Uit rov. 3.9.6 volgt bovendien dat het hof Dräger verwijt dat zij Werknemer niet heeft gehoord, waardoor zij Werknemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om van zijn problemen melding te maken. Het hof baseert zijn oordeel dus op omstandigheden ten tijde van het ontslag en niet op die van twee maanden later.
Mondriaan-beschikking vloeit voort dat bewijzen die nadien worden verkregen, door de werkgever mogen worden ingebracht (zie onder 3.4). [27] Dat geldt op grond van het beginsel van processuele gelijkheid dan uiteraard ook voor de werknemer. Het hof kon de later opgestelde berichtgeving, waarvan het hof in rov. 3.9.1 oordeelt dat deze een bevestiging zijn van de conclusie dat Werknemer een structureel alcoholprobleem heeft, dan ook in zijn oordeel betrekken.
De beide subonderdelen falen.
subonderdeel 2.1.2-IIbheeft het hof in rov. 3.9.5 bovendien miskend dat er voor Dräger geen noodzaak was tot het verrichten van onderzoek, omdat Werknemer ontkende dat hij onder invloed van alcohol was en ook niet aangaf dat hij een probleem had. Het oordeel over de dringende reden heeft in zekere mate een ‘geobjectiveerd subjectief karakter’, waarbij het vanwege de onverwijldheidseis gaat om wat de werkgever wist ten tijde van het ontslag. Zonder toelichting is dan ook onbegrijpelijk dat het hof bij de beoordeling van de dringende reden, omstandigheden betrekt die de werkgever ten tijde van het ontslag niet bekend waren. Dat Dräger op 17 maart 2016 niet met het alcoholprobleem bekend was is, anders dan het hof overweegt, dan ook wel degelijk relevant.
kanzijn. Het hof heeft geoordeeld dat Dräger, gelet op de in rov. 3.9.1 vastgestelde feiten en omstandigheden, een vermoeden van het probleem had moeten hebben en daarom nader onderzoek had moeten doen. Dat Werknemer zelf ontkende onder invloed te zijn, doet aan dat oordeel op zichzelf niet af en maakt het oordeel ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
De klacht kan niet slagen.
subonderdeel 2.1.2-IIcheeft het hof een onbegrijpelijk oordeel gegeven door geen aandacht te besteden aan de stelling dat Werknemer twee maanden na het ontslag opeens stelde alcoholverslaafd te zijn geweest en dat in de na het ontslag tussen de advocaten gevoerde gesprekken evenmin melding is gemaakt van een alcoholverslaving (verwezen wordt naar het proces-verbaal van de zitting bij het hof, p. 5).
subonderdeel 2.1.2-IIIwordt betoogd dat het hof heeft miskend dat er blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2019 voor een werkgever pas een onderzoeksplicht ontstaat, indien de werknemer voorafgaand aan het gegeven ontslag op staande voet wijst op de door de werkgever in acht te nemen medische situatie die aan een ontslag op staande voet in de weg kan staan. [28] Het lag op de weg van Werknemer om melding te maken van zijn privéproblemen. Dat heeft Werknemer niet gedaan; hij heeft integendeel aanvankelijk zelfs ontkend onder invloed te zijn. Toen door middel van een alcoholtest was aangetoond dat dat wel het geval was, gaf hij als reden dat hij de avond ervoor een feestje had gehad. Dräger had dus geen enkele reden om te vermoeden dat de medische situatie van Werknemer aan het ontslag in de weg zou staan. Het hof neemt in feite een risicoaansprakelijkheid aan voor de werkgever voor verborgen problemen en gaat daarbij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Daaraan doet niet af dat Werknemer een drankfles in zijn fietstas had.
Mondriaan-beschikking niet te lezen. In die beschikking is overwogen dat rekening moet worden gehouden met wat van Mondriaan als zorgvuldig werkgever mocht worden verwacht, wat in de omstandigheden van het geval betekende dat Mondriaan de mogelijkheid van nader medisch onderzoek naar de belemmeringen van werkneemster had moeten benutten. In dit geval heeft het hof geoordeeld dat Dräger (als zorgvuldig werkgever) zélf tot onderzoek had moeten overgaan, vanwege de in rov. 3.9.5 vermelde feiten en omstandigheden. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, zeker niet als daarbij wordt betrokken dat de bedrijfsarts Dräger in haar e-mail van 21 september 2015 had geadviseerd
‘het in de gaten te houden’,dat het
‘praten erover in deze cultuur[A-G: die van Werknemer]
beladen is’en
‘dat gezichtsverlies een grote rol speelt’. Ook in het licht van deze waarschuwing had Dräger moeten begrijpen dat zij in dit verband niet zonder meer op mededelingen van Werknemer mocht afgaan.
subonderdeel 2.1.2-IVzijn rov. 3.9.4 en 3.9.5 onbegrijpelijk (a) voor zover ze voortbouwen op de onder 2.1.2-III genoemde onjuiste rechtsopvatting, waarbij rekening wordt gehouden met na het ontslag gebleken omstandigheden en (b) voor zover het hof heeft miskend dat gemotiveerd is betwist dat sprake is van een structureel alcoholprobleem in de zin van art. 4.12 van het beleid, zoals uitgewerkt onder 2.1.1. Onder (c) wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat Dräger wel degelijk onderzoek heeft gedaan, namelijk in september 2015, waarbij Werknemer ontkende dat hij een alcoholprobleem had en de bedrijfsarts niet heeft geconstateerd dat een dergelijk probleem zich voordeed, Werknemer daarna zeven maanden zonder problemen heeft gefunctioneerd en hij zelf heeft ontkend een probleem te hebben. Verder wordt aangevoerd dat de gemotiveerde betwisting van de alcoholverslaving wordt bevestigd door het feit dat Werknemer sinds 17 maart 2016 abstinent is. Deze omstandigheden leiden ertoe dat van Dräger niet verwacht kon worden dat zij een onderzoek instelde.
2.1.2-Vais het hof met het oordeel dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden buiten het debat van partijen getreden, althans heeft het de twee-conclusieleer miskend, nu over het niet plaatsvinden van hoor en wederhoor pas in de (vorige) cassatieprocedure is geklaagd, terwijl dit uiterlijk in het appelschrift had gemoeten.
derde onderdeelbehorende
subonderdeel 2.2.3.Daarin is vermeld dat Werknemer nergens in het appelschrift heeft geklaagd dat hij niet zou zijn gehoord over het ontslag op staande voet. Pas in het vorige cassatierekest is dat voor het eerst aangevoerd.
Beide klachten falen.
subonderdeel 2.1.2-Vbmiskent het hof in rov. 3.9.6 dat het horen van een werknemer vormvrij is en dat niet is vereist dat de werknemer duidelijk wordt geïnformeerd over het voornemen om hem op staande voet te ontslaan, dat hij wordt uitgenodigd daarop te reageren of de gelegenheid krijgt om de werkgever te informeren over persoonlijke omstandigheden. De vraag of er een onderzoeksplicht geldt, hangt af van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is Werknemer gehoord. Dat Werknemer heel goed heeft begrepen wat hem werd verweten, blijkt uit zijn opmerking dat hij een feestje had gehad. Daar komt bij dat Werknemer al eerder schriftelijk was gewaarschuwd, hij bij de bedrijfsarts ontkende een probleem te hebben en dat hij in de tussenliggende periode alle mogelijkheden heeft gehad om zijn persoonlijke omstandigheden kenbaar te maken. Voor zover er in die situatie een hoorplicht op Dräger zou rusten, heeft zij daaraan ruimschoots voldaan.
kanwel een factor zijn die meeweegt. Datzelfde geldt voor de wijze waarop het gesprek is verlopen. Daaraan doet op zichzelf niet af dat het gesprek niet aan regels is gebonden. Het doel van een gesprek is om te achterhalen wat de beweegredenen van de werknemer voor het gewraakte handelen zijn geweest. Daarnaast geeft een gesprek de werkgever de mogelijkheid om te informeren naar de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zodat deze bij het besluit over een eventueel ontslag op staande voet kunnen worden betrokken. Om te bereiken dat de werknemer zijn persoonlijke omstandigheden ook daadwerkelijk naar voren brengt, is het van belang dat de werknemer weet wat de bedoeling van het gesprek is en dat het belangrijk is om die omstandigheden te melden. De overweging van het hof dat Dräger geen toepassing heeft gegeven aan hoor en wederhoor, moet tegen deze achtergrond worden gelezen. Aan die overweging kan dus niet afdoen dat Werknemer in september 2015 al was gewaarschuwd dat een herhaling van het incident rechtspositionele gevolgen kon hebben. Onderdeel 2.1.2-Vb faalt.
subonderdeel 2.2.4, behorend bij het derde onderdeel, wordt betoogd dat ook voor het beroep op de persoonlijke omstandigheden geldt dat dit geen onderdeel uitmaakt van de rechtsstrijd, omdat in het appelschrift niet was gegriefd tegen het niet honoreren van het beroep op de persoonlijke omstandigheden door de kantonrechter. Door de persoonlijke omstandigheden in zijn oordeel te betrekken, heeft het hof de twee-conclusieregel miskend.
Schrijver/Van Essen(onder 39)
. [40] Vervolgens is vermeld:
Subonderdeel 2.2.4 faalt.
onder 2.2.5is een voortbouwklacht die geen afzonderlijke bespreking behoeft. Daarmee faalt het derde onderdeel.
vierde onderdeelricht zich tegen rov. 3.11 van de beschikking waarin het hof onder meer overweegt dat Dräger ter zitting heeft verklaard dat er geen ‘hard beletsel’ bestaat tegen de terugkeer van Werknemer in zijn functie als magazijnbediende. Aangevoerd wordt
onder 2.3dat het hof hiermee buiten het partijdebat is getreden, aangezien Dräger dit niet heeft verklaard. Dat het geen hard beletsel zou zijn, is blijkens het proces-verbaal van de zitting door de advocaat van Werknemer verklaard. Deze verwees daarbij naar een verklaring van de klinisch psycholoog/psychotherapeut waar Werknemer in behandeling is. De advocaat van Dräger heeft in zijn reactie hierop het volgende verklaard:
De klacht stuit daarop af.
vijfde onderdeelziet op de afwijzing van het ontbindingsverzoek in rov. 3.16 en bestaat uit twee subonderdelen. In
subonderdeel 2.4wordt aangevoerd dat het hof de subsidiair gevorderde ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen, althans op grond van een verstoorde arbeidsrelatie, had moeten toewijzen omdat Dräger het in eerste aanleg gedane ontbindingsverzoek in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gehandhaafd en Werknemer daartegen geen verweer heeft gevoerd.
Het subonderdeel faalt.
‘ook als er veronderstellenderwijs aangenomen wordt dat [Werknemer] een alcoholpromillage van 3,52 had’. Onbegrijpelijk is dat het hof hier oordeelt dat de hoogte van het promillage in het midden kan blijven, terwijl het eerder heeft vastgesteld wat de hoogte daarvan was.
5.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
eerste onderdeelhoudt in dat, indien het hof in rov. 3.14 heeft bedoeld dat de werknemer pas een recht heeft op loon met ingang van het (veel latere) moment waarop de werkgever feitelijk gehoor geeft aan de veroordeling tot herstel, dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. In dat geval heeft het hof miskend dat wanneer de appelrechter de werkgever veroordeelt om het dienstverband met ingang van een in het verleden liggende datum te herstellen, de werknemer een loonaanspraak heeft met ingang van de hersteldatum. [42]
tweede onderdeelaangevoerd dat het hof heeft miskend dat de veroordeling tot herstel gepaard kan gaan met een veroordeling tot betaling van loon.
Amsta-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat noch het stelsel van de Wwz noch de aard van de te verrichten rechtshandeling zich ertegen verzet dat de rechter zelf de arbeidsovereenkomst herstelt, indien hierom is verzocht. Indien in het dictum van een uitspraak de arbeidsovereenkomst wordt hersteld, wordt daardoor met ingang van de hersteldatum een arbeidsovereenkomst van kracht waarvan — tenzij de rechter anders bepaalt — de inhoud gelijk is aan die van de opgezegde of ontbonden arbeidsovereenkomst. [44]
Amsta-beschikking is geoordeeld dat ook de veroordeling van de werknemer tot terugbetaling van de transitievergoeding als voorziening kan worden getroffen. [46] De rechter heeft de vrijheid om te beslissen of, en zo ja welke, voorzieningen moeten worden getroffen, zo is beslist in de
Meriant-beschikking. [47]
met terugwerkende kracht te herstellen, dit met zich meebrengt dat loon verschuldigd zal zijn vanaf de hersteldatum. Zie de memorie van antwoord: [48]
er bestond immers recht op loondoorbetaling. (…) Als de rechter de werkgever opdraagt om de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigde te herstellen, is geen sprake van een onderbreking van de arbeidsovereenkomst.
In die situatie zal de rechter derhalve ook geen voorziening hoeven te treffen omtrent de rechtsgevolgen van een onderbreking. Een dergelijk voorziening kan de rechter wel treffen als hij de werkgever opdraagt de arbeidsovereenkomst voor de toekomst te herstellen(of op een moment dat weliswaar in het verleden ligt maar na het einde van de arbeidsovereenkomst). De rechter bepaalt dan hoe omgegaan wordt met de rechtsgevolgen van de onderbreking. De rechter kan hierbij een voorziening voor de tussenliggende periode treffen. Daarbij kan de rechter een vergoeding vanwege inkomensderving toekennen. Bij de hoogte daarvan kan hij rekening houden met de WW-uitkering die de betreffende werknemer heeft ontvangen.”