Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1, samengevat, heeft het hof miskend dat art. 1 en Pro 3 BP een volledige schadevergoeding inhouden voor de schade die wordt veroorzaakt door de aanleg en instandhouding van een werk in de zin van de BP.
subonderdeel 1.3, niet exclusief voor schade als gevolg van het rijksinpassingsplan.
subonderdeel 1.2, geen wettelijke grondslag in de BP noodzakelijk terwijl dit ook geen breuk vormt met de huidige wettelijke regeling.
een aanleg of instandhouding van het werk’ wordt in het arrest van 1970 in iets andere bewoordingen herhaald, namelijk dat het moet gaan om schade als gevolg van ‘
de aanleg of instandhouding van een werk’. Een verschil is daarmee m.i. niet bedoeld.
Het bestaan van een gedoogplicht op grond van dit hoofdstuk laat onverlet het recht op schadevergoeding.”, maar het is de bedoeling dat het onderwerp schadevergoeding zal worden geregeld in de Invoeringswet Omgevingswet. Deze wet is thans bij de Eerste Kamer in behandeling.
Schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplicht als bedoeld in afdeling 10.3 of artikel 10.3, derde lid, wordt aan de rechthebbende die de schade lijdt volledig vergoed.” Deze formulering sluit aan bij art. 40 Onteigeningswet Pro. [21] De regels over schade bij gedoogplichten in afdeling 15.2 zullen voorgaan op afdeling 15.1, waarin algemene regels over nadeelcompensatie worden gegeven. [22]
tevenskan worden aangemerkt als schade als gevolg van de aanleg en instandhouding van het werk in de zin van de BP.
subonderdelen 1.1 t/m 1.3. Daarbij teken ik aan dat nog beoordeeld zal moeten worden of het rijksinpassingsplan in deze zaak inderdaad slechts, zoals Eisers betogen, de juridisch-planologische grondslag bood voor de aanleg van het werk in de zin van de BP en daarom in het kader van de bepaling van de schadeloosstelling buiten beschouwing moet worden gelaten.
(sub)onderdelen 1.4, 2 en 5, terwijl de klachten van de
(sub)onderdelen 1.5 en 3geen behandeling behoeven.
subonderdeel 4.1heeft het hof ten onrechte aansluiting gezocht bij de bepaling van schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad. In deze zaak gaat het om schade die ontstaat door het nemen van een (rechtmatige) gedoogbeschikking en de daaruit voortvloeiende schade door de aanleg en instandhouding van het werk. Daarom dient de wettelijke rente te gaan lopen vanaf het moment dat de gedoogbeschikking wordt genomen, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 4.2veronderstelt, heeft het hof in rov. 14 en 15 geen oordeel gegeven over de ingangsdatum van de wettelijke rente die verschuldigd zou zijn over een eventuele schadevergoeding wegens de waardevermindering van het perceel. Het hof gaat daar niet op in. TenneT wijst hier terecht op, maar refereert zich ook aan het oordeel van de Hoge Raad ten aanzien van subonderdeel 4.2 (s.t. nrs. 57-58).