Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Accountants zijn geen lid van de beroepsorganisatie, tenzij de accountant een wens tot lidmaatschap schriftelijk aan het bestuur kenbaar heeft gemaakt. Op iedere accountant is IFAC’s internationale regelgeving voor accountants van toepassing. Daarnaast is op hem uitsluitend van toepassing de eigen regelgeving van de publiek- of privaatrechtelijke beroepsorganisatie voor accountants, waarvan hij lid is.”, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000 per dag door de Staat te verbeuren aan [OvRAN], voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de Staat in gebreke is gebleven een het te geven bevel te voldoen;
3.Inleiding
- zijn de bepalingen uit de Wab die het verplichte lidmaatschap van de NBA voorschrijven strijdig met het bepaalde in art. 11 EVRM Pro? (
- zijn de bepalingen uit de Wab die het verplichte lidmaatschap van de NBA voorschrijven strijdig met het bepaalde in art. 6 Mw Pro? (
- is het verzuim van het hof om te beslissen op het verzoek van OvRAN om extra spreektijd met het oog op de pleitzitting in hoger beroep, althans de afwijzing van dat verzoek, strijdig met de goede procesorde, art. 6 EVRM Pro en art. 4 van Pro het Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven? (
4.Relevante regelgeving
5.Onderdeel 1 – schending van art. 11 EVRM Pro?
vrijheid van vergadering” en de “
vrijheid van vereniging”. De vrijheid van vereniging omvat ook het recht om vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten, zo blijkt uit de tekst van art. 11 lid 1 EVRM Pro. [3] Het volledige artikel luidt als volgt:
Article 11. - Freedom of assembly and association
Chassagnou en anderen tegen Frankrijkoverwoog het EHRM hierover het volgende: [5]
lex specialisvan art. 10 EVRM Pro moet worden beschouwd in zaken over grootschalige demonstraties en protestacties. [7] Kleinschalige protestacties beoordeelt het EHRM ook wel onder art. 10 EVRM Pro. [8]
positieve” vrijheid van vereniging als de “
negatieve” vrijheid van vereniging. Met de “
positieve” vrijheid van vereniging wordt gedoeld op het recht een vereniging of vakvereniging op te richten en zich daarbij aan te sluiten. [9] Onder de “
negatieve” vrijheid van vereniging wordt verstaan dat iemand niet gedwongen mag worden zich aan te sluiten bij een vereniging en evenmin mag worden benadeeld als gevolg van de keuze om geen lid te worden van een vereniging. [10] De negatieve verenigingsvrijheid blijkt niet uit de tekst van art. 11 EVRM Pro, maar is door het EHRM voor het eerst uitdrukkelijk aanvaard in het arrest
Sigurdur A. Sigurjónsson tegen IJsland. [11] In deze IJslandse zaak was de vraag aan de orde of het verplichte lidmaatschap van de ‘Frami Automobile Association’ (hierna: ‘Frami’) als wettelijke voorwaarde voor het mogen uitoefenen van het beroep van taxichauffeur (de zogenoemde ‘
closed-shop practice’) in strijd was met art. 11 EVRM Pro. Nadat het EHRM had gewezen op de toegenomen consensus met betrekking tot een negatief recht van vrijheid van vereniging op zowel nationaal als internationaal niveau en nadat het had overwogen dat het EVRM “
een living instrument [is] which must be interpreted in the light of present-day conditions”, overwoog het nadrukkelijk dat art. 11 EVRM Pro ook een negatief verenigingsrecht omvat. Het EHRM zag op dat moment echter geen aanleiding om vast te stellen of aan het positieve en het negatieve recht een gelijk gewicht dient te worden toegekend (“
to be considered on an equal footing”): [12]
Chassagnou en anderen tegen Frankrijk: [14]
een jachtvereniging – A-G] imposed on the applicants by the Loi Verdeille was an interference with the “negative” freedom of association. The Court shares that opinion and will accordingly consider the complaint under Article 11 in the light of Article 9, since protection of personal opinions is one of the purposes of the freedom of association, which implies a negative freedom of association (see the Sigurður A. Sigurjónsson v. Iceland judgment of 30 June 1993, Series A no. 264, p. 17, § 37).”
Vördur Ólofsson tegen IJsland, waarin het ging over een voor bedrijven verplichte afdracht (“
industry charge”) aan een industriële vereniging, herhaalde het EHRM dat art. 11 EVRM Pro ook de negatieve verenigingsvrijheid omvat, dat wil zeggen het recht om niet (gedwongen) lid te worden van een vereniging. [15] Tot slot kwam de negatieve verenigingsvrijheid aan de orde in de zaak
Mytilinaios en Kostakis tegen Griekenland. [16] Het ging in die zaak over het verplichte lidmaatschap van eigenaren van wijngaarden op het Griekse eiland Samos van een (wijn)coöperatie (zie over deze uitspraak nader onder 5.22).
Le Compte, Van Leuven en De Meyere tegen België. [18] In die zaak was de vraag aan de orde of de verplichting voor artsen om lid te worden van de
Ordre des médicins(een Belgische beroepsorganisatie voor artsen) strijd oplevert met het (negatieve) recht op vrijheid van vereniging in art. 11 EVRM Pro. Het EHRM beantwoordde die vraag ontkennend, omdat de
Ordre des médicinseen publiekrechtelijke organisatie is die niet kan worden aangemerkt als een “vereniging” in de zin van art. 11 EVRM Pro. De relevante overwegingen van het EHRM luiden als volgt: [19]
Ordre des médicinseen publiekrechtelijke organisatie is die niet onder de reikwijdte valt van art. 11 EVRM Pro, heeft het EHRM dus de volgende gezichtspunten – ook wel ‘
integratiecriteria’ genoemd – betrokken (zie § 64):
Le Compte-arrest nog een aanvullend criterium – ook wel het ‘
hindercriterium’ genoemd – geformuleerd: de oprichting van de
Ordre des médicinsmag namelijk niet verhinderen dat haar leden andere beroepsverenigingen oprichten of zich daarbij aansluiten. Indien dat wel het geval is, dan kan – ondanks het feit dat sprake is van een publiekrechtelijke organisatie die niet onder de reikwijdte van art. 11 EVRM Pro valt – toch sprake zijn van een schending van art. 11 EVRM Pro. Met dit aanvullende criterium beoogt het EHRM misbruik te voorkomen. Het EHRM overwoog in dit verband dat totalitaire regimes in het verleden zijn overgegaan – en nog steeds overgaan – tot het gedwongen onderbrengen van beroepen in gesloten en exclusieve organisaties die de plaats innemen van beroepsorganisaties en de traditionele vakverenigingen (zie § 65). Dat wil het EHRM dus voorkomen.
Le Compte-arrest is ook het arrest
Sigurdur A. Sigurjónsson tegen IJslandvan belang. [20] Zoals hiervoor vermeld (zie onder 5.7), was in dat arrest de vraag aan de orde of het verplichte lidmaatschap van de ‘Frami Automobile Association’ (hierna: ‘Frami’) als wettelijke voorwaarde voor het mogen uitoefenen van het beroep van taxichauffeur (de zogenoemde ‘
closed-shop practice’) in strijd was met art. 11 EVRM Pro. Met betrekking tot de vraag of ‘Frami’ een “vereniging” is als bedoeld in art. 11 lid 1 EVRM Pro overwoog het EHRM het volgende: [21]
1. Whether Frami was an “association”
Sigurdur A. Sigurjónsson tegen IJslandkwam het EHRM tot het oordeel dat het verplichte lidmaatschap van ‘Frami’ in strijd was met het negatieve recht op vrijheid van vereniging in art. 11 EVRM Pro (zie § 33-35). Bovendien was volgens het EHRM niet voldaan aan de in lid 2 gestelde voorwaarden voor beperking van dit recht, omdat niet kan worden gezegd dat de beperking evenredig was aan het daarmee nagestreefde legitieme doel, te weten een goede uitvoering van publieke, toezichthoudende, taken door Frami (zie § 38-41).
Chassagnou en anderen tegen Frankrijk [23] moest het EHRM beoordelen of sprake was van een ‘vereniging’ in de zin van art. 11 EVRM Pro. Het ging in die zaak om de vraag of de verplichting van kleine landeigenaren in Frankrijk om lid te zijn van de plaatselijke jachtvereniging (een zogenoemde ‘ACCA’), in strijd is met art. 11 EVRM Pro. Het EHRM verduidelijkte dat het begrip ‘vereniging’ in art. 11 EVRM Pro autonoom moet worden uitgelegd (“
possesses an autonomous meaning”). De omstandigheid dat een organisatie naar het nationale recht kwalificeert als een publiekrechtelijke dan wel privaatrechtelijke organisatie, is dus niet bepalend en vormt slechts een vertrekpunt voor de beantwoording van de vraag of zij als een “
association for the purposes of Article 11 of the Convention”moet worden aangemerkt, aldus het EHRM (zie § 100). Na toepassing van de gezichtspunten uit het
Le Compte-arrest, kwam het EHRM tot het oordeel dat de ACCA’s moeten worden aangemerkt als ‘verenigingen’ in de zin van art. 11 EVRM Pro. Daarbij achtte het EHRM in het bijzonder van belang dat sprake was van een vereniging waarvan particuliere jagers deel uitmaakten en die in beginsel uit vrije wil hun belangen hadden verenigd. Ook overwoog het EHRM dat de jachtverenigingen geen bestuurlijke, regelgevende of toezichthoudende taken hadden, zoals het geval is bij beroepsverenigingen. Het enkele feit dat de jachtverenigingen bij wet waren ingesteld, nam volgens het EHRM niet weg dat zij een overwegend privaatrechtelijk karakter hebben. Evenmin achtte het EHRM doorslaggevend dat een bestuursorgaan toezicht hield op de wijze waarop de vereniging opereerde. Volgens het EHRM was dat element niet voldoende om aan te nemen dat de vereniging is geïntegreerd in de structuren van de Staat (zie § 101-102).
A. Applicability of Article 11
ratione materiaewith the provisions of the Convention.
whether they are associations for the purposes of Article 11 of the Convention.
Reports of Judgments and Decisions1998-I, pp. 18-19, § 33).
It is true that the ACCAs owe their existence to the will of Parliament, but the Court notes that they are nevertheless associations set up in accordance with the Law of 1 July 1901, and are composed of hunters or the owners of land or hunting rights, and therefore of private individuals, all of whom,a priori, wish to pool their land for the purpose of hunting.
mutatis mutandis, the Le Compte, Van Leuven and De Meyere v. Belgium judgment of 23 June 1981, Series A no. 43, pp. 26-27, § 64).
Furthermore, it cannot be maintained that under the Loi Verdeille ACCAs enjoy prerogatives outside the orbit of the ordinary law, whether administrative, rule-making or disciplinary, or that they employ processes of a public authority, like professional associations.
Schneider tegen Luxemburg. [25] Schneider is eigenaresse van een stuk grond dat door een Luxemburgse wet is ingedeeld in een van de jachtgronden van het jachtsyndicaat van Troisvierges. Schneider heeft echter ethische bezwaren tegen de jacht en verzocht de voorzitter van het jachtsyndicaat daarom haar land niet meer op te nemen in het jachtgebied. Enkele maanden later besloot de algemene vergadering van het syndicaat echter om het jachtcontract met negen jaar te verlengen, welk besluit werd bekrachtigd door de minister van Milieu. Schneider klaagde bij het EHRM dat sprake is van schending van art. 11 EVRM Pro. Het EHRM overwoog in de eerste plaats dat de Luxemburgse jachtsyndicaten moeten worden aangemerkt als “verenigingen” in de zin van art. 11 EVRM Pro. Hoewel zij hun bestaan te danken hebben aan de wetgever, geldt dat zij bestaan uit particulieren en niet zijn geïntegreerd in de structuur van de staat, aldus het EHRM. Het EHRM oordeelde vervolgens dat het verplichte lidmaatschap van het jachtsyndicaat voor een ethisch tegenstandster van de jacht een schending van het negatieve recht op vrijheid van vereniging oplevert. De relevante overwegingen van het EHRM luiden als volgt: [26]
2. Appréciation de la Cour
mutatis mutandis, Chassagnou, précité,§ 101). De même, il ne saurait être soutenu que les syndicats de chasse jouissent en vertu de la loi de 1925 de prérogatives exorbitantes du droit commun, tant administratives que normatives ou disciplinaires, ou qu'elles utilisent des procédés de la puissance publique, à l'instar des ordres professionnels.
mutatis mutandis, Chassagnou, précité, § 103).
Herrmann tegen Duitsland [27] ging het om de vraag of het verplichte lidmaatschap van een jachtvereniging in strijd was met het negatieve recht op vrijheid van vereniging in art. 11 EVRM Pro. Het EHRM beoordeelde allereerst of de jachtvereniging kwalificeerde als ‘vereniging’ in de zin van art. 11 EVRM Pro. Het EHRM beantwoordde die vraag in deze zaak echter – in tegenstelling tot in de ‘jachtzaken’
Chassagnouen
Schneider– ontkennend: [28]
3. Assessment by the Court
Schneider, cited above, § 69). Under the case-law of the Court, elements in determining whether an association is to be considered as private or public are: whether it was founded by individuals or by the legislature; whether it remained integrated within the structures of the State, whether it was invested with administrative, rule-making and disciplinary power, and whether it pursued an aim which was in the general interest (see, mutatis mutandis,
Le Compte, Van Leuven and De Meyere v. Belgium, 23 June 1981, § 64, Series A no. 43).
Landof Rhineland-Palatinate are established by law in the form of public law associations. They are subject to the control of the hunting authority and their internal statutes are subject to the approval of that authority. Furthermore, hunting associations are allowed to issue cost orders by administrative acts, which are executed by the public exchequer.
a contrario, Schneider, cited above, § 100).
Landof Rhineland-Palatinate have to be regarded as public law institutions. It follows that Article 11 of the Convention is not applicable in the instant case. Consequently, this complaint is incompatible
ratione materiaewith the provisions of the Convention within the meaning of Article 35 § 3 and must be rejected in accordance with Article 35 § 4 of the Convention.”
Le Compte-arrest (§ 76). In het kader van de toepassing van deze gezichtspunten overweegt het EHRM dat de betreffende jachtverenigingen bij wet zijn ingesteld in de vorm van publiekrechtelijke verenigingen, dat zij zijn onderworpen aan het toezicht van een bestuursorgaan op het terrein van de jacht en dat de statuten door dit bestuursorgaan moeten worden goedgekeurd. Bovendien kunnen de jachtverenigingen door middel van bestuursrechtelijke besluiten heffingen instellen, die worden geïnd door de fiscus (§ 77). Gelet op deze omstandigheden, is het EHRM van oordeel dat de jachtverenigingen zijn onderworpen aan een overheidstoezicht dat verder strekt dan het toezicht dat normaal gesproken over privaatrechtelijke verenigingen wordt uitgeoefend, en dat de jachtverenigingen voldoende zijn geïntegreerd in de structuren van de Staat om deze te kunnen kwalificeren als publiekrechtelijke organisaties. Bovendien streven de organisaties een algemeen belang na, te weten het beheren en beschermen van de wildpopulatie, aldus het EHRM. Tot slot overweegt het EHRM dat er geen enkele aanwijzing is dat de wetgever de jachtverenigingen bewust als “publiekrechtelijk” heeft gekwalificeerd om aan de werking van art. 11 EVRM Pro te ontkomen (§ 78). Het EHRM komt daarom tot de conclusie dat art. 11 EVRM Pro in dit geval niet van toepassing is. Het daarop betrekking hebbende onderdeel van de klacht van Herrmann is daarom niet-ontvankelijk (§ 79).
Mytilinaios en Kostakis tegen Griekenland [30] beoordeelde het EHRM aan de hand van de hiervoor genoemde integratiecriteria of sprake was van een publiekrechtelijke organisatie waarop art. 11 EVRM Pro niet van toepassing is. Klagers, de eigenaars van twee grote wijngaarden op het Griekse eiland Samos, waren verplicht lid van een coöperatie waaraan zij al hun druiven moesten leveren. De coöperatie produceerde en verhandelde vervolgens de van die druiven gemaakte wijn. Klagers, die zelf wijn wilden maken en verkopen, stelden bij het EHRM dat de verplichte aansluiting bij de coöperatie in strijd is met het negatieve recht op vrijheid van vereniging in art. 11 EVRM Pro. Het EHRM beoordeelde allereerst of de coöperatie een “vereniging” is in de zin van art. 11 EVRM Pro. In dit verband overwoog het EHRM dat het doel van de coöperatie is om de kwaliteit en bijzondere kenmerken van de wijn te beschermen. Volgens het EHRM waren de organisatie en het optreden van de coöperatie daarbij aanvankelijk onderworpen aan (financieel) overheidstoezicht, maar is de constructie in de loop van de tijd veranderd. Sinds 2011 is het toezicht sterk verminderd, waarbij er geen duidelijk effect meer is voor het dagelijks functioneren van de coöperatie. Het EHRM oordeelde dan ook dat in dit geval geen sprake is van een vereniging die is geïntegreerd in de structuren van de Staat. Ook oefent de coöperatie volgens het EHRM geen duidelijke administratieve, regelgevende en disciplinaire taken uit. Gelet op die omstandigheden kwam het EHRM tot het oordeel dat art. 11 EVRM Pro van toepassing is en dat klagers ontvankelijk zijn in hun klacht. De relevante overwegingen van het EHRM luiden als volgt: [31]
2. L’appréciation de la Cour
Herrmann c. Allemagne, no 9300/07, § 76, 20 janvier 2011).
Chassagnou et autres, précité, la Cour a estimé que les associations communales de chasse agréée constituaient des “associations” au sens d’article 11 de la Convention. Elle est arrivée à cette conclusion après avoir constaté que si elles devaient leur existence à la volonté du législateur, ces associations étaient composées de particuliers désireux de regrouper leurs terrains pour la pratique de la chasse. Elle a relevé, en outre, que ces associations n’avaient pas de prérogatives exorbitantes de droit commun et n’utilisaient pas des procédés de la puissance publique et que la tutelle exercée par le préfet ne suffisait pas pour affirmer que ces associations étaient intégrées aux structures de l’Etat.
Hermann, précité, la Cour a considéré que rien n’indiquait que le législateur allemand, en classant les associations de chasse parmi les associations publiques ou para-administratives, visait exclusivement à les soustraire à l’empire de l’article 11. À cet égard, la Cour a constaté que ces associations étaient soumises au contrôle de l’autorité de la chasse qui approuvait aussi leur statut, qu’elles étaient habilitées à réclamer l’acquittement de droits par la voie d’actes administratifs qui étaient exécutés par le Trésor public et qu’elles visaient un but qui servait l’intérêt général.
nietvan toepassing is op een publiekrechtelijke organisatie. Daarbij is niet doorslaggevend of de betreffende organisatie volgens het nationale recht een publiekrechtelijk dan wel privaatrechtelijk karakter heeft. Die nationale kwalificatie vormt – gelet op de autonome uitleg – slechts een vertrekpunt bij de beoordeling of een organisatie moet worden aangemerkt als ‘vereniging’ in de zin van art. 11 EVRM Pro. Uit de hiervoor besproken uitspraken blijkt verder dat het EHRM aan de hand van de volgende gezichtspunten (de ‘integratiecriteria’) beoordeelt of sprake is van een publiekrechtelijke organisatie: [32]
further requirement” dat, ook als sprake is van een publiekrechtelijke organisatie – en daarmee geen sprake is van een ‘vereniging’ in de zin van art. 11 EVRM Pro – haar bestaan niet eraan in de weg mag staan dat haar leden een andere (beroeps)vereniging vormen of zich daarbij aansluiten, wil zij geen schending van art. 11 EVRM Pro opleveren.
Herrmann tegen Duitsland(Vijfde Kamer) en
Mytilinaios en Kostakis tegen Griekenlandaf dat de belangrijkste criteria voor de kwalificatie als publiekrechtelijke organisatie zijn gelegen in het kunnen uitoefenen van publiekrechtelijke bevoegdheden ter behartiging van een algemeen belang en het geïntegreerd zijn van de organisatie in de structuren van de Staat. [33] Zij merkt in dit verband op dat het EHRM in de zaak
Herrmann tegen Duitslandveel waarde hecht aan het feit dat sprake was van een vrij vergaand toezicht door de overheid op de taakuitoefening. Dit kan volgens haar ook blijken uit het feit dat het EHRM er in die zaak waarde aan hechtte dat bij de Duitse jachtverenigingen een bevoegdheid is neergelegd voor het instellen van heffingen, die door de fiscus worden geïnd. Tot slot constateert zij dat het EHRM in die zaak waarde hecht aan de aard van de doelstellingen, die een algemeen belang betreffen. Zij besluit met de opmerking: “
Waar verenigingen dus primair tot doel hebben om publiekrechtelijke taken te behartigen, en daartoe ook het vereiste instrumentarium krijgen aangereikt, vallen zij buiten het bereik van het EVRM.” [34] Met betrekking tot het arrest
Mytilinaios en Kostakis tegen Griekenlandstelt Gerards dat het EHRM in die zaak het nagenoeg ontbreken van overheidstoezicht als een belangrijke factor heeft aangemerkt bij het bepalen van het rechtskarakter van de vereniging (de wijncoöperatie), samen met het ontbreken van duidelijke bevoegdheden voor de coöperatie om regulerend op te treden of om tuchtrechtelijke maatregelen te treffen. Deze twee factoren lijken daarmee voor het EHRM doorslaggevend te zijn geweest, aldus Gerards. [35]
Le Compte, Van Leuven en De Meyere tegen België, [36] maar ook uit verschillende (niet-)ontvankelijkheidsbeslissingen [37] kan worden afgeleid dat beroepsverenigingen, zoals medische beroepsgenootschappen, ordes van architecten, ordes van advocaten en notariskamers, doorgaans als publiekrechtelijke organisaties worden aangemerkt en daarmee buiten de reikwijdte van art. 11 EVRM Pro vallen. [38] Gerards schrijft hierover het volgende: [39]
Beroepsverenigingen, jachtverenigingen en soortgelijke organisaties hebben veelal specifieke bevoegdheden en wettelijke taakstellingen waar het gaat om, bijvoorbeeld, tuchtregels en het vaststellen van interne regelingen. In die gevallen zijn de verenigingen als het ware uitvoeringsorganen voor regelgeving. Het is dan niet mogelijk om aan de verplichte werking van die regulering te ontkomen door met een beroep op art. 11 EVRM Pro het lidmaatschap van de vereniging te weigeren.”
O.V.R. tegen Rusland. [40] In die zaak klaagde een notaris dat haar bij wet verplichte lidmaatschap van een regionale notariële beroepsorganisatie (“
Notary Chamber”), op straffe van licentieverlies, strijd oplevert met art. 11 EVRM Pro. Het EHRM verklaarde de notaris echter niet-ontvankelijk in haar verzoek, omdat de betreffende beroepsorganisatie een publiekrechtelijk orgaan is en (dus) geen “vereniging” in de zin van art. 11 EVRM Pro. Het EHRM overwoog daartoe als volgt (mijn onderstreping): [41]
Le Compte, Van Leuven and De Meyere v. Belgiumjudgment of 23 June 1981, Series A no. 43 pp. 26-27, §§62-66).
ratione materiaewith the provisions of the Convention, pursuant to Article 35 §§ 3 and 4.”
A. en anderen tegen Spanje [42] is het vermelden waard. A. en anderen waren lid van de “Saragossa Bar Association”, de bij wet ingestelde Spaanse Orde van Advocaten. Als beginnende advocaten waren zij daarnaast verplicht lid van de “Young Lawyers’ Groep” (hierna: de Jonge Balie), die onderdeel uitmaakt van de Orde. Het ging in deze zaak om de vraag of de artikelen 64 lid 3 en 113 sub g van de Wet op de Orde van Advocaten (Royal Degree No. 2090/82) in strijd zijn met het recht op vrijheid van vereniging in art. 11 EVRM Pro. Art. 64 lid 3 hield Pro, kort samengevat, in dat de Orde toezicht uitoefent op de activiteiten van de Jonge Balie en art. 113 sub g bepaalde Pro dat het oprichten of deelnemen aan een organisatie met dezelfde doelstellingen als de Orde een serieuze tuchtrechtelijke overtreding oplevert. De Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (hierna: de Commissie) stelde in de eerste plaats vast dat de Orde en de Jonge Balie publiekrechtelijke organen zijn: [43]
volstrekt bevredigend” is, behoefde deze gebrekkige motivering volgens hem niet tot cassatie te leiden. [48] Het oordeel van het hof dat de NBA als publiekrechtelijk orgaan moet worden aangemerkt, is naar zijn oordeel namelijk wel juist, gelet op de omstandigheid dat (in de woorden van de A‑G): [49]
de relevante feiten” van deze zaak zou hebben betrokken, maar zich uitsluitend zou hebben gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2016. Die veronderstelling is echter niet juist. Het hof heeft zijn oordeel zeker niet uitsluitend gebaseerd op dit arrest van de Hoge Raad. Dat blijkt in de eerste plaats uit rov. 19, tweede volzin, waar het hof zich aansluit bij het oordeel van de rechtbank in rov. 4.11 en 4.12 en dat oordeel tot het zijne maakt. De rov. 4.11 en 4.12 van het rechtbankvonnis luiden als volgt:
Zoals ook voortvloeit uit de hiervoor weergegeven feiten, is de NBA (…)”, waarna het overgaat tot een toepassing van de ‘integratiecriteria’ op de feiten en omstandigheden van dit geval.
welkefeiten tot een andere, van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2016 afwijkende, beslissing hadden kunnen of moeten leiden.
Chassagnou e.a. tegen Frankrijk– waarnaar het subonderdeel verwijst – overweegt het EHRM dat moet worden voorkomen dat verdragsstaten een organisatie buiten het toepassingsbereik van art. 11 EVRM Pro kunnen brengen door deze, kort samengevat, als publiekrechtelijk te kwalificeren. [53] Anders dan het subonderdeel veronderstelt, betreft deze overweging echter niet zozeer de strekking van art. 11 EVRM Pro, maar dient deze ter onderbouwing van het oordeel dat het begrip ‘vereniging’ voor de werking van art. 11 EVRM Pro autonoom moet worden uitgelegd. Dat betekent dat de kwalificatie van een organisatie naar nationaal recht niet doorslaggevend is, maar slechts een vertrekpunt vormt voor de beoordeling of sprake is van een “
association for the purposes of Article 11 of the Convention”, zo blijkt uit het
Chassagnou-arrest. Nu het hof in de onderhavige zaak aan de hand van de in het arrest
Le Compte, Van Leuven en De Meyere tegen Belgiëontwikkelde – en in latere rechtspraak van het EHRM herhaalde – ‘integratiecriteria’ heeft beoordeeld of de NBA een ‘vereniging’ is voor de werking van art. 11 EVRM Pro – en het dus is uitgegaan van een autonome uitleg – heeft het hof op juiste wijze getoetst of art. 11 EVRM Pro van toepassing is. Daarin ligt besloten dat het hof de strekking van art. 11 EVRM Pro niet heeft miskend.
Le Compte-arrest: [54] “
Totalitarian régimes have resorted - and resort - to the compulsory regimentation of the professions by means of closed and exclusive organisations taking the place of the professional associations and the traditional trade unions. The authors of the Convention intended to prevent such abuses”,geldt dat deze overweging betrekking heeft op misbruiksituaties. Gesteld noch gebleken is dat daarvan in dit geval sprake is. Dat hiervan geen sprake is in dit geval, volgt overigens ook uit de omstandigheid dat het hof het beroep van OvRAN op het ‘hindercriterium’ heeft verworpen. Het hof overwoog in dit verband dat het de leden van de NBA vrij staat om elders een vereniging te vormen en/of daarvan lid te zijn (rov. 21).
Sigurdur A. Sigurjónsson tegen IJsland, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke wijze dat arrest dan wel het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex een toelichting zou kunnen vormen op de klacht in subonderdeel 1.3.
I.het toezicht op de wettelijke controle wordt gedaan door een ander staatsorgaan, AFM (Autoriteit Financiële Markten).
II.Het opleidingstoezicht wordt uitgevoerd door een onafhankelijke staatscommissie,
III.Als gewoon onderdeel van de rechtelijke macht heeft een gespecialiseerde rechtbank in Zwolle, de accountantskamer, het externe tuchtrecht overgenomen naast het eigen tuchtrecht van de NBA die zelf de rechters benoemt.
Le Compte-arrest. Het hof heeft die stelling beoordeeld in rov. 20 en kwam tot de conclusie dat aan die criteria is voldaan. In dat oordeel ligt dan ook besloten dat het hof de subonderdeel genoemde stelling van OvRAN heeft verworpen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk (zie ook hierna onder 5.46 e.v. bij de bespreking van subonderdeel 1.4).
in abstractote verwijzen naar de in zijn arrest vastgestelde feiten ter motivering van zijn beslissing dat zou zijn voldaan aan de integratiecriteria. Gesteld wordt dat het hof bij de toetsing aan de integratiecriteria in ieder geval ten onrechte geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan de volgende essentiële stellingen van OvRAN:
- i) de NBA niet het algemeen belang dient omdat de overgrote meerderheid van de actieve NBA leden geen openbaar account is en
- ii) de NBA vooral de belangen van de grote accountantskantoren (de ‘big four’) dient en verordeningen vaststelt die de grote kantoren bevoordeelt, hetgeen een gevolg is van het stemoverwicht van die grote kantoren in het bestuur van de NBA.
onder (i)genoemde stelling heeft de Staat aangevoerd dat het feit dat bepaalde NBA-leden ervoor kiezen geen werkzaamheden te verrichten als openbaar accountant, maar wel hun titel willen behouden, niet afdoet aan het algemene publieke belang bij de bescherming van de accountantstitel. Als een accountant de titel RA of AA voert, moet de maatschappij ervan uit kunnen gaan dat de accountant ter zake kundig is en onderworpen is aan beroepsnormen die de kwaliteit van de werkzaamheden garanderen, aldus de Staat. Dit geldt volgens de Staat niet alleen voor de openbare accountants die wettelijke controles uitvoeren, maar ook voor accountants die andere accountantsopdrachten uitvoeren. [59] De fundamentele beginselen, zoals neergelegd in de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGA), zijn van toepassing wanneer de accountant werkzaamheden verricht waarbij hij zijn vakbekwaamheid aanwendt, waaronder tevens werkzaamheden op het terrein van financiële verslaglegging, administratieve organisatie, bedrijfseconomie en belastingen worden verstaan (art. 1 VGA Pro), zo heeft de Staat aangevoerd. [60] Het fundamentele beginsel van professionaliteit strekt zich zelfs uit over gedragingen van een accountant buiten het verrichten van een professionele dienst (art. 3 VGA Pro), aldus de Staat. Volgens de Staat laat dit zien dat de regelgeving van de NBA een breed toepassingsbereik heeft en voorziet in vereisten voor alle accountants die de accountantstitel dragen. De stelling van OvRAN dat het publieke belang ook gediend kan worden met enkel het toezicht van de AFM op wettelijke controles door openbare accountants is dan ook onjuist, aldus de Staat. [61]
onder (ii)vermelde stelling van OvRAN is door de Staat gemotiveerd betwist. [62] De Staat heeft zich daarbij in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat een discussie over de wijze van totstandkoming van de – volgens OvRAN de grote (‘big four’) kantoren, ten opzichte van haar leden, bevoordelende – regelgeving thuishoort in de ledenvergadering van de NBA, het orgaan dat bevoegd is de verordeningen van de NBA vast te stellen, en (dus) niet in deze procedure tegen de Staat. [63]
onder (ii)vermelde stelling van OvRAN.
6.Onderdeel 2 – schending art. 6 Mededingingswet Pro?
er niet aan afdoet dat de Staat onrechtmatig kan handelen door concurrentievervalsing te faciliteren”.
onder 1vermelde stelling van OvRAN is te vinden in haar pleitnota in appel punt 53. Daar staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:
MvT WAB pag. 20 Democratie, bevoegdheden ledenvergadering en beroepsreglementering
productie 6 bij MvG” – zie de eerste volzin van het eerste citaat – doelt OvRAN kennelijk op de producties 6a tot en met 6d die zij heeft overgelegd bij de akte houdende overlegging producties en verandering/wijziging c.q. precisering van de grondslagen van de eis van 22 februari 2018. [71] Deze producties bevatten een aantal tuchtklachten tegen drie bestuursleden van de NBA die verbonden zijn aan de zogeheten OOB-kantoren [72] en het verzoek van de Stichting Wakkere Accountant aan de NBA om deze klachten in te dienen bij de Accountantskamer, alsmede de reactie daarop van de NBA. In de gedingstukken is echter niet toegelicht op welke wijze deze tuchtklachten een onderbouwing kunnen vormen van de stelling dat de Staat welbewust een bijlage bij de Verordening op het Bestuur goedkeurde, in strijd met art. 12 lid 6 Wab Pro, inhoudende dat een evenwichtige bestuurssamenstelling is vereist. Ook zelf kan ik die niet afleiden uit de tuchtklachten (zie productie 6d).
In dupliek, al dan niet op vragen van het hof, verklaartmr. M.L. Batting– zakelijk en puntsgewijs weergegeven – voorts, als volgt: (…)
concreteregelgeving de NBA de mededinging zou beperken en/of vervalsen.
onder 2vermelde stelling geldt het volgende. Het middel stelt met juistheid dat tussen partijen niet in geschil is dat de NBA voor de toepassing van de mededingingsregels kwalificeert als “ondernemersvereniging”. [74] Het hof heeft dit bij zijn oordeel echter ook tot uitgangspunt genomen. Dat blijkt onder meer uit de weergave van de stellingname van OvRAN in rov. 31: “
Volgens ORAN heeft de Staat echter wel een ondernemingsvereniging (de NBA) in het leven geroepen, welke (…)”. Het oordeel van het hof in rov. 32 moet zo worden gelezen, dat OvRAN onvoldoende heeft toegelicht (a) welk besluit (gedragsregels en/of verordeningen) van de NBA
als ondernemersverenigingertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt of vervalst [75] en (b) op welke wijze dat aan de Staat kan worden toegerekend. [76] Het is om die reden dat het hof het betoog van OvRAN dat de Staat concurrentievervalsing faciliteert (en daarmee onrechtmatig handelt), heeft verworpen. Onjuist of onbegrijpelijk is dat oordeel niet.
concrete– volgens OvRAN concurrentievervalsende – besluiten van de NBA door de Staat zijn goedgekeurd, althans niet zijn vernietigd. Met andere woorden, de enkele stelling dat uit art. 34 Wab Pro volgt dat bepaalde besluiten van NBA goedkeuring van de minister behoeven en uit art. 35 Wab Pro volgt dat alle verordeningen en andere besluiten van de NBA bij koninklijk besluit worden vernietigd, is volgens het hof onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een rechtens relevant verband tussen het handelen van de NBA enerzijds en het aan de Staat verweten onrechtmatig handelen anderzijds.
7.Onderdeel 3 – verzoek om spreektijdverlenging bij pleidooizitting hof
Veel argumenten aan de orde”. In voetnoot 12 op pagina 8 van de procesinleiding is vermeld dat in het roljournaal van het hof de bevestiging van de goede ontvangst van het verzoek is terug te vinden:
19-09-2017 Appellant voor fourneren t.b.v. pleidooi. Appellant fourneert t.b.v. pleidooi + verhinderdata van beide partijen overgelegd + vraagt afwijkende spreektijd van 45 minuten.”
Mr. Delahaijelicht de zaak toe overeenkomstig zijnpleitaantekeningen, die hij heeft overgelegd, met dien verstande dat wegens de spreektijd onderdelen ervan worden overgeslagen. Deze onderdelen worden door de griffier en raadsheren doorgestreept, waarna de aldus akkoord bevonden pleitnota in het griffiedossier wordt gevoegd.”
4.4 Spreektijd
wegens de spreektijd” onderdelen van de pleitnota worden overgeslagen, maar onduidelijk is of dit een respons is op het verzoek om spreektijdverlenging, of dat het hof heeft volstaan met de constatering dat het integraal voordragen van de pleitnota de spreektijd zou overschrijden en daarom niet werd toegestaan.
voorafgaandaan de pleidooizitting beslist op een verzoek om verlenging van spreektijd. Bij de voorbereiding en het opstellen van de pleitnotities moet een advocaat immers weten waar hij aan toe is en hoeveel tijd hij heeft voor het voordragen van de pleitnota. Voor zover het subonderdeel erover klaagt dat dat in dit geval niet is gebeurd (en de advocaat van OvRAN pas op de zitting werd geconfronteerd met de feitelijke afwijzing van verlenging van de spreektijd), is die klacht op zichzelf dan ook terecht. Kennelijk is het verzoek bij het hof vóór de zitting over het hoofd gezien, althans is verzuimd daarop tijdig een beslissing te nemen.
wegens de spreektijd” stukken uit de pleitnota over te slaan, en hij het hof daarbij gewezen heeft op zijn eerdere verzoek om spreektijdverlenging. Door OvRAN is in cassatie niet aangevoerd dat het proces-verbaal op dit punt onvolledig of onjuist zou zijn. Ook blijkt uit het proces-verbaal niet dat door de advocaat naar voren is gebracht dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het verzoek was toegewezen en/of dat hij daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen, bij afwezigheid van een tijdige expliciete beslissing van het hof op het verzoek om spreektijdverlenging. Verder is niet gebleken (en dit wordt in cassatie ook niet aangevoerd) dat de advocaat van OvRAN voorafgaand aan de zitting contact heeft opgenomen met (de griffie van) het hof vanwege het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om spreektijdverlenging. Onder deze omstandigheden zie ik geen aanleiding om consequenties te verbinden aan het verzuim van het hof om een tijdige beslissing te nemen op het verzoek om spreektijdverlenging. Door niet tijdig voor de zitting te informeren naar een beslissing op het verzoek om spreektijdverlenging, heeft de advocaat van OvRAN het risico aanvaard dat dit verzoek bij het hof was blijven liggen en op de zitting mogelijk alsnog zou worden afgewezen. Bovendien heeft hij zich tijdens de zitting kennelijk bij de gang van zaken neergelegd, althans daartegen niet enig kenbaar bezwaar gemaakt. Daardoor was er voor het hof ook geen aanleiding om te zoeken naar een andere oplossing voor het probleem. Hierbij is te denken aan het geven van toestemming om wel de gehele pleitnota als processtuk te overleggen (zonder dat deze integraal is voorgedragen), [82] gecombineerd met het geven van gelegenheid aan de wederpartij daarop nog te reageren, het bieden van de mogelijkheid tot een schriftelijke aktewisseling na pleidooi of, eventueel, een nieuwe mondelinge behandeling. Maar, zoals gezegd, zo ver is het niet gekomen. Van strijd met de goede procesorde en/of met art. 6 EVRM Pro is geen sprake. De klachten in subonderdeel 3.1 falen derhalve.
subonderdeel 3.2tot uitgangspunt dat er in cassatie veronderstellenderwijs van moet worden uitgegaan dat het hof het verzoek om spreektijdverlenging heeft afgewezen. Geklaagd wordt dat die afwijzing blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat OvRAN hierdoor is geschaad in het processuele belang om haar argumenten (afdoende) te kunnen toelichten. Althans dat die afwijzing, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is, in het licht van de vaststaande omstandigheden dat er slechts om een beperkte verlenging van de spreektijd is verzocht (met vijftien minuten) en dat het verzoek – voldoende – is gemotiveerd, doordat erop is gewezen dat er veel argumenten aan de orde zijn.
konimmers wel haar standpunt mondeling toelichten. En als zij tijdig voor de zitting had geweten dat zij geen verlenging had gekregen, had zij zich kunnen instellen op de kortere duur van haar spreektijd. Hieruit blijkt ook dat het probleem in de onderhavige zaak meer erin zit dat OvRAN
vooraf niet wistdat zij geen toestemming zou krijgen voor meer spreektijd, dan in de spreektijd die haar uiteindelijk werd toebemeten. Bovendien is te constateren dat er grote verschillen zijn in de spreektijd die advocaten op een pleidooizitting van het hof krijgen; soms is dat een half uur, maar soms ook (veel) korter. [99] Naar mijn mening bestaat er geen recht op een
bepaaldeminimum spreektijd; zolang (i) partijen van te voren weten waar zij aan toe zijn; (ii) beide partijen gelijk behandeld worden en (iii) de spreektijd niet zodanig kort is, dat het recht om ten overstaan van de rechter het standpunt mondeling te bepleiten, wezenlijk wordt aangetast. Als aan deze voorwaarden is voldaan, is een beperkte spreektijd niet in strijd met de goede procesorde en/of art. 6 EVRM Pro.
veel argumenten aan de orde”), nog daargelaten dat niet gebleken is dat OvRAN ter zitting het hof heeft geïnformeerd over de redenen die zij had voor haar verzoek om verlenging van spreektijd.