3.Het eerste middel
4. Het middel klaagt over de bewijsvoering van het bewezenverklaarde witwassen en bevat blijkens de toelichting op het middel twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat het geld dat de verdachte bij zich had, van misdrijf afkomstig is. De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte het geld dat hij bij zich had, heeft verhuld.
5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 16 augustus 2016 op Eindhoven Airport (als passagier van de ingekomen vlucht vanuit Bologna (Italië)), in de gemeente Eindhoven, van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (tot een totaalbedrag van euro 37.350) de werkelijke herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf”.
6. De aanvullende bewijsoverweging houdt het volgende in:
“Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis, eerste lid, onder a Sr opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen een voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als uit het door het openbaar ministerie aangedragen bewijs feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid die van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het voorwerp, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp.
Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt vast dat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen direct bewijs voorhanden is voor een aantoonbaar gronddelict. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat bij de aanhouding van verdachte op 16 augustus 2016 een geldbedrag van in totaal € 37.350,- is aangetroffen, bestaande uit 5 biljetten van € 100, 466 biljetten van € 50, 596 biljetten van € 20 en 163 biljetten van € 10. Van verdachte zijn geen legale inkomstenbronnen bekend. Ook heeft verdachte aangegeven geen spaargeld te hebben.
Op grond daarvan acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp.
Verdachte heeft over de herkomst van het geld bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg verschillende verklaringen afgelegd die maar ten dele overeenkomen en elkaar op essentiële punten tegenspreken. Zijn verklaring is ook niet verifieerbaar gebleken. In hoger beroep heeft verdachte verklaard dat het een strafmaatappel betreft en geen opheldering gegeven voor de herkomst van het geld.
Het hof is, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de wisselende verklaringen die de verdachte heeft afgelegd omtrent de herkomst van het geld niet kunnen worden aangemerkt als een verklaring, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.”
7. De eerste deelklacht keert zich tegen het onderdeel van de bewijsvoering dat het geld dat de verdachte bij zich had, ‘van misdrijf afkomstig’ is. Het hof heeft in zijn aanvullende bewijsoverweging uiteengezet dat en waarom er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. De door het hof gevolgde redenering sluit aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr). In HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352,NJ2019/298 m.nt. N. Rozemond, is de eerdere jurisprudentie als volgt samengevat: “2.3.2. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.”
8. In de onderhavige zaak heeft het hof geoordeeld dat “de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd omtrent de herkomst van het geld niet kunnen worden aangemerkt als een verklaring die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is”. Tegen dit oordeel is de eerste deelklacht gericht omdat het volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk is.
9. Allereerst wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet is af te leiden “waar die verklaringen [van de verdachte] verschillend zijn en hoe die elkaar zouden tegenspreken”. Inderdaad heeft het hof in zijn arrest niet de verklaringen van de verdachte weergegeven waaraan het hof de gevolgtrekking heeft verbonden dat deze “verschillen” en “maar ten dele overeenkomen en elkaar op essentiële punten tegenspreken”,terwijl indien met een gevolgtrekking wordt volstaan zonder dat de onderliggende redengevende feiten en omstandigheden worden opgenomen, niet wordt voldaan aan het wettelijk motiveringsvereiste inzake een bewezenverklaring.In dit geval hoeft dit verzuim mijns inziens – bij gebrek aan belang − niet tot cassatie te leiden omdat de verdachte ter terechtzitting van het hof als “zijn bezwaren tegen het vonnis”slechts heeft opgegeven dat hij de in eerste aanleg opgelegde straf te zwaar acht en zijn raadsvrouw in aanvulling daarop heeft verklaard dat de verdachte “het feit niet bekent, maar dat hij de veroordeling voor dit feit wel accepteert”, terwijl de politierechter in zijn vonnis uitvoerig heeft aangegeven “waar de verklaringen van de verdachte verschillend zijn en hoe die elkaar zouden tegenspreken”.
10. Voorts wordt aangevoerd dat uit de bewijsvoering van het hof niet is af te leiden waarom de verklaringen van de verdachte “niet verifieerbaar” zijn gebleken, terwijl de verdachte, naar het oordeel van de steller van het middel, zijn verklaring verifieerbaar heeft gemaakt door tenminste één van die verklaringen van een identiteitsbewijs te voorzien en hij van andere personen heeft aangegeven dat en onder welke naam zij in de telefoonlijst op zijn telefoon te vinden waren. Daarmee is het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte “ook niet verifieerbaar [is] gebleken” onbegrijpelijk.
11. Het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte niet verifieerbaar is gebleken, is echter allerminst onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij blijft bij de verklaring die hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd, terwijl hij ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard:
“Degenen die mij geld hebben overhandigd, staan in de contactenlijst van mijn mobiele telefoon. Ik ben door verschillende mensen gebeld in Italië toen ik het geld kon komen ophalen. Ik ben toen naar deze personen gegaan om het geld op te halen. Een van deze personen staat in mijn telefoon onder de naam [betrokkene 1] . Dit is de vrouw van [betrokkene 2] . Ik heb maar van twee mensen een verklaring over kunnen leggen, omdat ik met de andere mensen geen contact meer heb kunnen krijgen. Ik heb alle mensen waarvan ik geld heb gekregen, geprobeerd te bellen. Bij sommige mensen kreeg ik geen gehoor. Degenen die ik wel aan de telefoon heb gekregen heb ik uitgelegd dat het geld in beslag is genomen door de politie. Ik heb toen ook aan die mensen gevraagd of zij mij een bewijs van het geleende geld konden overhandigen. Ze hebben hiermee ingestemd, maar ik heb niks van die mensen mogen ontvangen. Ik heb daarna weer geprobeerd contact op te nemen met die mensen, maar toen kreeg ik geen gehoor meer. Ik heb nog steeds dezelfde telefoon en hetzelfde telefoonnummer als toentertijd.”
12. Tot slot wordt het onbegrijpelijk genoemd dat het hof heeft overwogen dat de verdachte in hoger beroep “geen opheldering heeft gegeven voor de herkomst van het geld”. Deze klacht faalt eveneens. Ik wil wel geloven dat de verdachte vanuit zijn perspectief vindt dat hij opheldering heeft gegeven over de herkomst van het geld, maar het hof heeft met de overweging dat de verdachte “geen opheldering heeft gegeven voor de herkomst van het geld”, niet onbegrijpelijk aangegeven dat die verklaring vanuit het perspectief van het hof de herkomst van het geld niet heeft opgehelderd.
13. De eerste deelklacht faalt.
14. De tweede deelklacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte het geld dat hij bij zich had, heeft ’verhuld’.
15. Voor de beoordeling van deze klacht wijs ik op de uitleg die aan het bestanddeel “verhullen” is gegeven in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat resulteerde in de wet waarbij art. 420bis Sr werd ingevoerd.
“Bij de in het eerste lid, onderdeel a, strafbaar gestelde gedraging gaat het om al die handelingen die tot doel hebben èn geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of verhullen. De strafbaarstelling geeft niet nader aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. De termen «verbergen» en «verhullen» impliceren dus een zekere doelgerichtheid: het handelen is erop gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enz. van voorwerpen te bemoeilijken en is ook geschikt om dat doel te bereiken. Veelal zal bij een enkele handeling ten aanzien van een voorwerp nog niet van een dergelijk doelgerichtheid kunnen worden gesproken. Vaak zal het gaan om een reeks van handelingen, die tezamen een geval van witwassen opleveren. Dit betekent dat voor het bewijs van het verbergen of verhullen vaak naar meer handelingen (transacties) in het witwastraject zal moeten worden gekeken. Uit alle stappen tezamen moet duidelijk worden dat er (zonder redelijke economische grond) met geld is geschoven op een manier die geschikt is het spoor aan de waarneming te onttrekken. Juist die ondoorzichtigheid van de opeenvolgende transacties brengt mee dat werkelijke aard, herkomst, vindplaats, rechten enzovoort buiten beeld blijven. Het voorgaande sluit niet uit dat onder omstandigheden ook een enkele handeling verbergen of verhullen zou kunnen opleveren, hoewel in zo’n geval waarschijnlijk eerder gesproken kan worden van een van de gedragingen genoemd in het eerste lid, onderdeel b, van de artikelen 420bis en 420quater […].
Over de termen «verbergen of verhullen» kan nog het volgende worden opgemerkt. In plaats van de in richtlijn 91/308/EEG voorkomende, wat verouderde term «verhelen» is de term «verbergen» gekozen. «Verbergen» en «verhullen» zullen elkaar grotendeels overlappen. Van een volstrekt onzichtbaar maken van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort behoeft geen sprake te zijn. Als dat zo zou zijn, zou het zelden tot een strafvervolging kunnen komen. Van «verhullen» – volgens Van Dale synoniem voor «versluieren» – zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De trits feiten die volgens de richtlijn verhuld kunnen worden (werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of eigendom van voorwerpen), is in zijn geheel in artikel 420bis, eerste lid, onder a, overgenomen. Veelal zullen feiten samenvallen, dat wil zeggen tezamen door een en dezelfde witwashandeling worden verhuld. Zo zal het verbergen of verhullen van de vervreemding of de verplaatsing vaak neerkomen op het verbergen van de vindplaats of de rechthebbende. Met het verbergen of verhullen van de «werkelijke aard» van het voorwerp wordt bedoeld het voorwenden van een andere aard dan de werkelijke (bijvoorbeeld gelden worden gepresenteerd als de winst uit een legaal bedrijf, terwijl ze in werkelijkheid uit drugshandel afkomstig zijn). Toegevoegd is het verbergen of verhullen van degene die het voorwerp voorhanden heeft. Hierbij gaat het om degene die het voorwerp feitelijk tot zijn beschikking heeft. Vaak laten witwasconstructies er namelijk geen twijfel over bestaan wie in juridische zin rechthebbende op het voorwerp is, maar zijn ze er juist op gericht te verhullen wie feitelijk de beschikkingsmacht over het voorwerp heeft.”
16. Gelet op voormelde wetsgeschiedenis heeft de Hoge Raad eerder al vastgesteld dat “verbergen” en “verhullen” als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht te bemoeilijken op onder meer de herkomst van voorwerpen en dat die gedragingen tevens geschikt moeten zijn om dat doel te bereiken.
17. In de onderhavige zaak volgt uit de bewijsvoering van het hof dat de verdachte het geld had verstopt in de voering van een koffer. Hieraan verandert niet dat – zoals wordt aangevoerd – het geld “niet op ingenieuze wijze in de koffer [was] verstopt maar in een ruimte die kenmerkend is voor een koffer als deze (trolley) waarbij via een rits in de binnenvoering toegang tot het frame/kofferonderdelen (trekstangen) kan worden verkregen.” De voering van een koffer is niet “kenmerkend” als opbergplaats voor geld, en helemaal niet “geklemd achter de trekstangen” waar het werd aangetroffen (bewijsmiddel 1). Bovendien vereist verhullen niet dat de vindplaats “volstrekt onzichtbaar” is gemaakt omdat het bij het stellen van een dergelijke eis “zelden tot een strafvervolging [zou] kunnen komen”, zoals in de memorie van toelichting werd opgemerkt. Hier komt bij dat de koffer verder vrijwel leeg was (bewijsmiddel 1: de koffer voelde erg licht aan) zodat het ‘opbergen’ van het geld in de voering erop wijst dat het geld is verhuld. Dat is toch echt iets anders dan geld dat in een envelop in een slaapkamer lag en in een schoudertas die de verdachte droeg, zat, zoals het geval was in de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014 waarop een beroep wordt gedaan.Het gebruik van een bestaande bergplaats voor andere doeleinden zoals in de voering van een koffer, doet mij eerder denken aan de bankbiljetten die werden aangetroffen achter de binnenbekleding van een portier van een Renault Megane, in een zaak waarin ook bewezen was verklaard dat het geld was verhuld.
18. De tweede deelklacht faalt.
19. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.