Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Daarvan is in de onderhavige situatie sprake. Overigens verschillen de tarieven van woningen op recreatieterreinen en die aan de woning van belanghebbende is toegekend naar evenredigheid niet zoveel van elkaar. Het tarief dat is toegekend aan de woning van [belanghebbende] is € 1.620,- met een waarde meer dan € 140.000,-. Voor een niet afzonderlijk gewaardeerde woning op een recreatiepark wordt € 225,- opgelegd. Dat is een factor 7. Dat komt aardig overeen met het waardeverschil.”
3.Het geding in cassatie
Allereerst dient ervoor de toepassing van art. 16 onderdeel Pro e Wet WOZ sprake te zijn van een terrein dat bestemd is voorverblijfsrecreatie dat als zodanig ook wordt geëxploiteerd. A-G IJzerman en de Hoge Raad zijn van mening dat het er om gaat dat kan worden vastgesteld dat er sprake is van één recreatieterrein dat objectief bezien als zodanig wordt geëxploiteerd. (ECLI:NL:PHR:2016:1255 en ECLI:NL:HR:2017:262). Immers de eigenaren zijn niet vrij om zelfstandig inkleuring aan de exploitatie te geven en zijn dientengevolge beperkt in hun gebruiksmogelijkheden. Tegen die achtergrond is in objectieve zin een onderscheid tussen de recreatiewoningen op parken en recreatiewoningen niet op parken, verdedig- en uitlegbaar Bovendien, de groep van belastingplichtigen die in de hiervoor gememoreerde vangnetregeling zouden gaan vallen betreft in het overgrote deel van de gevallen gemeubileerde woningen in de vorm van stacaravans. In die (forfaitaire) regeling is het niet onredelijk om rekening te houden met het feit dat deze gemeubileerde woningen de onderkant van de markt zijn. Mede gezien het gebruik van de standaard Recron contracten is de juridische situatie op de recratieterreinen op zijn minst onduidelijk. Stacaravans zijn veelal via natrekking geen eigendom meer van de gebruikers van de gemeubileerde woningen (zie ook Rb Midden Nederland, 26 maart 2020, vindplaats ECLI:NL:RBMNE:2020:1266). Daarnaast moeten gebruikers van die stacaravans ook nog een bijdrage betalen voor de standplaats en bijkomende parklasten. Feitelijk is er dan sprake van gebruik zonder eigendom tegen behoorlijke kosten. Gezien de verschillende feitelijke-, juridische- en waarde-aspecten voor deze categorie is een geheel eigen heffingswijze binnen de verordening te rechtvaardigen. Aangehaalde uitspraak bevestigt overigens de problematiek rondom recreatieterreinen. Het vraagstuk dat dan resteert is of de twee verschillende regelingen in strijd met de rechtsbeginselen zijn opgenomen. Het Hof heeft tussen de categorieën een veel te grote vergelijkbaarheid aangenomen. En bovenstaande miskend. Dat komt in de motivering van de middelen als rode draad terug. Op grond van het bovenstaande is in zijn algemeenheid een aparte afwijkende forfaitaire regeling voor deze categorie gerechtvaardigd en het gekozen (lagere) bedrag van € 225,- ook niet onevenredig. Het zijn op grond van het bovenstaande ook (in ieder geval) geen gelijke gevallen.
in zijn algemeenheidde volstrekte onderkant van de markt waarvoor het noodzakelijk is een andere insteek te kiezen.
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
(…)
(…)
Drie beginselen van fiscale rechtsbescherming(FM nr. 77), p. 297, Deventer: Kluwer 1996, aangegeven dat de gevallen ten eerste dezelfde (feitelijke) kenmerken moeten hebben en ten tweede onder dezelfde wettelijke bepaling gerangschikt moeten kunnen worden. Het wettelijk kader wordt aldus tot uitgangspunt genomen, want dit wettelijk kader bepaalt ook welke kenmerken relevant zijn. Wordt reeds in de wet een bepaald onderscheid gemaakt, dat ertoe leidt dat de gevallen verschillend worden behandeld, dan kan in de uitvoeringssfeer niet meer worden gesproken van gelijke gevallen, en kan ook het gelijkheidsbeginsel in beginsel niet meer aan de orde komen. Hooguit kan betoogd worden dat sprake is van een onevenredig ongelijke behandeling van ongelijke gevallen (…)
5.Beoordeling van de door het College aangevoerde cassatiemiddelen
De waardering van een recreatieterrein zal in beginsel plaatsvinden op de waarde die daaraan kan worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (waarde in het economisch verkeer; op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ). [35]
(…)
In die (forfaitaire) regeling is het niet onredelijk om rekening te houden met het feit dat deze gemeubileerde woningen de onderkant van de markt zijn. Mede gezien het gebruik van de standaard Recron contracten is de juridische situatie op de recreatieterreinen op zijn minst onduidelijk. Stacaravans zijn veelal via natrekking geen eigendom meer van de gebruikers van de gemeubileerde woningen (zie ook Rb Midden- Nederland, 26 maart 2020, vindplaats ECLI:NL:RBMNE:2020:1266). Daarnaast moeten gebruikers van die stacaravans ook nog een bijdrage betalen voor de standplaats en bijkomende parklasten. Feitelijk is er dan sprake van gebruik zonder eigendom tegen behoorlijke kosten. Gezien de verschillende feitelijke-, juridische- en waarde-aspecten voor deze categorie is een geheel eigen heffingswijze binnen de verordening te rechtvaardigen. Aangehaalde uitspraak bevestigt overigens de problematiek rondom recreatieterreinen. Het vraagstuk dat dan resteert is of de twee verschillende regelingen in strijd met de rechtsbeginselen zijn opgenomen. Het Hof heeft tussen de categorieën een veel te grote vergelijkbaarheid aangenomen. En bovenstaande miskend. Dat komt in de motivering van de middelen als rode draad terug. Op grond van het bovenstaande is in zijn algemeenheid een aparte afwijkende forfaitaire regeling voor deze categorie gerechtvaardigd en het gekozen (lagere) bedrag van € 225,- ook niet onevenredig. Het zijn op grond van het bovenstaande ook (in ieder geval) geen gelijke gevallen.
De Hoge Raad oordeelde in het arrest van 18 oktober 2013 dat bij de rechtelijke toetsing aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van Pro het IVBPR en in artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM het uitgangspunt dient te zijn dat aan de formele wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Een in formele wetgeving gemaakt onderscheid dient in principe door de rechter te worden geëerbiedigd, tenzij dat van elke redelijke grond ontbloot is. [45]