Conclusie
1.Overzicht
primairdat bij de bepaling van de boekwaarde van de woning begin 2008 de aanschafwaarde in 1999 uitgangspunt is, maar daarop geen afschrijvingen in aftrek komen omdat de belanghebbende vóór 2008 nooit aangifte heeft gedaan en niet belastingplichtig was. Ik vat deze stelling op als inhoudende dat zij geacht wil worden te hebben gekozen voor een waarderingsstelsel
zonderafschrijving. De vraag is of goed koopmansgebruik dat toestaat. Uit oude rechtspraak volgt dat een ondernemer zijn bedrijfsmiddelen mag waarderen op de waarde in het economische verkeer (WEV) op balansdatum in plaats van op kostprijs minus afschrijving of lagere bedrijfswaarde. Recentere rechtspraak lijkt die stelselkeuzevrijheid te bevestigen.
subsidiaire stelling in middel Iniet aan snee, maar ik ga er volledigheidshalve op in. Die stelling is dat als wél afgeschreven moest worden, die inhaalafschrijving volgens de foutenleer niet vóór 2008 plaatsvindt, maar in het oudste openstaande boekjaar (2008), zodat die afschrijving in 2008 niet alleen de boekwaarde, maar ook de jaarwinst verlaagt, zodat de omvang van de afschrijving irrelevant is: zij verhoogt weliswaar de boekwinst, maar verlaagt tegelijk de exploitatiewinst met hetzelfde bedrag, zodat per saldo de winst 2008 ter zake van de woning bestaat uit de verkoopprijs 2008 minus de aankoopprijs in 1999.
BNB2001/3, over een ten onrechte nooit geactiveerd melkquotum dat inmiddels niets meer waard was. U paste de foutenleer ook toe op afschrijvingsfouten: door activeringsverzuim gemiste afschrijving op een bedrijfsmiddel (dat nog steeds op de balans zou moeten staan) kan alsnog in het oudste nog openstaande boekjaar ingehaald worden. Belanghebbendes geval verschilt echter van HR
BNB2001/3 omdat die belastingplichtige wél in alle voorgaande jaren aangifte had gedaan en wél was aangeslagen. De belanghebbende heeft niets aangegeven en is evenmin van ambtswege aangeslagen. Zij kan in die niet-gedane aangiften en niet-verantwoorde jaren dus ook geen fouten gemaakt hebben (afgezien van haar aangifteverzuim als zodanig), laat staan foutenleerfouten die doorwerken in de voor die jaren niet-bestaande fiscale balansen.
bijdat EV de ontvangen huur (€ 1.800 per maand in 2000-2007) en gaat ervan
afde afschrijving ad 2,5% van de kostprijs (€ 6.239 per jaar). Gegeven de vastgestelde feiten is de ontvangen huur kennelijk steeds in hetzelfde jaar onttrokken door de DGA. Per jaareinde omvat het EV geen huuropbrengst meer, want die is onttrokken, ofwel om kosten te voldoen, ofwel om het DGA-belang te dienen. De eindbalans van elk jaar heeft voor zover het om de ontvangen huur en de betaalde kosten gaat dus een ‘kas/bank’ ad nihil. Dat betekent dat aan het einde van elk boekjaar een EV ter zake van de woning resteert ad (
nis het aantal jaren sinds 1999) kostprijs minus (
nkeer de jaarlijkse) afschrijving. Nu de partijen geen afschrijvingsgegevens hebben ingebracht, mocht het Hof de afschrijving mijns inziens in goede justitie bepalen op 2,5% per jaar. In deze benadering moet in 2007 en 2008 wel de afschrijvingsbeperking ex art. 3:30a Wet IB 2001 toegepast worden, hetgeen denkelijk impliceert dat in die jaren niet afgeschreven kan worden, maar om dat vast te stellen, moet de WOZ-waarde per 1 januari 2007 bekend zijn, die het Hof niet heeft vastgesteld. Ook in deze subsidiaire benadering moet dus vernietigd en verwezen worden.
cassatiemiddel II, over het beweerdelijke formeel niet correct ontvangen zijn van een uitnodiging tot het doen van aangifte Vpb 2014 en
cassatiemidel III, over de wegingsfactor voor de forfaitaire proceskostenveroordeling, beide ongegrond.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
Limited company) opgericht naar het recht van Gibraltar. Bij de feitenrechter is onder meer getwist over de vraag waar haar feitelijke leiding werd uitgeoefend omdat die plaats bepaalt of zij binnenlands belastingplichtig was (belast over het wereldinkomen; zie art. 2 Wet Pro Vpb) of buitenlands belastingplichtig (slechts belast voor Nederlandse-broninkomen, zie artt. 3, 17 en 17a Wet Vpb). Het Hof heeft (r.o. 4.13) voor de belastingjaren 2008 t/m 2011 geoordeeld dat de feitelijke leiding in Nederland was gevestigd. De belanghebbende stelt dat feitelijke oordeel niet meer ter discussie, zodat in cassatie vast staat dat zij in die jaren binnenlands belastingplichtig was. Ik meen overigens dat zij hoe dan ook in Nederland belastingplichtig was, ook in de jaren vóór 2008, omdat zij sinds 1999 eigenaar was van een Nederlandse woning die zij verhuurde tot aan de verkoop van die woning in 2008. In cassatie staat niet meer ter discussie ‘s Hofs oordeel (r.o. 4.28 en 4.29) dat die woning juridisch en economisch belanghebbende toebehoorde. Zij was dus van 1999 t/m 2008 hoe dan ook minstens buitenlands belastingplichtig ex art. 17 en Pro 17a Wet Vpb, gegeven de Nederlandse ligging van de woning.
[B] Ltd(een andere vennootschap waarvan de DGA directeur was) daarvan € 134.743,35,
i.e.het saldo van “koopsom registergoed” ad € 249.579,12 verminderd met onder meer “Afl. hypotheek tbv ING per 7/3/2000 incl. dagrente”.
€ 56.155
€ 193.424
3.Het geding in cassatie
BNB2016/192 te onderzoeken of de uitnodiging volgens alle formele vereisten naar het juiste adres is verzonden; en
middel Ivoert de belanghebbende primair aan dat het Hof een stelling onbesproken heeft gelaten die bij aanvaarding tot een ander oordeel zou hebben geleid, nl. dat de belanghebbende geen afschrijvingen ten laste van haar winst kon brengen, nu zij nooit aangifte heeft gedaan, noch in de heffing is betrokken. De inspecteur heeft volgens haar ook geen bewijs van daadwerkelijke afschrijving geleverd, maar enkel een theoretische stelling ingenomen. ’s Hofs (on)aannemelijkheidsoordeel mist daarom haars inziens feitelijke grondslag. Subsidiair stelt zij dat het Hof ook een andere essentiële stelling onbehandeld heeft gelaten, nl. dat als wél alsnog afgeschreven moet worden, die inhaalafschrijving volgens de foutenleer valt in het oudste nog openstaande boekjaar, dus in 2008. Als inhaalafschrijving is aangewezen, komt die dus niet alleen in mindering op de boekwaarde (de koopprijs) van de woning, maar ook op de belastbare winst 2008, zodat er per saldo niets gebeurt: niet alleen de boekwaarde, maar ook de winst 2008 wordt verminderd met de inhaalafschrijving ad € 56.155, waardoor per saldo de jaarwinst gelijk blijft aan het verschil tussen verkoopprijs (€ 400.000) en aanschafprijs (€ 249.579), dus € 150.421.
middel IIvoert de belanghebbende aan dat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat zij ook formeel correct uitgenodigd is tot het doen van aangifte Vpb 2014 en dat haar terecht een verzuimboete is opgelegd wegens niet-doen van aangifte. Dat het accountantskantoor [D] namens haar heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte Vpb 2014, impliceert volgens haar niet dat een formeel geldige uitnodiging is ontvangen, nu dit kantoor niet haar gemachtigde was, noch anderszins een door haar aangewezen toezendadres was.
middel IIIvoert de belanghebbende aan dat het Hof, nu hij diverse zaken van de belanghebbende en haar DGA heeft gevoegd, ten onrechte de wegingsfactor voor de forfaitaire proceskostenveroordeling niet op 2, maar op slechts 1,5 heeft gesteld. Zij meent dat het Hof dit minst genomen beter had moeten motiveren.
verweerbetoogt de Staatssecretaris ad
middel Idat, nu het Hof de belanghebbende ook voor de jaren 1999 t/m 2007 als binnenlands belastingplichtig heeft aangemerkt, zij de jaarwinst moet bepalen op basis van goed koopmansgebruik en dus rekening moet houden met afschrijving op de woning. Nu de partijen op dat punt geen bewijs hebben geleverd, kon het Hof de afschrijving in goede justitie bepalen. Ad
middel IImeent hij dat het Hof zonder schending van het recht of zijn motiveringsplicht op het namens de belanghebbende gedane verzoek om aangifte-uitstel – waarin niet werd opgemerkt dat zij niet correct zou zijn uitgenodigd – kon baseren dat de belanghebbende correct is uitgenodigd tot het doen van aangifte 2014. Ter zake van
middel IIImerkt de Staatssecretaris op dat het Hof de zaakzwaarte als gemiddeld (wegingsfactor 1) heeft aangemerkt en vervolgens, omdat het om 4 of meer samenhangende gemiddelde zaken ging, die factor op 1,5 heeft bepaald, zodat al een verhoging is toegekend voor het feit dat het om meer samenhangende zaken ging.
4.Middel I: Geen afschrijving? Of inhaalafschrijving met foutenleer?
Primaire stelling: geen afschrijving
zonderafschrijving voor de litigieuze woning. De vraag is dan of goed koopmansgebruik dat toestaat. Goed koopmansgebruik is recht in de zin van art. 79(1)(b) Wet RO, art. 8:69(2) Awb en art. 25 Rv Pro. en moet dus van ambtswege toegepast worden, anders dan de belanghebbende lijkt te menen. De vraag wat goed koopmansgebruik inhoudt (eist of toelaat), behoeft dus geen bewijs, eveneens anders dan de belanghebbende lijkt te menen.
BNB1985/187 [5] en HR
BNB2005/208 [6] lijken juist die stelselkeuzevrijheid te bevestigen, mits het gekozen stelsel vervolgens consistent wordt toegepast: het kan uiteraard niet incidenteel verlaten worden.
BNB2001/3. [8] Dat arrest betrof een in 1985 door een ondernemer verkregen en ten onrechte niet geactiveerd melkquotum. Niet in geschil was dat het quotum bij de verkrijging fl. 351.163 waard was en dat het in het geschiljaar (1994/1995) inmiddels tot nihil zou zijn afgeschreven als het wél was geactiveerd. De vraag was of het quotum in het oudste nog openstaande boekjaar (1994/1995) alsnog op de fiscale balans kon/moest komen en zo ja, voor welk bedrag. Bij die laatste vraag was in geschil of de niet genomen afschrijvingen alsnog ten laste van de fiscale winst 1994/1995 konden/moesten komen. U beantwoordde beide vragen bevestigend:
BNB2001/3. In HR
BNB2001/3 was de
opbrengstvan het melkquotum wél steeds belast geweest in eerdere jaren: die belastingplichtige stond wél op de radar van de fiscus, had in alle voorgaande jaren wél aangifte gedaan en was wél aangeslagen. Die belastingplichtige had dus aangiften gedaan en balansen opgesteld waarin fouten konden zitten. Onze belanghebbende daarentegen heeft niets aangegeven en is evenmin van ambtswege aangeslagen. Zij kan in die niet-gedane aangiften en niet-verantwoorde jaren dus ook geen fouten gemaakt hebben (afgezien van haar aangifteverzuim als zodanig), laat staan fouten die doorwerken in de voor die jaren niet-bestaande fiscale balansen.
nietkan worden toegepast): het eigen vermogen (EV) ter zake van het appartementsrecht bedraagt in 1999 € 249.579 (de kostprijs).
Bijdat EV komt in elk jaar tot 2008 de ontvangen huur (€ 1.800 per maand in 2000-2007) [9] en ervan
afgaat de afschrijving, door het Hof in goede justitie gesteld op 2,5% van de kostprijs (€ 6.239 per jaar) en andere kosten. Gegeven de vastgestelde feiten moet er mijns inziens in cassatie vanuit gegaan worden dat de ontvangen huur steeds in hetzelfde boekjaar is gebruikt om kosten (rente) te voldoen en voor het overige is onttrokken door de DGA, zodat de hoogte van de huur eigenlijk niet ter zake doet voor de bepaling van het EV aan het einde van elk jaar, evenmin als de omvang van de kosten die uit die ten onrechte niet-verantwoorde huur betaald zijn: per jaareinde omvat het EV geen huuropbrengst meer, want die is alweer verdwenen in kosten en direct of indirect DGA-belang. De eindbalans van elk jaar heeft – voor zover het om de ontvangen huur en de betaalde kosten gaat - dus een ‘kas/bank’ ad nihil. Dat betekent dat aan het einde van elk boekjaar een EV ter zake van de woning resteert ad (
nis het aantal jaren sinds 1999) kostprijs minus (
nkeer de jaarlijkse) afschrijving. Dat is het resultaat waartoe het Hof is gekomen.
5.Beoordeling van middel II
formeelrechtsgeldig uitgenodigd te zijn tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting 2014, zodat zij daartoe niet verplicht was en die verplichting dus ook niet kon schenden. Zij stelt (i) dat niet in geschil was of haar een ‘verzoek’ tot het doen van aangifte had bereikt (zij geeft dus toe dat het haar wel degelijk heeft bereikt), maar of “dit verzoek” wel voldeed aan de formele eisen van het op art. 6(1) AWR gebaseerde art. 4a Uitvoeringsregeling AWR, nu niet kan worden uitgesloten dat dit niet het geval was; en (ii) dat de Inspecteur, hoewel de belanghebbende heeft gesteld nooit een formele uitnodiging tot het doen van de aangifte Vpb 2014 te hebben ontvangen, geen bewijs heeft overgelegd van verzending van een formele uitnodiging. Zij acht het daarom onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat zij was uitgenodigd tot het doen van aangifte.
BNB2016/192 [12] bijvoorbeeld overwoog u:
aankomstvan de uitnodiging dan overlegging van een
verzendadministratie. Nu de belanghebbende toegeeft dat de uitnodiging haar materieel heeft bereikt, komt dit middel mijns inziens neer op excessief formalisme. Vast staat dat de belanghebbende door de inspecteur onmiskenbaar duidelijk is gemaakt dat zij aangifte 2014 moest doen. Daarmee is aan doel en strekking van de eis van een uitnodiging voldaan.