Conclusie
Nummer18/04972
De zaak
Bespreking van de middelen
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, mede in het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd. Meer in het bijzonder bevat het middel verschillende klachten over het bewijs van de valsheid (feit 1) dan wel het valselijk opmaken (feit 2) van de in de bewezenverklaring genoemde facturen.
en
twaalf (12) facturen van [medeverdachte 2] gericht aan haar, verdachte, ten bedrage van in totaal circa Euro 134.343,75 (exclusief btw) (te weten D-1130 en D-1131 en D-1132 en D-1133 en D-1134 en D-1135 en D-1136 en D-1137 en D-1138 en D-1139 en D-0424 en D-0425)
zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl zij, verdachte, telkens wist dat dat geschrift bestemd was tot gebruik als ware dat geschrift echt en onvervalst, en bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin
2. zij in de periode van 20 november 2010 tot en met 31 december 2012 in Nederland
tweede middelbehelst de klacht dat het hof zijn oordeel dat de verdachte wist dat de facturen bestemd waren voor het gebruik als waren deze echt en onvervalst (feit 1) en dat de verdachte het oogmerk had de facturen als echt en onvervalst te gebruiken (feit 2), mede in het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, ontoereikend heeft gemotiveerd.
derde middelbevat de klacht dat het hof het onder 1 bewezen verklaarde ten onrechte, althans met een ontoereikende motivering heeft gekwalificeerd als “opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”. [22]
vierde middelbehelst de klacht dat het hof de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde (deelneming aan een criminele organisatie) ontoereikend heeft gemotiveerd.
Criminele organisatie
Deelneming
Conclusie
NJ2018/169, merk ik het volgende op. Het ging in deze zaak om een samenwerkingsverband tussen alleen de verdachte en de rechtspersoon waarvan hij de enige bestuurder, aandeelhouder en werknemer was. De Hoge Raad oordeelt dat niet valt in te zien dat de verdachte deel uitmaakte van een samenwerkingsverband van hem als natuurlijke persoon met de rechtspersoon, met welke hij klaarblijkelijk moet worden vereenzelvigd. Een dergelijke situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor, aangezien het hof – niet onbegrijpelijk – heeft vastgesteld dat de criminele organisatie uit verschillende natuurlijke personen en rechtspersonen bestond.
vijfde middelbevat de klacht dat het hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd.