Conclusie
voor zover geen specifieke boete isovereengekomen, een direct opeisbare boete van € 250,00 per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. Het bovenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 2.1), over het oordeel dat Carinova niet tekortschoot door het gehuurde te laten gebruiken door met haar gelieerde rechtspersonen (
onderdeel 2.2), over de datum waarop de onderhuur met Vegro is beëindigd (
onderdeel 2.3), en over de oordelen over matiging van de in verband met de onderhuur verschuldigde boete en de vordering tot winstafdracht (
onderdelen 2.4 en 2.5).
Onderdeel 2.6bevat een louter voortbouwende klacht.
subonderdelen 2.1, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.2-I, 2.1.2-II, 2.1.2-III, 2.1.3, 2.1.3-I, 2.1.3-II en 2.1.4. Het onderdeel klaagt, samengevat, dat de beperkte uitleg van vordering g onjuist en/of onbegrijpelijk is, een verrassingsbeslissing inhoudt en in strijd is met art. 23 en Pro 24 Rv (
(sub)onderdelen 2.1 en 2.1.1, slot).
uitsluitendzag op de outlet-activiteiten en een ruime uitleg van de vordering ligt voor de hand gezien de grieven III-VII in samenhang waarmee het petitum moet worden gelezen (
subonderdeel 2.1.1). Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat de vordering beperkt moet worden opgevat. De grieven betroffen volgens rov. 5.1 het geschil over de onbevoegde wijzigingen in het gehuurde en vermelden de boete van art. 7 AV Pro. Het petitum en art. 7 AV Pro zijn algemeen geformuleerd en spreken van “verplichtingen” respectievelijk “bepalingen” (
subonderdelen 2.1.2 en 2.1.2-I).
subonderdelen 2.1.2-II en 2.1.2-III).
subonderdeel 2.1.3). [eiser] heeft zich in eerste aanleg en in appel, zoals ook blijkt uit rov. 5.1, beroepen op art. 7 AV Pro in verband met de wijzigingen. Het hof dient op grond van art. 23 en Pro 24 Rv te beslissen op al het gevorderde op basis van wat aan het verzoek of verweer ten grondslag is gelegd en de rechter mag daarvan niet afwijken (
subonderdeel 2.1.3-I). Het hof had het petitum in het licht van de grieven II-VII moeten uitleggen en zo nodig moeten aanvullen in plaats van deze bij gebrek aan belang buiten beschouwing te laten (
subonderdeel 2.1.3-II). Bovendien is niet relevant dat de kantonrechter de boete ter zake van de outlet-activiteiten heeft beperkt tot 13 december 2013. [eiser] kwam immers met grief III op tegen de beperking, in het tussenvonnis van 9 december 2016, van de boete in verband met de wijzigingen in het gehuurde tot de datum van de comparitie (
subonderdeel 2.1.4).
De voorzitter: De vordering onder II.4 betreft de boete op grond van artikel 7 van Pro de algemene bepalingen. De boete betreft een bedrag van € 1.500,- voor de periode tot 28 november 2013 en € 250,- per dag voor de periode na die tijd. Het gaat dus om een boete die op 22 november 2013 is ingegaan. Klopt het dat de boete wegens strijd met de bestemming is bedoeld?
subonderdelen 2.1, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.2-I en 2.1.3-II) naar mijn mening terecht over de begrijpelijkheid van de overweging in rov. 5.2 dat het petitum met deze toelichting geen ruimte biedt voor de interpretatie dat [eiser] ook een boete vordert vanwege overtreding van art. 10 van Pro de huurovereenkomst.
subonderdelen 2.1.2-II en 2.1.2-IIIslagen niet. Het hof betrekt in rov. 5.1 de grieven III-VII op de vraag of Carinova onbevoegd wijzigingen heeft aangebracht aan het verhuurde en om die reden de contractuele boete van art. 7 AV Pro verschuldigd is. Deze uitleg van de grieven is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft verder geen oordeel gegeven over de vraag of in strijd met de huurovereenkomst wijzigingen in het gehuurde zijn aangebracht, zodat niet onbegrijpelijk is dat het hof geen verband heeft gelegd met de gevorderde verklaring voor recht dat Carinova haar verplichtingen heeft geschonden.
subonderdelen 2.1.3 en 2.1.3-Ifalen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft onderkend dat partijen over de wijzigingen in het gehuurde hebben gedebatteerd in verband met (alleen) de boete. Het hof heeft niet art. 23 en Pro 24 Rv miskend, maar een deel van het petitum op een bepaalde manier uitgelegd.
subonderdeel 2.1.4faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de aangevallen (ten overvloede gegeven) overweging ziet op de boete in verband met de outlet-activiteiten en niet in verband met de wijzigingen aan het gehuurde.
subonderdeel 2.4.3vitiëert het slagen van de klachten van onderdeel 2.1 [25] ook rov. 5.29, nu [eiser] met de grieven III-VII heeft betoogd dat Carinova op meer punten toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst dan het hof in rov. 5.29 aanneemt, en geldt dit verder ook voor rov. 5.20-5.35 waarin het hof de schade vaststelt op basis van dat oordeel in rov. 5.29.
subonderdeel 2.5.1vitiëert het slagen van de klachten van onderdeel 2.1 [26] ook rov. 5.20- 5.30 en 5.34.
subonderdelen 2.2.1 tot en met 2.2.5over rov. 5.4-5.10. Dit betreft de vraag of het gebruik van het gehuurde is afgestaan in de zin van art. 8.1 AV aan met Carinova gelieerde rechtspersonen en of Carinova het gehuurde zelf is blijven gebruiken in de zin van art. 6.1 van de huurovereenkomst, en daarom boetes heeft verbeurd ex art. 8 AV Pro respectievelijk art. 7 AV Pro.
Stichting Carinova Thuiszorg Zuidwest Overijsselen
Stichting Carinova Regionale Alarmservice voor Hulpzoekenden,en heeft een meerderheidsbelang in en is bestuurder van
Carinova B.V. waarin de WMO-activiteiten van de groep zijn ondergebracht. Aan het hoofd van Carinova staat weer
Stichting Carinova Groep. [28] De verschillende van de Carinova-groep deel uitmakende rechtspersonen werken intensief met elkaar samen en hun activiteiten zijn met elkaar verweven (rov. 5.5; zie ook rov. 2.3). Het gehuurde is (mede) gebruikt ten behoeve van activiteiten van deze aan Carinova gelieerde rechtspersonen. Deze rechtspersonen stonden volgens het handelsregister ingeschreven op het adres van het gehuurde, maar Carinova zelf niet (rov. 5.4). De gelieerde stichtingen hebben bijgedragen aan de huur die Carinova voor het gehuurde diende te voldoen (rov. 5.6).
subonderdeel 2.2.1heeft het hof in rov. 5.4-5.10 miskend dat voor de vraag of sprake is van een overtreding van de huurovereenkomst en de AV, aan de hand van de Haviltex-maatstaf en alle omstandigheden van het geval onderzocht moet worden wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen heeft gestaan.
subonderdeel 2.2.2heeft het hof de in dit subonderdeel onder a-j genoemde, voor de uitleg essentiële stellingen van [eiser] onbesproken gelaten.
subonderdelen 2.2.3, 2.2.4 en 2.2.5bevatten louter op de subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2 voortbouwende klachten en dienen, evenals die subonderdelen, te falen. Anders dan
subonderdeel 2.2.3betoogt, kan mijns inziens niet in het algemeen worden aanvaard dat een grote professionele organisatie voor aanvang van de huurovereenkomst duidelijk communiceert dat zij andere entiteiten in het gehuurde wil toelaten en daarover overeenstemming met de verhuurder bereikt. Of het noodzakelijk is dat de hurende partij daarover expliciet mededelingen doet aan de verhuurder, zal immers afhangen van de omstandigheden van het geval.
subonderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.2-I, 2.3.2-II (art. 21 Rv Pro en de domeinleer), 2.3.2-II (art. 843a Rv), 2.3.2-III en 2.3.3. Ik bespreek deze onderdelen onderwerpsgewijs en wel achtereenvolgens:
subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2);
subonderdeel 2.3.2-III);
subonderdeel 2.3.1);
subonderdeel 2.3.3);
subonderdelen 2.3.2, 2.3.2-I en 2.3.2-II (art. 21 Rv Pro en de domeinleer)); en
subonderdelen 2.3.2 en 2.3.2-II (art. 843a Rv)).
subonderdelen 2.3.1 en 2.3.2). Deze vaststelling heeft kennelijk alleen betrekking op de in april/mei 2012 gesloten onderhuurovereenkomst met ingangsdatum 1 januari 2012 (rov. 2.7). Zij heeft kennelijk niet de strekking om vast te stellen dat na 13 december 2013 geen sprake is geweest van de onderhuur door Vegro in de vorm van een samenwerkingsovereenkomst met Carinova, nu het hof dit juist in rov. 5.12 e.v. onderzoekt.
Subonderdeel 2.3.2-IIIis gericht tegen de overweging dat Carinova gemotiveerd heeft bestreden dat na 13 december 2013 nog sprake was van onderverhuur (rov. 5.14).
Subonderdeel 2.3.1klaagt over de verdeling van stelplicht en bewijslast in rov. 2.11 en 5.14-5.17. Volgens de klacht miskent het hof dat de stelling van Carinova dat de (door haar erkende) onderhuur per 13 december 2013 is geëindigd door ontbinding van de onderhuurovereenkomst met [32] Vegro, een zelfstandig verweer is, waarvan de bewijslast op Carinova rust. Indien het hof dat niet heeft miskend heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Subonderdeel 2.3.3klaagt over het passeren van het bewijsaanbod van [eiser] . Het hof overwoog dat [eiser] weliswaar bewijs door getuigen heeft aangeboden “
van zijn stellingen over het voortgezette gebruik door Vegro van het gehuurde“ en dat hij zelf als getuige gehoord wil worden, maar niet aangeeft “
wat hij over het door hem gestelde voortgezette gebruik door Vegro zou kunnen verklaren“ en dat het hof dit aanbod dan ook, als onvoldoende specifiek, zal passeren (rov. 5.16).
subonderdeel 2.3.3klaagt dat het hof zich in rov. 5.16 bij het passeren van het bewijsaanbod van [eiser] schuldig heeft gemaakt aan een verboden prognose, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft het bewijsaanbod als onvoldoende specifiek afgewezen. Om deze reden faalt ook bij gebrek aan feitelijke grondslag de klacht dat het hof zou hebben geoordeeld dat het bewijsaanbod niet ter zake dienend zou zijn.
subonderdeel 2.3.2-Iheeft het hof, door in rov. 5.16 te oordelen dat de vaststaande feiten onvoldoende grond bieden voor toepassing van art. 22 Rv Pro, miskend dat [eiser] aanspraak maakt op de tot het domein van Carinova behorende stukken en daarbij niet alleen beroep doet op art. 22 Rv Pro, maar ook op art. 21 Rv Pro en art. 843a Rv om aan zijn stelplicht en bewijslast te kunnen voldoen. In dat kader is het onjuist [eiser] af te rekenen op de stelplicht en te oordelen dat er geen aanleiding is voor toepassing van art. 22 Rv Pro, en art. 21 en Pro art. 843a Rv onbesproken te laten.
.
subonderdeel 2.3.2-II (art. 21 Rv Pro en de domeinleer)heeft het hof miskend dat een beroep is gedaan op art. 21 en Pro 843a Rv met betrekking tot de specifiek tot het domein van Carinova behorende stukken. [eiser] heeft gemotiveerd gesteld waarom hij meent dat de bewering van Carinova, dat de onderhuur is gestopt per 13 december 2013, niet juist is en beroept zich op art. 21, 22 en 843a Rv. [eiser] heeft aangevoerd dat de stukken tot het exclusieve domein van Carinova behoren, zodat het ex art. 21 Rv Pro op de weg van Carinova ligt de stukken in het geding te brengen dan wel daartoe dient te worden gedwongen. Er kan in dit kader worden gesproken van een verzwaarde stelplicht. Het hof heeft dit miskend dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven, aldus het subonderdeel.
subonderdelen 2.3.2 en 2.3.2-I(en ook het al eerder besproken
subonderdeel 2.3.2-III) een beroep doen op art. 22 Rv Pro, falen zij om de volgende redenen.
subonderdelen 2.3.2 en 2.3.2-II (art. 843a Rv)klagen over de afdoening van de incidentele vordering ex art. 843a Rv in rov. 5.33.
2.3.2-II (art. 843a Rv) onder a, samengevat, is het oordeel van het hof onbegrijpelijk in het licht van de memorie van grieven waaruit blijkt dat de vordering ex art. 843a Rv primair bedoeld is om aan te tonen dat de onderhuursituatie en/of het gebruik van het gehuurde door Vegro na 13 december 2013 onverminderd is doorgegaan, heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven aan de gedingstukken, heeft [eiser] een voldoende onderbouwd en gerechtvaardigd belang gesteld voor zijn vordering ex art. 843a Rv, en getuigt het oordeel aldus van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van art. 149 Rv Pro.
2.3.2-II (art. 843a Rv) onder bformuleert klachten tegen rov. 5.33 voor het geval het hof daarin geoordeeld zou hebben dat het belang waarop [eiser] zich heeft beroepen, een niet-gerechtvaardigd belang betreft.
subonderdelen 2.4.1 en 2.4.2zijn gericht tegen rov. 5.19. Hierin overweegt het hof, samengevat, als volgt.
eerste klachtvan
subonderdeel 2.4.1miskent het hof dat [eiser] onder meer heeft gevorderd een verklaring voor recht dat Carinova toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst, en schadevergoeding enerzijds te begroten op de behaalde winst of voordeel als gevolg van de toerekenbare tekortkoming en anderzijds schadevergoeding nader op te maken bij staat, en dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure slechts noodzakelijk is dat er mogelijk schade is geleden. In dat verband getuigt het dan van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof in rov. 5.19 de diverse schadeposten onvoldoende onderbouwd acht, zoals die ten aanzien van het aanbrengen van wijzigingen.
tweede klachtvan
subonderdeel 2.4.1vitiëert het slagen van subonderdeel 2.1 rov. 5.19 ter zake van de aard en omvang van die schade. Immers indien de grieven III-VII alsnog dienen te worden behandeld maakt dit dat alsnog ook de schade als gevolg van de ongeautoriseerde wijzigingen aan het gehuurde inhoudelijk worden behandeld, waardoor het oordeel in rov. 5.19 dat het hof de diverse schadeposten onvoldoende onderbouwd acht ook niet in stand kan blijven.
subonderdeel 2.4.2vitiëert het slagen van de klachten van de subonderdelen onder 2.1-2.3 ook de hoogte van de schadevergoeding, wat in het bijzonder geldt voor subonderdeel 2.1 dat opkomt tegen het verwerpen van de grieven III-VII die over de ongeoorloofd aangebrachte wijzigingen gaan en de overweging in rov. 5.19, dat [eiser] ook heeft aangegeven dat Carinova vanwege de onderverhuur allerlei wijzigingen aan het gehuurde heeft aangebracht, waardoor schade is ontstaan, maar hij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd.
subonderdeel 2.4.2, waarin wordt geklaagd dat aldus het oordeel dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij substantiële schade heeft geleden door de onderhuur en dat de berekende boete aanzienlijk (zeker factor 10) hoger is, rechtens onjuist en zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is.
Subonderdeel 2.5.1is reeds besproken na subonderdeel 2.1.
subonderdeel 2.5.1-IIgeldt het in de voorgaande klacht gestelde ook voor de schade door de wijzigingen aan het gehuurde.
subonderdeel 2.5.2laat het hof in rov. 5.25-5.29, en in het bijzonder in rov. 5.27 en 5.30, ten onrechte in het midden of er ter zake van de onderhuur sprake zou zijn van een administratieve vergissing en miskent het hof, althans laat het hof onbesproken, hetgeen [eiser] in de memorie van grieven onder de nrs. 11, 38-39 opmerkt en waaruit volgens de klacht volgt dat het onderhuurverbod bewust is overtreden.
subonderdeel 2.5.3miskent het hof in rov. 5.24-5.30 en in het bijzonder in rov. 5.30 het beroep van [eiser] in de memorie van grieven op de terughoudendheid die bij matiging van een contractuele boete moet worden betracht, althans dat die niet, althans niet in de mate zoals het hof die toepast, aan de orde is bij bewust handelen van een professionele huurder.
subonderdelen 2.5.4 en 2.5.5betreffen de verwerping door het hof van het beroep van [eiser] op art. 6:104 BW Pro. Deze bepaling:
wanneer rekening wordt gehouden met de door Carinova verschuldigde boete Carinova per saldo geen winst meer heeft genoten door de onderverhuur; boete en (bruto) voordeel vallen tegenover elkaar weg.” In dit verband (a) verwerpt het hof de stelling van [eiser] dat bij de begroting van het voordeel geen rekening moet worden gehouden met de boete omdat deze boete het karakter heeft van een prikkel tot nakoming. Voorts (b) overweegt het hof dat bij art. 6:104 BW Pro voor de bepaling van de winst moet worden uitgegaan van het netto-voordeel, [45] zodat niet het karakter van de boete bepalend is voor de vraag of met de boete rekening moet worden gehouden, maar dat de boete een last vormt die verbonden is geweest aan het verkrijgen van het voordeel.
subonderdeel 2.5.4, samengevat, heeft het hof in rov. 5.30 vastgesteld dat de schade van [eiser] € 303.000,- bedraagt, maar wijst het hof dit bedrag in rov. 5.34 niet toe. Het hof matigt de boete tot het schadebedrag en oordeelt dat er dan voor schadevergoeding geen plaats meer is. Daarmee is de bedoeling van de boete als nakomingsprikkel totaal verdwenen. Het hof had eerst de schade conform art. 6:104 BW Pro moeten begroten en vervolgens moeten nagaan wat er daarnaast aan contractuele boete diende te worden opgelegd.
subonderdeel 2.5.5miskent het hof dat het boetebeding in feite langs twee wegen wordt gematigd: allereerst wordt langs de weg van art. 6:104 BW Pro de verplichting tot winstafdracht ingevuld op een wijze die de rechter redelijk vindt en vervolgens wordt de hoogte van de boete op grond van wederom de redelijkheid gematigd tot het eerder op grond van de redelijkheid en billijkheid gematigde bedrag aan schadevergoeding. Dit betekent dat er dubbel gematigd wordt.
schadevan [eiser] € 303.000,- bedraagt, zoals de klachten veronderstellen, maar dat het
voordeelvan Carinova € 303.000,- bedraagt (rov. 5.24) en matigt de boete tot dat bedrag (rov. 5.30). De
schadevan [eiser] bestaat uit gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten, waarvan volgens het hof niet aannemelijk is dat zij meer bedragen dan 10% van het berekende boetebedrag [46] (rov. 5.19). Als het hof gebruik zou maken van zijn discretionaire bevoegdheid om de schade op de voet van art. 6:104 BW Pro te begroten en de winst aanzienlijk meer zou zijn dan de vermoedelijke schade van [eiser] – dat wil zeggen de door hem gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten – dan zou slechts een deel van de winst toegewezen kunnen worden (rov. 5.20). Het hof maakt echter geen gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid om de schade op de voet van art. 6:104 BW Pro te begroten (rov. 5.34). Bovendien richten de klachten zich tegen een overweging ten overvloede voor zover zij betrekking hebben op de uitleg die het hof heeft gegeven aan het boetebeding van art. 8.2 AV in rov. 5.34 (zie het in 3.59.3 onder (a) bedoelde oordeel).
subonderdeel 2.6die is gericht tegen rov. 5.42 en het dictum van het arrest. Het bestreden arrest kan daarom niet in stand blijven. Na cassatie en verwijzing dient het verwijzingshof de grieven III-VII alsnog te onderzoeken en opnieuw te oordelen over de matiging van de boete.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.7), de bepaling door het hof van de omvang van het voordeel van Carinova (
subonderdelen 1.3, 1.4 en 1.5) en het matigingsoordeel van het hof (
subonderdeel 1.6).
Subonderdeel 1.8bevat een louter voortbouwende klacht.
subonderdelen 1.2 en 1.7veronderstellen dat het hof in rov. 5.20 en 5.30 in verband met zijn oordeel over de matiging van de boete, toepassing heeft gegeven aan art. 6:104 BW Pro.
subonderdelen 1.3-1.5betreffen de oordelen over de omvang van het door Carinova genoten voordeel in verband met de onderhuur aan Vegro. [eiser] heeft dit voordeel in de periode tot 13 december 2013 gesteld op € 332.403,- (€ 170.643,- per jaar), uitgaande van een huurprijs van € 210.000,- per jaar en rekening houdend met de huurprijs van € 39.357,- per jaar die Carinova zelf voor het door haar onderverhuurde deel aan [eiser] diende te betalen (rov. 5.21).
eerstedat het hof belang toekent aan de reden van de huurprijsverminderingsafspraak met Vegro. Die reden is niet relevant in verband met de berekening van het voordeel dat Carinova uit de onderhuur heeft genoten, zodat de beslissing onbegrijpelijk is.
tweedewordt geklaagd dat de beslissing dat de reden onvoldoende duidelijk is gemaakt door Carinova, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Carinova heeft gemotiveerd aangevoerd dat de vermindering van de kale huur te maken had met het abusievelijk geen rekening houden met het in de hoofdhuurovereenkomst gemaakte onderscheid in de huur voor het magazijngedeelte en het kantoorgedeelte terwijl voor het magazijngedeelte een aanzienlijk lagere huurprijs per vierkante meter was verschuldigd. Het hof gaat ten onrechte niet op die stelling in en maakt niet duidelijk waarom die reden niet een afdoende verklaring vormt voor de huurvermindering.
eerste klachtvan subonderdeel 1.4 heeft het hof op onbegrijpelijke wijze met de door Carinova ingebrachte kostenopstelling rekening houden, omdat het hof heeft aangenomen dat het zou gaan om een royale kosteninschatting. Carinova heeft gesteld dat Vegro een totaalbedrag als huurprijs wenste, waarin niet alleen de kale huur, maar ook alle bijkomende vergoedingen waren begrepen. Daaruit volgt niet dat Carinova die opstelling heeft gebruikt in de onderhandelingen met Vegro, maar veeleer dat Carinova en Vegro over die uitgangspunten overeenstemming hebben bereikt, hetgeen ook blijkt uit de tussen partijen overeengekomen bruto en netto huurprijs. Het bestaan van die overeenstemming duidt er veeleer op dat sprake was van en reële kosteninschatting dan dat sprake zou zijn van een royale kosteninschatting.
tweede klachtis de beslissing dat geen rekening wordt gehouden met de afschrijving van ruim € 35.000,- per jaar onjuist, althans onbegrijpelijk. Dat in het kader van de onderverhuur geen verbouwingen aan het gehuurde hebben plaatsgevonden, doet er niet aan af dat Carinova door verbouwingen die daaraan voorafgaand hebben plaatsgevonden, afschrijvingen ten laste van het onderverhuurde heeft (mogen) laten komen. In dat verband is het relevant dat vaststaat dat er verbouwingen aan het pand hebben plaatsgevonden en dat het hulpmiddelendepot gereed was gemaakt voor het beoogde gebruik en dat Carinova heeft aangevoerd dat de verbouwingen die eerder hadden plaatsgevonden betrekking hadden op de bedrijfsruimte die onderwerp werd van de onderhuur, in het bijzonder de verbouwing uit 2007. De beslissing is bovendien onbegrijpelijk in het licht van de stelling van Carinova dat zij met Vegro was overeengekomen dat Vegro de afschrijving op die verbouwingen in het magazijn voor haar rekening zou nemen.
derde klachtbetreft de begrijpelijkheid van de overwegingen dat aannemelijk is dat Carinova enige onderhoudskosten heeft gehad aan het onderverhuurde gedeelte, maar dat het door Carinova vermelde bedrag van € 12.454,- zonder enige onderbouwing excessief is en dat moet worden uitgegaan van € 5.000,-. Het hof licht niet toe waarom een dergelijke post aan onderhoudskosten excessief zou zijn, hetgeen wel op zijn weg had gelegen mede gelet op de vaststaande omstandigheid dat het onderverhuur een aanzienlijke omvang had en de stelling van Carinova dat zij met Vegro hierover overeenstemming had bereikt. Het hof licht ook niet toe waarom het uitgaat van € 5.000,- per jaar, wat onbegrijpelijk is.
vierde klachtbetreft de begrijpelijkheid van de overwegingen dat onduidelijk is wat Carinova bedoeld met de post gebouwenbeheer, waaraan Carinova een bedrag van € 26.751,- per jaar koppelt, zodat het hof geen rekening houdt met deze post. Het is volgens de klacht een feit van algemene bekendheid dat een gebouw moet worden beheerd, dat daarmee kosten zijn gemoeid en dat die kosten ten laste van de onder(huurder) worden gebracht. Het hof had dan ook nader moeten toelichten waarom dat in dit geval niet zo zou zijn, mede gelet op de omvang van het onderverhuurde en de stelling dat hierover overeenstemming met Vegro was bereikt.
vijfde klachtbetreft de begrijpelijkheid van de overwegingen dat, gelet op het door [eiser] gevoerde verweer, rekening wordt gehouden met een post van € 5.000,- per jaar voor gas, water en elektra en niet het door Carinova gestelde bedrag van € 23.909,- per jaar. Volgens de klacht heeft Carinova betoogd dat deze kosten € 23.909,- bedragen en ter zitting bevestigd dat de kosten zo hoog waren. Gelet op die toelichting, de vaststaande omvang van het gehuurde en de naar voren gebrachte overeenstemming met Vegro hierover, is het onbegrijpelijk dat het hof niet daarvan is uitgegaan althans dat het hof die kosten op minder dan een kwart van dat bedrag heeft vastgesteld.
zesde klachtbetreft de begrijpelijkheid van de overweging dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 5.000,- ter zake van de post overig, omdat het door Carinova opgenomen bedrag van € 21.400,- excessief is. Volgens de klacht is dit onbegrijpelijk in het licht van hetgeen in de voorgaande klachten is betoogd en in het bijzonder de naar voren gebrachte overeenstemming met Vegro. In ieder geval had het hof nader moeten toelichten waarom een bedrag van € 5.000,- in de rede ligt.