Conclusie
1.Feiten
de gemeente Borne schriftelijk toestemming heeft verleend tot de levering van het verkochte;
het gemeentelijk voorkeursrecht wegens termijn overschrijding is vervallen;
(...)”
2.Procesverloop
principle of fair balance’) van art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP).
3.Juridisch kader
instrument ter versterking van de positie van de gemeenten bij hun aankoopbeleid” en beoogt “
de bevordering van een slagvaardig en vooruitziend aankoopbeleid, dat zo min mogelijk zal worden doorkruist door transacties met derden met de mogelijke gevolgen van dien, zoals prijsopdrijving of vrijheidsbeperking in de uitvoering van bestemmingsplannen”. [12] In lijn hiermee vermeldt de wetsgeschiedenis bij een van de wijzigingen van de Wvg (
Stb. 2010, 155) als doel van de Wvg “
het versterken van de positie van de gemeente op de grondmarkt ten behoeve van de verwezenlijking van haar ruimtelijk beleid”. [13] In de memorie van toelichting bij de (nog in werking te treden) Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet worden als doelstellingen van de Wvg genoemd: versterking van de regisserende rol (regiefunctie) van de gemeente bij ruimtelijke ontwikkeling, verbetering van de onderhandelingspositie van de gemeente op de grondmarkt en beheersing van de grondprijzen. [14]
ondanks een positief beginselbesluit later in de procedure afhaakt”, onder omstandigheden een koopplicht bestaan. [32] Art. 15 Wvg Pro bepaalt namelijk dat de grondeigenaar in een dergelijk geval een verzoek kan doen aan de rechtbank om te bepalen dat de gemeente wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de eigenaar gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht, tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs. [33] Voor het geval na het doorlopen van een prijsvaststellingsprocedure een beschikking van de rechtbank over de verkoopprijs is verkregen, geldt in de tweede plaats dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een termijn van drie maanden volgt waarin de gemeente door de grondeigenaar kan worden verplicht medewerking te verlenen aan levering van de grond tegen de door de rechtbank bepaalde prijs (art. 14 Wvg Pro). Doet de grondeigenaar niet binnen deze termijn een beroep op de medewerkingsplicht van de gemeente, dan vervalt deze plicht, terwijl het voorkeursrecht blijft bestaan. [34] Wanneer de gemeente een negatief beginselbesluit neemt of de prijsvaststellingsprocedure tussentijds beëindigt geldt voorts, in de derde plaats, dat de grondeigenaar gedurende een periode van drie jaar de vrijheid heeft om de grond aan eenieder te vervreemden (zie art. 12 lid 2 resp Pro. art. 13 lid 7 Wvg Pro). Deze vrijheid komt de eigenaar ook toe indien te laat op zijn aanbod wordt beslist (art. 12 lid 3 Wvg Pro) en als de rechtbank het verzoek ex art. 15 Wvg Pro afwijst (art. 15 lid 4 Wvg Pro). Het voorkeursrecht blijft bij een eventuele vervreemding echter wel op de grond gevestigd, zodat de aanbiedingsplicht van art. 10 lid 1 Wvg Pro ook geldt in het geval de nieuwe eigenaar tot vervreemding zou willen overgaan. [35]
actieve realisatie van de bestemming [wordt] bevorderd”. [40]
opnieuw ingevolge een zodanig besluit worden aangewezen”(art. 9c Wvg). Dit herhaalverbod heeft betrekking op aanwijzingen op basis van
dezelfdegrondslag. [43] Een gemeente mag op de betrokken gronden dus niet binnen twee jaar opnieuw een voorkeursrecht vestigen op dezelfde vestigingsgrondslag als het ingetrokken of vervallen voorkeursrecht. [44] Het herhaalverbod is in de parlementaire geschiedenis bij de Wvg wel bestempeld als “
een soort sanctie” op het niet tijdig bestendigen van de vestigingsgrondslag. [45] De memorie van toelichting bij de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet vermeldt dat het herhaalverbod een rem is op herhaaldelijke aanwijzingsbesluiten en dat zonder een dergelijk verbod de beperkte geldingsduur van een voorkeursrecht geen betekenis zou hebben, omdat dan na de intrekking of het verval van het voorkeursrecht een nieuw aanwijzingsbesluit zou kunnen worden genomen. [46]
aan het belang van de gemeente bijhaar wettelijke voorkeurspositie. De aanscherping is gelegen in het schrappen door de wetgever van de wettelijke clausule ‘het belang van de gemeente’. Aanleiding daarvoor waren een drietal beschikkingen van de Hoge Raad, de zogeheten ‘november-beschikkingen’. [50]
belangdat de gemeente bij haar voorkeurspositie heeft. [53] Verder volgt uit de overwegingen van de Hoge Raad dat een geslaagd zelfrealisatieverweer ertoe kan leiden dat een rechtshandeling die de kennelijke strekking heeft afbreuk te doen aan de gemeentelijke voorkeurspositie, toch buiten het bereik van art. 26 (oud) Wvg valt, omdat niet is voldaan aan het (tweede) vereiste, dat tevens afbreuk wordt gedaan aan het belang van de gemeente bij haar voorkeurspositie.
het belang van de gemeente bij” zijn geschrapt. [54] In de memorie van toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel is vermeld dat de beschikkingen van de Hoge Raad de positie van de gemeenten bij het gebruik van de Wvg verzwakten en leemten in de wet aan het licht brachten. De interpretatie die de Hoge Raad aan art. 26 (oud) Wvg heeft gegeven, kan volgens de memorie van toelichting leiden tot rechtsonzekerheid en roept ‘nieuwe wezenlijke rechtsvragen’ op. Daarin wordt aanleiding gezien om art. 26 lid Pro 1 (oud) Wvg te repareren. De memorie van toelichting vervolgt: [55]
lawfulness’) en (ii) een legitiem doel in het algemeen belang nastreven, terwijl (iii) ook een redelijk evenwicht moet bestaan tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu (‘
fair balance’). [63] De eis van een
fair balance(ook wel: proportionaliteitsvereiste) houdt in dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen (de nadelen van) de gebruikte middelen en het daarmee gediende doel. Het oordeel hierover is, indien het om wetgeving gaat, aan de wetgever, die daarbij in beginsel een ‘
wide margin of appreciation’ toekomt. [64] Aan het vereiste van een
fair balanceis niet voldaan, indien er sprake is van een individuele en buitensporige last (‘
individual and excessive burden’) voor de betrokken persoon. [65] Daarbij moeten alle omstandigheden van het individuele geval in ogenschouw worden genomen. [66]
fair balance-vereiste kan worden opgemaakt dat onder meer de volgende omstandigheden, in samenhang, van belang kunnen zijn bij de proportionaliteitsbeoordeling. Daarbij kan niet alleen het optreden van de staat een rol spelen, maar ook het gedrag van de burger zelf. [67] Van belang kan zijn of een schadevergoeding is geboden voor de inbreuk op het eigendomsrecht. Dit geldt in het bijzonder bij een ontneming van eigendom, waar als uitgangspunt geldt dat sprake is van disproportionaliteit indien geen schadevergoeding wordt betaald. [68] Verder is de ernst van de inbreuk op het eigendomsrecht van belang, waarbij onder meer een rol kan spelen of de inbreuk van tijdelijke aard is, en of er – ondanks de beperking van het gebruik van het eigendomsrecht – nog voldoende mogelijkheden tot gebruik van de eigendom overblijven dan wel of gebruik voor andere doeleinden nog mogelijk is. Daarnaast wordt door het EHRM als omstandigheid in de proportionaliteitsbeoordeling meegewogen of en in welke mate een overheidsmaatregel leidt tot rechtsonzekerheid ten aanzien van het eigendom. Daar staat tegenover dat art. 1 EP Pro slechts bescherming biedt aan gerechtvaardigde verwachtingen van de burger met betrekking tot het gebruik van zijn eigendom dat door een overheidsmaatregel wordt beperkt en dat de voorzienbaarheid van de beperking van het gebruik van eigendom c.q. de beperkende overheidsmaatregel aan de burger kan worden tegengeworpen. [69] Een andere omstandigheid die wel is meegewogen is de vraag of een andere, minder aantastende overheidsmaatregel mogelijk was waarmee het nagestreefde algemene belang ook gediend had kunnen worden, zij het dat de mogelijkheid van een minder aantastende maatregel op zichzelf de gekozen maatregel nog niet disproportioneel maakt. [70] Tot slot is van belang dat een inbreuk op een eigendomsrecht gepaard moet gaan met procedurele waarborgen. [71] De burger moet binnen de nationale rechtsorde redelijkerwijs een of meer effectieve rechtsmiddelen tot zijn beschikking hebben gehad om de op zijn eigendomsrecht inbreuk makende overheidsmaatregel aan te vechten. Is dit niet het geval, of heeft de staat anderszins procedureel onzorgvuldig of onbehoorlijk gehandeld, dan kan dit ertoe leiden dat het redelijk evenwicht tussen het algemene en het individuele belang verstoord wordt. Anderzijds zal geen sprake zijn van een verstoring van de
fair balanceindien de burger heeft nagelaten rechtsmiddelen aan te wenden om een einde te maken aan de eigendomsinbreuk of anderszins zijn rechtspositie te verbeteren. [72]
fair balance-toets op twee niveaus kan plaatsvinden, namelijk op het niveau van de wettelijke maatregel als geheel en op het niveau van het individuele geval, rekening houdend met de in dat individuele geval geldende (lastenverzwarende) omstandigheden. [73]
de betrokken overheid heeft afgezien van verkrijging terwijl steeds duidelijker wordt welke ontwikkelingen die overheid voor ogen heeft en de omgevingsrechtelijke besluitvorming hierover steeds concreter wordt”. [88]
de toegedeelde of toegedachte functie en het daarvan afwijkende gebruik ook daadwerkelijk rechtvaardigt dat wordt ingegrepen in de vrije overdraagbaarheid van de onroerende zaak of het beperkt recht”. Gemotiveerd moet worden dat het algemeen belang rechtvaardigt dat een voorkeursrechtbeschikking wordt gegeven, aldus de memorie. [93]
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1
vestigingin ieder geval géén disproportionele inmenging oplevert (zie onder 3.39). Ook moet er vanuit worden gegaan dat art. 26 Wvg Pro als zodanig (op regelniveau) geen disproportionele inmenging oplevert (zie onder 3.40-3.41).
[…] /gemeente Bunnik(zie onder 3.31). Het vereiste dat met de gewraakte rechtshandelingen óók afbreuk wordt gedaan aan het
belangdat de gemeente bij haar voorkeurspositie heeft, geldt niet meer (zie onder 3.29-3.30).
belangheeft bij het inroepen van de nietigheid. Zoals gezegd, geldt het vereiste dat de rechtshandelingen afbreuk moeten doen aan het belang van de gemeente bij haar voorkeurspositie, niet meer.
Hier faalt subonderdeel 1.1.
daarmee” op de voet van art. 149 lid 1 Rv Pro de vraag had moeten voorliggen of de door het hof genoemde omstandigheden overeenkomstig de algemene bepalingen van bewijsrecht konden worden vastgesteld.
het feit dat (daadwerkelijke) woningbouw op de percelen de komende jaren niet reëel is te achten”. Geen bewijsaanbod is gedaan met betrekking tot het door de gemeente gestelde feit, dat zij toe is aan de ontwikkeling van de derde fase van Bornsche Maten en/of dat een ontwerpbestemmingsplan binnenkort in procedure zal gaan. Het hof kon laatstgenoemde stellingen dan ook als vaststaand aannemen. In dat licht was er voor het hof geen aanleiding om ook nog te onderzoeken of woningbouw op de percelen de komende jaren reeël is te achten. Althans, hebben [verzoekers] tegen die achtergrond geen belang bij hun klacht.
de baaierd aan onderling tegenstrijdige stukken” die door de gemeente, na overlegging bij brief van 28 maart 2019, ter zitting in hoger beroep zijn getoond.
vuistregels” uit de rechtspraak van het EHRM heeft betrokken:
within a reasonable timeframe’. [97]
de feitelijke grondslag” hebben aangevoerd, door onder meer te stellen dat:
onder agenoemde ‘vuistregel’ in zijn proportionaliteitsafweging had moeten betrekken. Het hof slaat in rov. 5.16 wel degelijk acht op ‘de duur van de onzekerheid over het lot van het eigendomsrecht’, maar is van oordeel dat deze onzekerheid niet aan de gemeente is te wijten, maar het gevolg is van het handelen [verzoekers] zélf (de afgesproken geheimhouding, de weigering om de gemeente desgevraagd te informeren over de rechtshandelingen). Verder is op te merken dat de omstandigheden die het subonderdeel noemt – met uitzondering van de omstandigheden onder (i) en (vi) – door [verzoekers] zijn aangevoerd in het kader van hun betoog dat, kort gezegd, woningbouw op de percelen niet op redelijk korte termijn reëel is te achten. In zoverre kan niet, althans niet met betrekking tot de onder (ii) - (v) en (vii) genoemde omstandigheden, worden gezegd dat de aangehaalde omstandigheden “
de feitelijke grondslag” voor de onder a genoemde ‘vuistregel’ vormen.
b en cgenoemde ‘vuistregels’ geldt het volgende. [verzoekers] hebben zich ook in feitelijke instanties beroepen op de door het subonderdeel genoemde uitspraak van het EHRM in de zaak
Rosiński/Polen, [98] namelijk in het kader van hun betoog dat bij de proportionaliteitstoets moet worden meegewogen dat, kort gezegd, woningbouw op de percelen niet op redelijk korte termijn reëel is te achten. [99] Hiervoor heb ik uiteengezet dat die omstandigheid naar mijn mening niet relevant is (zie onder 4.11). Voor zover dat anders zou zijn, heeft te gelden dat het hof in rov. 5.15 heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de gemeente toe is aan de ontwikkeling van de derde fase van de Bornsche Maten, dat een daar op toegesneden bestemmingsplan binnenkort in procedure zal gaan en dat woningbouw op de percelen in geding op redelijk korte termijn reëel is te achten. In het licht hiervan kan de klacht dat het hof bij de proportionaliteitstoets verzuimd heeft de ‘vuistregels b en c’ mee te wegen, niet slagen. Het hof heeft hiermee immers deze vuistregels wel degelijk in zijn overwegingen betrokken, maar is van oordeel dat de ‘vuistregels’ niet ten voordele van [verzoekers] kunnen strekken.
subonderdeel 1.6heeft het hof miskend dat de nietigverklaring van rechtshandelingen op grond van art. 26 Wvg Pro in strijd is met het proportionaliteitsvereiste van art. 1 EP Pro in gevallen als het onderhavige waarin:
‘in good time and in an appropriate and, above all, consistent manner’ te handelen [100] ) tien jaar na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan:
subonderdeel 1.7houdt in dat het hof in rov. 5.15 bij de beantwoording van de vraag of woningbouw op redelijk korte termijn reëel is te achten, ten onrechte niet als startpunt heeft genomen het begin van de eigendomsinbreuk (het op de percelen van toepassing verklaren van de Wvg op 25 januari 2001), maar het 18 jaar later gelegen moment van zijn uitspraak.
vernietigingvan de gewraakte rechtshandelingen zou worden gemaakt. [101] Bovendien is het voorkeursrecht waarom het in deze zaak gaat, gevestigd op 28 oktober 2004 (zie rov. 3.2 van de bestreden beschikking). [102] Dat en waarom het hof, in weerwil hiervan, het moment van de vestiging van het voorkeursrecht in 2001 als startpunt had moeten nemen, is niet in te zien.
ten tijde van de beoordeling van het verzoek tot nietigverklaring van de rechtshandelingen. Zo hebben zij in hun verweerschrift in eerste aanleg aangevoerd dat de gemeente niet deugdelijk heeft onderbouwd wanneer de percelen
daadwerkelijknodig zijn voor de verdere ontwikkeling van de Bornsche Maten en dat aangenomen moet worden dat de percelen
niet langer nodig zijnvoor uitbreiding van de woonwijk. [103]
(…). Doordat het huidige bestemmingsplan een bouwverbod bevat en de Gemeente geen nieuw bestemmingsplan vaststelt dat woningbouw mogelijk maakt, kunnen [verzoekers] ook niet zelf tot de door de Gemeente beoogde woningbouw overgaan en daarmee hun recht op zelfrealisatie verwezenlijken. (…).”
fair balance-toets betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het gebruik dat de klager van zijn eigendom maakte onrechtmatig was (in het kader van de proportionaliteit van handhavingsmaatregelen) [107] en de omstandigheid dat de klager heeft nagelaten rechtsmiddelen aan te wenden om een einde te maken aan de eigendomsinbreuk of anderszins zijn rechtspositie te verbeteren. [108]
subonderdeel 2.1heeft het hof art. 149 lid 1 Rv Pro miskend door [verzoekers] niet – overeenkomstig hun bewijsaanbod – toe te laten tot bewijslevering, onder meer door middel van getuigen, van “
het feit dat de rechtsverhouding met [betrokkene 1] door [A] B.V. (rechtsgeldig) is overgedragen aan NEBO Vastgoed B.V.”. [109] Dat het rechtsgeldig partij geworden zijn van Nebo ‘onvoldoende was gebleken’, doet er immers niet aan af dat dit bij bewijslevering wellicht toch kon worden vastgesteld, aldus het subonderdeel.
dan ook” onvoldoende is gebleken dat Nebo op rechtsgeldige wijze partij is geworden bij de overeenkomsten in geding. Met dit oordeel heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat [verzoekers] niet aan hun stelplicht hebben voldaan vanwege een onvoldoende onderbouwing van hun stellingname met betrekking tot de contractovername. Daarbij heeft het hof kennelijk (onder meer) betrokken dat [verzoekers] de overeenkomst tussen [A] en Nebo niet hebben overgelegd, dat de brief van 2 juni 2009 door [verzoekers] is ontvangen in het voorjaar van 2017 en dat daarin wordt verwezen naar een bijgevoegde kopie van de contractsovername, maar dat die niet is overgelegd. [115] Mede nu volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad van een partij die zich beroept op schriftelijk bewijs, mag worden verlangd dat zij dit uit zichzelf in het geding brengt, [116] heeft het hof met dat oordeel geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
klacht I). Daarnaast stelt het subonderdeel dat de bestreden beschikking burgerlijke rechten (leveringsrechten en hypotheekrechten) teniet doet waarvan Nebo zou menen dat het haar burgerlijke rechten zijn. Tegen deze achtergrond wordt aangevoerd dat het hof door Nebo niet op te roepen voorts zou hebben miskend dat Nebo recht heeft op een eerlijk proces en daarmee onder meer erop recht heeft dat de rechterlijke uitspraak niet eerder tot stand komt, dan wanneer Nebo de mogelijkheid heeft gehad effectief deel te nemen aan hoor en wederhoor (
klacht II). Voor het geval het hof dit een en ander niet zou hebben miskend, maar zou hebben geoordeeld dat de in rov. 5.6 genoemde omstandigheden een uitzondering daarop rechtvaardigen, wordt betoogd dat een dergelijk oordeel onjuist is, omdat de desbetreffende omstandigheden niet afdoen aan de noodzaak Nebo in de procedure te betrekken (
klacht III).
erga omnesvan een nietigverklaring ex art. 26 Wvg Pro, toewijzing van het verzoek van de gemeente met zich brengt dat rechten tenietgaan die mogelijk aan Nebo toebehoorden. Onder deze omstandigheden had het hof Nebo in beginsel als belanghebbende moeten oproepen, aldus de toelichting (onder 92).
uitermate ingrijpend is”. Daartoe voeren [verzoekers] aan dat het zich laat aanzien dat Nebo zich met succes op het standpunt zou kunnen stellen dat de bestreden beschikking niet jegens haar kan worden ingeroepen, omdat zij tot stand is gekomen in strijd met het recht op een eerlijk proces van art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro. Voorts stellen [verzoekers] dat Nebo cassatieberoep zou kunnen instellen, terwijl de termijn daarvoor onbepaald zou zijn. Zou Nebo dit doen en met succes klagen over, bijvoorbeeld, schending van de eisen van art. 6 EVRM Pro, van hoor- en wederhoor, of van art. 361 lid 1 Rv Pro, dan zouden [verzoekers] met een terugverwijzing te maken kunnen krijgen. Het definitieve einde van de rechtsstrijd zou dan eindeloos in de lucht blijven hangen, aldus [verzoekers]