Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep; toepasselijk procesrecht
bij dagvaardingmoeten worden ingeleid, behoeft deze hoofdregel nauwelijks toelichting. De procespartij die een vordering instelt kiest immers haar eigen tegenstander(s) in de procedure: het exploot van dagvaarding in eerste aanleg vermeldt de naam van de eisende partij en die van de gedaagde(n). Zowel de eisende partij als de gedaagde kan volgens de hoofdregel hetzij een natuurlijke persoon hetzij een rechtspersoon zijn. De vraag is slechts, wanneer sprake is van een uitzondering op deze hoofdregel. Volgens Knigge zijn twee soorten uitzonderingen te onderscheiden: buitenwettelijke en wettelijke (of verdragsrechtelijke) uitzonderingen. [9] Advocaat-generaal De Bock noemt in haar conclusie voor HR 30 september 2016 een aantal wettelijke uitzonderingen op deze hoofdregel (zie ECLI:NL:PHR:2016:837, onder 3.10). Zij vermeldt ook voorbeelden waarin geen procesbevoegdheid van een orgaan van een (publiekrechtelijke) rechtspersoon werd aangenomen, zoals een minister, een inspecteur van de Volksgezondheid, een korpschef, de plaatselijke commissie bij een ruilverkaveling e.a.
verzoekschriftproceduresin eerste aanleg kan in beginsel iedere belanghebbende een verweerschrift indienen (art. 282 lid 1 Rv Pro). [10] De partij die het verzoekschrift indient kan slechts beperkt beïnvloeden wie haar tegenstander in de procedure zal zijn, namelijk door iemand in het verzoekschrift aan te merken als belanghebbende. Na ontvangst van het verzoekschrift beveelt de rechter de oproeping van de verzoeker voor de mondelinge behandeling en, voor zover nodig, de oproeping van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden. [11] De rechter kan bovendien andere belanghebbenden (bekende of onbekende) doen oproepen; zie art. 279 lid 1 Rv Pro. Voor zover tegen de beslissing hoger beroep openstaat, kan dit worden ingesteld door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden (art. 358 lid 1 Rv Pro). [12] Zie ook art. 361 lid 1 Rv Pro: de rechter beveelt voor de mondelinge behandeling in hoger beroep de oproeping van de appellant, van de verzoeker in eerste aanleg en van de in eerste aanleg verschenen belanghebbenden. [13] Tegen beschikkingen op rekest kan beroep in cassatie worden ingesteld door degenen, die in een der vorige instanties verschenen zijn, aldus art. 426 lid 1 Rv Pro. De verzoeker tot cassatie doet zijn verzoekschrift vergezeld gaan van zoveel afschriften als er anderen dan hij in de vorige instantie verschenen zijn. De griffier van de Hoge Raad zendt onverwijld een afschrift aan ieder hunner toe (art. 426b lid 1 en lid 2 Rv).
qualitate qua(dat wil zeggen: in die hoedanigheid en niet slechts als een vertegenwoordiger van de gemeente) in de procedure kan verschijnen. De wetgever heeft van belang geacht dat de betrokkene de rechter een oordeel kan vragen over de rechtmatigheid van de beslissing van de burgemeester (wiens besluit in de art. 7:6 Wvggz Pro-procedure wordt aangevochten). De mogelijkheid van beroep bij de rechter beoogt tevens de rechtseenheid te bevorderen. [17] Deze factoren tezamen duiden mijns inziens erop, dat de wetgever (naast de gemeente als rechtspersoon ook) de burgemeester
qualitate quabeschouwt als een belanghebbende in de art. 7:6 Wvggz Pro-procedure. Dit zou meebrengen dat de burgemeester q.q. de procesbevoegdheid (
legitima persona standi in iudicio) heeft die nodig is om bij de rechtbank verweer te voeren. Indien de burgemeester q.q. in de art. 7:6 Wvggz Pro-procedure door de rechtbank in het ongelijk wordt gesteld, kan de burgemeester q.q. beroep in cassatie instellen. [18] Indien de betrokkene de partij is die cassatieberoep heeft ingesteld, kan de burgemeester in cassatie q.q. verweer voeren, zoals in de onderhavige cassatieprocedure is geschied.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel I: overlap van maatregelen?
subonderdeel I.1wordt herhaald wat het beroepschrift bij de rechtbank was betoogd, kort samengevat:
anderewetten;
subonderdeel I.2wordt verwezen naar de latere beschikking van 27 januari 2020 (zie alinea 1.4 hiervoor). Verzoeker is van mening dat de rechtbank toen een juiste uitleg van de wet heeft gegeven.
subonderdeel I.3wordt geklaagd dat in de wet nergens staat dat een nieuwe crisismaatregel een nog lopende (voortgezette) crisismaatregel doet vervallen: art. 7:10 Wvggz Pro geeft limitatief aan wanneer een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel vervalt. Als tijdens het verblijf in de accommodatie tijdelijk aanvullende verplichte zorg nodig is, biedt art. 8:11 Wvggz Pro die mogelijkheid. [22] Verwacht mag worden dat als de geneesheer-directeur van oordeel is dat die aanvullende verplichte zorg langer (dan die drie dagen) nodig is, de geneesheer-directeur direct alles doet wat nodig is om een zorgmachtiging aan te vragen. De toelichting op deze klacht houdt in dat een dubbele vrijheidsberoving niet kan en dat, nu de wet niet voorziet in het vervallen van de lopende voortgezette crisismaatregel, art. 5, lid 1 onder e, EVRM een tweede (tot vrijheidsbeneming strekkende) crisismaatregel niet toestaat.
voor de toepassing van art. 28 lid 1 Wet Pro Bopz(de schadevergoedingsbepaling) als onrechtmatig moet worden aangemerkt indien de betrokkene niet ‘
immediately after the arrest’ is onderzocht door een (niet bij de behandeling betrokken) psychiater. Onderdeel 3 van het principaal cassatiemiddel van de burgemeester in de zaak 20/01499 ging over het niet tijdig zorgdragen voor bijstand van een advocaat.
in zijn geheelonrechtmatig maakte. In de onderhavige zaak gaat het hoogstens om een gedeeltelijke onrechtmatigheid. Indien de rechter constateert dat het ontbreken van de wettelijk vereiste nazorg (in de vorm van het binnen 24 uur na het nemen van de crisismaatregel zorgdragen voor rechtsbijstand door een advocaat) in strijd met de wet is, wil dat nog niet zeggen dat het beroep tegen de crisismaatregel
voor het overigegegrond is.
Subonderdeel III.1bevat geen klacht, maar wijst erop dat bij de rechtbank was aangevoerd dat het niet-afgeven van een afschrift temeer klemt, omdat betrokkene toen geen advocaat had en in de crisismaatregel de rechten van de patiënt zijn vermeld, waaronder het recht op het instellen van beroep.