Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelricht zich tegen de bewezenverklaring van feit 1 en voert daartoe een tweetal deelklachten aan.
waarbij deze organisatie telkens gebruik heeft gemaakt van een onderneming, te weten [A] B.V. en [B] B.V. en [C] N.V. en [D] B.V. bestaande de betrokkenheid van verdachte uit deelnemingshandelingen ten aanzien van de hierna genoemde ondernemingen, te weten [A] en [B] B.V. en [C] N.V. en [D] B.V., welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk faillissementsfraude en flessentrekkerij;”
Feit 1Aan de verdachte is onder 1 de deelneming aan een criminele organisatie ten laste gelegd. Het doel van de organisatie zou onder meer hebben bestaan in flessentrekkerij en faillissementsfraude. De leden van organisatie zouden als werkwijze hebben gehad om gedurende enkele maanden een onderneming te exploiteren waarbij op grote schaal goederen werden gekocht. Daarna volgde doorgaans een faillissement en werden de verhaalsmogelijkheden van schuldeisers opzettelijk bemoeilijkt.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof dit feit bewezen zal verklaren. Door de raadsvrouw is om vrijspraak verzocht. Zij heeft in de kern aangevoerd dat de belastende verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , afgelegd bij verschillende gelegenheden, als onbetrouwbaar moeten worden beschouwd en daarom niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs De belastende verklaring van [betrokkene 1] , afgelegd bij de FIOD op 14 januari 2015, is onder druk van medeverdachten afgelegd en op die grond evenmin bruikbaar voor het bewijs.
Het hof overweegt als volgt.
[medeverdachte 1]De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft belastend verklaard over betrokkenen bij de verschillende vennootschappen, onder meer over de verdachte.
heeft, na aanvankelijk niet veel te hebben verklaard, op 21 januari 2016 een schriftelijke verklaring opgesteld die zich in het dossier bevindt. Hij heeft daarin gesteld dat hij aanvankelijk bij de eerste vennootschappen zonder criminele intenties in de bedrijfsvoering was gaan participeren maar dat dit later is veranderd, onder invloed van [medeverdachte 3] . Al spoedig was er een praktijk ontstaan van vennootschappen met een korte levenscyclus waarbij de kern van de bedrijfsvoering bestond uit het bestellen van goederen zonder deze te betalen. Per vennootschap heeft [medeverdachte 1] de gang van zaken kort beschreven. Hij heeft daarbij zichzelf en ook de andere betrokkenen belast. Als getuige, gehoord door de rechter-commissaris op 30 juni 2016, heeft [medeverdachte 1] nader verklaard. Hij heeft gezegd dat alle betrokkenen ervan op de hoogte waren dat het om zogeheten “plof-B.V.’s” ging. Dat geldt ook voor de verdachte; deze wist al jaren wat de aanpak was. Als motief om “opening van zaken” te geven noemt [medeverdachte 1] het feit dat de andere verdachten probeerden hem de schuld in de schoenen te schuiven.
(i)“gelet op de uit de stukken blijkende boosheid van [medeverdachte 1] ”;
(ii)dat uit het arrest niet blijkt “van enige behoedzaamheid bij het gebruik en de waardering” van de verklaringen van [medeverdachte 1] ;
(iii)dat hetgeen het hof heeft overwogen niet toereikend is om te weerleggen dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet zouden zijn voortgekomen uit “de eerder uit tapgesprekken blijkende rancune”; en tot slot
(iv)dat onvoldoende duidelijk zou zijn in hoeverre deze verklaringen bevestiging vinden in het dossier.
tweede middelricht zich tegen de bewezenverklaring van feit 2.
- [E] B.V. te Tiel en/
Feit 2Voorafgaand aan de waardering van het gepresenteerde bewijs overweegt het hof met betrekking tot de aard van het ten laste gelegde delict als volgt. Flessentrekkerij laat zich in het bijzonder kenmerken door een tweetal bestanddelen. Het gaat ten eerste om een veelheid van gevallen van aankoop van goederen of afname van diensten. Ten tweede wordt het misdrijf geconstitueerd door het telkens uitblijven van betaling.
derde middelklaagt over het feit dat het hof gelast heeft dat een inbeslaggenomen geldbedrag van € 975,- wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
vierde middelklaagt dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis heeft toegepast.
vijfde middelklaagt dat het hof de vordering van de benadeelde partij “ [AG] B.V.” ten onrechte heeft toegewezen voor zover die vordering zich uitstrekt over de “buitengerechtelijke incassokosten”.
[AG] B.V.De benadeelde partij [AG] B.V. heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.444,33 incl. BTW. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.