Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
dictumheeft de rechtbank de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd voor het tijdvak tot 24 november 2020.
binnende wettelijke maximumduur blijft, kan de wederpartij (de geïntimeerde partij) ermee rekening houden dat de appellant
a fortioribezwaar heeft tegen een buitenwettelijke verlenging. Dan resteert de vraag of de regel dat een machtiging tot uithuisplaatsing waarvan de geldigheidsduur is verstreken niet meer kan worden verlengd, moet worden aangemerkt als een regel van openbare orde waaraan de appelrechter ambtshalve toetst (d.w.z. ook buiten de grieven om toetst). [17] Een argument om aan te nemen dat het in dit geval om een regel van openbare orde gaat, zou kunnen zijn dat een ondertoezichtstelling niet alleen de onderlinge rechtsverhouding tussen de vader en de gecertificeerde instelling raakt, maar ook die van anderen waaronder de betrokken minderjarige en de pleegouders bij wie het kind is ondergebracht. Eenzelfde rechtsvraag zou zich kunnen voordoen in het denkbeeldige geval dat een kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verlengt voor een langere duur dan wettelijk mogelijk (is bijvoorbeeld: voor 24 maanden) en waarin op inhoudelijke gronden wordt gegriefd tegen de beslissing tot verlenging, maar in appel niet aan de orde wordt gesteld dat de kinderrechter de wettelijk maximaal mogelijke geldigheidsduur heeft overschreden.
ambtshalveacht moet slaan. [19] Het slagen van middel 1 leidt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het hof van 9 juni 2020. De Hoge Raad zou de zaak zelf kunnen afdoen door, opnieuw rechtdoende, het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing af te wijzen op de grond dat de geldigheidsduur daarvan op 24 november 2019 was verstreken.
Middel 2is gericht tegen de weigering van het hof om gevolg te geven verzoek van de vader tot benoeming van een deskundige op de voet van art. 810a lid 2 Rv. De vader had dit verzoek in hoger beroep herhaald.
equality of arms:wanneer – kort gezegd − een individuele ouder bij de rechter tegenover een professionele jeugdbeschermingsorganisatie staat. [20]
beideouders niet mogelijk is, daarmee nog niet duidelijk is waarom het verzoek van (alleen) de vader om een tegenonderzoek niet ter zake dienend is geacht. Bepalend is immers de vraag of het verlangde tegenonderzoek ter zake dienend is, d.w.z. of dit tegenonderzoek zou kunnen leiden tot een andere beslissing dan die, welke de kinderrechter in eerste aanleg had gegeven. [21]
bij de vadernu niet in het belang van de zoon is. Daarmee doelt het hof niet op een terugplaatsing bij
beideouders, maar op een plaatsing van de onder toezicht gestelde zoon bij (alleen) de vader. Ook dan acht het hof een plaatsing bij de vader in strijd met het belang van de zoon: