Conclusie
1.De feiten
Montarlot) zijn [eiser 1] en [eiser 2] (hierna:
[eiser 1]respectievelijk
[eiser 2], gezamenlijk ook: de
bestuurders).
Sanitech) en Montarlot zijn in 2005 een joint venture aangegaan met als doel de ontwikkeling en productie van beheer- en registratiesystemen voor sanitaire watervoorzieningen en de verkoop van die producten. In 2008 hebben zij besloten deze samenwerking te beëindigen en de beide vennootschappen die in het kader van die samenwerking waren opgericht te ontvlechten. Daarover is in 2008 een intentieovereenkomst gesloten, die door Montarlot buitengerechtelijk is ontbonden.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
arrest) heeft het hof, recht doende in hoger beroep, kort gezegd:
ernstigrekening moesten houden (bijvoorbeeld omdat het vonnis een duidelijke misslag bevatte of als er in hoger beroep nieuwe feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht), aldus de rechtbank.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
ernstigrekening met deze mogelijkheid moesten houden. Met dit oordeel miskent het hof, zo klaagt het subonderdeel, niet alleen hetgeen de Hoge Raad in zijn Ontvanger/R.-arrest [19] heeft overwogen, zoals in het subonderdeel weergegeven mede onder (i) t/m (iii), maar tevens hetgeen uit zijn Air Holland-arrest [20] zou volgen, zoals in het subonderdeel weergegeven mede onder (iv). In het bijzonder miskent het hof, aldus nog steeds het subonderdeel, dat gezien die arresten en het gegeven dat voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde een hoge drempel geldt, alleen dan van bestuurdersaansprakelijkheid sprake kan zijn als de bestuurders ten tijde van het hen door Sanitech verweten handelen of nalaten
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid dat genoemd vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden. Daarbij voert het subonderdeel nog aan dat ‘s hofs ongeclausuleerde verwijzing - in noot 3, behorende bij rov. 4.11 - naar het Maarssens Bouwbedrijf-arrest [21] van de Hoge Raad zou miskennen dat in dat arrest geen oordeel is gegeven over de mate waarin de bestuurder rekening had moeten houden met vernietiging van een vonnis en dat dat arrest dateert van vóór de Hoge Raad-arresten inzake Ontvanger/R. en Air Holland. Tot slot voert het subonderdeel nog aan dat “[d]erhalve” het recht is geschonden door het hof, nu het (ook) geen “andere omstandigheden” [22] genoemd heeft op grond waarvan niettemin een ernstig persoonlijk verwijt van de bestuurders aangenomen zou kunnen worden.
NJ2000, 295).
Ascalon) [34] in de relevante periode (waarin ook de onder rov. 4.12 opgesomde, met het door Montarlot van Sanitech ontvangen bedrag van € 235.270,07 verrichte betalingen plaatsvonden), de bestuurders ernstig rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat in geval van vernietiging van het vonnis van 26 februari 2014 Montarlot niet in staat zou zijn op eigen kracht het door Sanitech betaalde bedrag terug te betalen (vgl. rov. 4.14, 4.15);
Spec Holding) en Synspec B.V. (hierna:
Synspec), [36] aldus lichtvaardig en doelbewust verhaal onmogelijk makend (voor het geval van een ongunstig uitpakkend hoger beroep tegen het vonnis van 26 februari 2014), blijk gevend van betalingsonwil van de bestuurders jegens Sanitech (vgl. rov. 4.16, 4.17, 4.18 in verbinding met het voorgaande). [37]
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid van vernietiging van het vonnis van 26 februari 2014 (bijvoorbeeld omdat het vonnis een duidelijke misslag bevatte of als er in hoger beroep nieuwe feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht), nu, in essentie:
Bij de beoordeling of sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid zoals in de onderhavige zaak aan de orde, waarbij de ernstigverwijtmaatstaf wordt toegepast, moeten door de rechter alle feiten en omstandigheden van het geval (verzwarende en verzachtende) in aanmerking worden genomen, waaronder de aard, de ernst en de frequentie van de normschending door de bestuurder, en de mate van schuld. Dit maakt duidelijk dat deze verzwaarde maatstaf, met de daaraan inherente verhoogde drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid, een intrinsiek contextueel en samengesteld karakter heeft op basis waarvan de rechter van geval tot geval telkens tot een evenwichtig, genuanceerd oordeel kan komen, ter beantwoording van de vraag of de aangesproken bestuurder gelet op de feiten en omstandigheden van dat geval, in onderling(e) verband en samenhang bezien en alles afwegende, een verwijt van zodanig gewicht te maken valt dat dit als ernstig te gelden heeft, wat diens aansprakelijkheid in die hoedanigheid dan rechtvaardigt. [40] Een en ander geldt als rode draad in de rechtspraak van de Hoge Raad op dit terrein, waaronder zijn Ontvanger/R.-arrest, [41] waarover hiervoor. Terecht zoekt het hof voor de onderhavige zaak in rov. 4.10, slotzin, bij wege van vertrekpunt, aansluiting bij wat de Hoge Raad in het Ontvanger/R.-arrest [42] duidt als de centrale bestuurdersaansprakelijkheidsmaatstaf voor de onder (ii) bedoelde gevallen, dus:
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid dat genoemd vonnis vernietigd zou worden in hoger beroep, in welk geval dat door Sanitech aan Montarlot (onverschuldigd) betaalde bedrag terugbetaald zou moeten worden. Dit een en ander in totaliteit bezien geeft immers ook dan blijk van een zodanige veronachtzaming door Montarlots bestuurders van Sanitechs kenbare, gerechtvaardigde belang dat de drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, in de vorm van de eis van een aan de bestuurders persoonlijk te maken ernstig verwijt, hier, met inachtneming van voornoemde normatieve kader zoals gehanteerd door het hof, zonder twijfel genomen kan worden.
Het Air Holland-arrest [47] van de Hoge Raad, in het bijzonder het volgende citaat daaruit, doet hieraan niet af:
NJ2006/659. Het hof heeft de door de Hoge Raad aanvaarde norm terecht aan zijn oordeel ten grondslag gelegd. Het gaat erom of de aansprakelijk gestelde bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit betekent dat, anders dan de onderdelen betogen, voor een ernstig verwijt als in voormeld arrest van de Hoge Raad bedoeld, voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat ondanks de gestelde tegenvordering een vordering op de vennootschap zou resteren.”
ernstigrekening had moeten houden met de mogelijkheid dat het desbetreffende vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden zodat de vennootschap het uit dien hoofde door de wederpartij (onverschuldigd) aan haar betaalde bedrag terug zou moeten betalen, waarmee zijn Maarssens Bouwbedrijf-arrest [50] (in ieder geval in zoverre) dan ook achterhaald zou zijn. Dit laatste valt eenvoudigweg (dus) niet te lezen in het Air Holland-arrest van de Hoge Raad. Had de Hoge Raad dat wel (ook) bedoeld, dan had dat er wel (ook) gestaan; [51] de Hoge Raad pleegt immers niet verstopt ‘om te gaan’, terwijl van dit laatste hier dan wel sprake zou zijn geweest. [52] Hetzelfde geldt trouwens voor zijn Ontvanger/[R.]-arrest, [53] waarin evenmin een te onderscheiden geval als in de onderhavige zaak voorlag [54] en de Hoge Raad ook niets zegt over zijn Maarssens Bouwbedrijf-arrest, wat dus evenmin verrast. [55] Voor het niettemin aannemen van zo’n hard vereiste voor een te onderscheiden geval als in de onderhavige zaak aan de orde bestaat evenmin goede grond, zoals de onderhavige zaak illustreert. Ik zie geen noodzaak zo’n ‘keurslijfbenadering’ te hanteren waar de door de Hoge Raad aangereikte handvatten zoals bedoeld door het hof in rov. 4.10, slotzin en 4.11 voor zo’n specifiek geval al een evenwichtig toetsingskader bieden om, met inachtneming van de daarin gegeven feiten en omstandigheden alsmede de aan dat kader inherente verhoogde drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid, tot billijke, afgewogen uitkomsten te komen wat betreft het al dan niet aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad jegens een benadeelde schuldeiser van de vennootschap. De rigiditeit van zo’n hard vereiste voegt daaraan niets toe, integendeel. Dit klemt temeer waar het effect van zo’n benadering zou zijn, zoals in de onderhavige zaak, waarover hiervoor, dat als gevolg daarvan de bestuurders de aansprakelijkheidsdans toch zouden ontspringen (omdat zij niet ook (nog eens)
ernstigrekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat het desbetreffende vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden zodat de vennootschap het uit dien hoofde door de wederpartij (onverschuldigd) aan haar betaalde bedrag terug zou moeten betalen), terwijl niet vol te houden valt dat dit, gezien hoe bont de bestuurders het al met al hebben gemaakt in verhouding tot de benadeelde schuldeiser in kwestie, tot een billijke, afgewogen uitkomst zou leiden. Een dergelijk resultaat schiet het doel van hantering van een ernstigverwijtmaatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid voorbij, [56] spreekt daarmee niet aan en veroordeelt aldus zichzelf, zoals het hof in de onderhavige zaak dus ook scherp voor ogen heeft blijkens rov. 4.18 en geen verdere toelichting behoeft. Iets anders is logischerwijs dat het in een concreet geval zo kan zijn dat de aangesproken bestuurder ook
ernstigrekening had moeten houden met de mogelijkheid dat het desbetreffende vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden, zodat de vennootschap het uit dien hoofde door de wederpartij (onverschuldigd) aan haar betaalde bedrag terug zou moeten betalen, wat dan een factor zal kunnen vormen in de te verrichten aansprakelijkheidsanalyse; maar dat is wezenlijk verschillend van zo’n hard vereiste en is in de onderhavige zaak dus ook niet nodig om ’s hofs aansprakelijkheidsoordeel te kunnen schragen, waarover hiervoor. Ten slotte: dat de Air Holland- en Ontvanger/R.-arresten van de Hoge Raad dateren van na zijn Maarssens Bouwbedrijf-arrest is op zichzelf juist, maar dit enkele gegeven maakt het voorgaande logischerwijs niet anders.
Hierop stuit het subonderdeel af.
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid dat het vonnis van 26 februari 2014 in hoger beroep vernietigd zou worden. Het subonderdeel voert aan dat Sanitech niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak [57] dat Sanitech niets gesteld heeft waaruit volgt dat de bestuurders ernstig rekening moesten houden met voornoemde mogelijkheid en dat Sanitech in hoger beroep evenmin bijzondere omstandigheden heeft gesteld waaruit een en ander zou volgen. Tegen hetzelfde oordeel van het hof richt het subonderdeel tevens een motiveringsklacht. Niet valt in te zien, aldus het subonderdeel, op grond van
welkeomstandigheden de bestuurders (nu eigenlijk precies) ernstig rekening zouden hebben moeten houden met de vernietiging van genoemd vonnis, laat staan dat dit valt in te zien ondanks de essentiële stellingen van de bestuurders over de omstandigheden waarmee zij bekend waren in de periode 4 april 2014 t/m 27 januari 2015, op welke stellingen het hof ten onrechte niet of ontoereikend heeft gerespondeerd. [58]
Het subonderdeel veronderstelt dat het hof in het arrest tot het oordeel komt dat de bestuurders in casu
ernstigrekening zouden hebben moeten houden met de mogelijkheid dat het vonnis van 26 februari 2014 in hoger beroep vernietigd zou worden. Deze veronderstelling is onjuist, nu het hof niet tot dat oordeel komt in het arrest. Zie onder 3.3 hiervoor. Aldus gaat het subonderdeel uit van een verkeerde lezing van het arrest, waarmee het feitelijke grondslag mist.
Hierop stuit het subonderdeel af.
ernstig” rekening moesten houden met een vernietiging in hoger beroep van het vonnis van 26 februari 2014, en wel door te oordelen:
Het subonderdeel deelt in het lot van subonderdeel 1.1, dat als gezegd faalt (zie onder 3.3 hiervoor).
Zoals reeds volgt uit de behandeling van subonderdeel 1.1 valt m.i., gelet op al hetgeen in de onderhavige zaak het hof in het bijzonder betrekt bij zijn oordeel dat de bestuurders, kort gezegd, alles afwegende persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt en zij deswege aansprakelijk zijn jegens Sanitech uit onrechtmatige daad voor de daardoor ontstane schade (waarover nader onder 3.3 hiervoor), niet vol te houden dat het hof aldus op te lichte gronden (met voorbijzien aan het verzwaarde karakter van de toepasselijke ernstigverwijtmaatstaf en de daaraan inherente verhoogde drempel voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid) tot dat oordeel komt in het arrest, ook al is daarvan niet tevens onderdeel dat de bestuurders ten tijde van het hen door Sanitech verweten handelen of nalaten ook (nog eens)
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid dat het op 26 februari 2014 gewezen vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden. Wat het subonderdeel aanvoert, in essentie bestaande uit een beperkte selectie van deels tussen aanhalingstekens geplaatste passages in het arrest in combinatie met een abstract beroep op die “hoge drempel” en de veronderstelling dat de bestuurders “niet jegens Sanitech aansprakelijk kunnen zijn” als zij niet (voldoende) ernstig rekening moesten houden met een vernietiging van genoemd vonnis, ziet onder meer voorbij aan het geheel van ’s hofs overwegingen waarop voornoemde oordeel berust, waaruit, in onderling(e) verband en samenhang bezien, (dus) duidelijk blijkt van afdoende grond om die aansprakelijkheid van de bestuurders jegens Sanitech hier aan te nemen, en de onjuistheid van die veronderstelling. Dit behoeft, gelet op de genoemde behandeling van subonderdeel 1.1, geen verdere toelichting.
Hierop stuit het subonderdeel af.
zonderdat de bestuurders
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid dat het vonnis van 26 februari 2014 in hoger beroep vernietigd zou worden, is niettemin onjuist of ontoereikend gemotiveerd het oordeel van het hof (in rov. 4.9, 4.11 en 4.16 t/m 4.18 van het arrest) dat de bestuurders ‘rekening’ moesten houden met die mogelijkheid van vernietiging, zo klaagt in de kern het tweede onderdeel (blijkens de ongenummerde inleiding tot dat onderdeel). Onjuist is dit oordeel gezien de door het hof in rov. 4.11 weergegeven maatstaf van het Maarssens Bouwbedrijf-arrest van de Hoge Raad (waaraan niet voldaan is) en ontoereikend gemotiveerd is dit oordeel in het licht van de door de bestuurders betrokken stellingen, aldus nog steeds het onderdeel.
omstandigheden waarmee de bestuurders bekend warenhad behoren te komen tot een
wegingvan deze omstandigheden en op basis van deze weging diende te beslissen of de bestuurders in casu een (voldoende) ernstig verwijt gemaakt kan worden. Tenslotte kunnen zij ter zake van de litigieuze benadeling slechts persoonlijk aansprakelijk worden gehouden als hun handelen of nalaten als bestuurders ten opzichte van Sanitech
in de gegeven omstandighedenzodanig onzorgvuldig is, dat hen daarvan persoonlijk een (voldoende) ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het subonderdeel betoogt verder dat het hof in rov. 4.12 t/m 4.18 niet of onvoldoende is getreden in (1) een waardering van de bij de bestuurders bekende omstandigheden en (2) de hoegrootheid van de kans van een vernietiging in hoger beroep van genoemd vonnis. Voor zover kenbaar heeft of lijkt het hof slechts geoordeeld te hebben dat de bestuurders (louter) om de reden dat zij bekend waren met het door Sanitech ingestelde hoger beroep ‘rekening’ hadden moeten houden met zo’n vernietiging, waarmee het hof miskent dat uit deze bekendheid
sec(1) niet kan volgen dat de bestuurders “in de zin van
NJ2002/196 (rov. 3.5)” daarmee ‘rekening’ zouden hebben moeten houden en (2) laat staan kan volgen dat de bestuurders ‘dus’ “in de zin van Ontvanger/[R.]” wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen “dat de door hen bewerkstelligde respectievelijk toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg
zouhebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal
zoubieden voor de als gevolg daarvan optredende schade en de bestuurders daarom een (voldoende) ernstig verwijt zou treffen”. Een en ander klemt temeer, zo klaagt het subonderdeel verder, omdat (1) het hof niet vaststelt dat de bestuurders op het moment van het verrichten van de in rov. 4.12.a-d vermelde betalingen al met het door Sanitech ingestelde hoger beroep
bekendwaren en (2) de bestuurders nu juist gesteld hebben niet alleen dat zij in eerste instantie dachten dat Sanitech in het vonnis zou berusten en dat Sanitech geen executiekortgeding startte en in plaats daarvan vrijwillig betaalde, [59] maar ook dat zij niet de verplichting voelden om het van Sanitech ontvangen bedrag apart te zetten. [60] Hierbij is van belang, zo voert het subonderdeel tot slot nog aan, dat Sanitech naar haar eigen stelling pas op 11 april 2014 hoger beroep heeft ingesteld tegen het (reeds) op 26 februari 2014 gewezen vonnis. [61] Derhalve past het hof de maatstaf verkeerd toe. [62]
In rov. 4.9 van het arrest overweegt het hof als volgt:
Hierop stuit het subonderdeel af.
sec” zou kunnen volgen dat de bestuurders ‘dus’ “op de voor de hier toepasselijke maatstaf van Ontvanger/[R.] relevante wijze” rekening moesten houden met die vernietigingsmogelijkheid: dat iemand appelleert, zegt als zodanig immers niets over de hoegrootheid van de kans dat de door hem bestreden uitspraak in dat ingestelde hoger beroep vernietigd wordt.
Vooreerst ziet het subonderdeel eraan voorbij dat het hof in rov. 4.16 van het arrest voortbouwt op rov. 4.9, slotzin (in verbinding met de in rov. 4.9 genoemde Hoge Raad-rechtspraak), en hetgeen het hof in het licht daarvan tot uitgangspunt neemt. Zie onder 3.10 hiervoor. Dit maakt dat rov. 4.16 niet onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Bij die stand van zaken:
NJ2002/196)” rekening hoefden te houden met de mogelijkheid dat het vonnis van 26 februari 2014 vernietigd zou worden: [69]
vrijwilligaan Montarlot voldeed;
geen enkeleomstandigheid gesteld heeft op basis waarvan de bestuurders - wederom afgezien van de aan ieder ingesteld hoger beroep inherente (theoretische) kans dat de daarin bestreden uitspraak vernietigd wordt - met die mogelijkheid rekening zouden moeten houden, temeer gelet op het in subonderdeel 2.1 onder de derde “(1)” en “(2)” aangevoerde (zie onder 3.9 hiervoor).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Wat er verder zij van het subonderdeel, [76] m.i. loopt dit reeds erop vast dat de bestuurders daarbij hoe dan ook geen belang hebben. [77] In de onderhavige zaak worden, zoals het hof ook overweegt in rov. 4.10, eerste zin van het arrest (na de komma: “maar in deze zaak wordt niet Montarlot, maar worden haar bestuurders aangesproken”) de bestuurders door Sanitech aangesproken, niet (ook) Montarlot. De door het hof aangenomen aansprakelijkheid van de bestuurders jegens Sanitech is gegrond op onrechtmatige daad van de bestuurders in die hoedanigheid jegens Sanitech (wegens het aan hen persoonlijk te maken ernstig verwijt zoals bedoeld door het hof, waarover ook hierna) en betreft de daardoor ontstane schade van Sanitech, in de eerste plaats betrekking hebbend op het onbetaald en onverhaalbaar gebleven deel van de terugbetalingsvordering van Sanitech op Montarlot (waarover nader rov. 4.19). Die vordering als zodanig moet hiervan worden onderscheiden en betreft de reeds op Montarlot rustende terugbetalingsverplichting jegens Sanitech uit hoofde van het arrest van 27 januari 2015 en onverschuldigde betaling als gevolg van de vernietiging van het vonnis van 26 februari 2014 (zie ook rov. 4.6), [78] welke vordering dus grotendeels onbetaald en onverhaalbaar is gebleven waardoor Sanitech is benadeeld (zie ook rov. 4.19), waarbij komt dat Montarlot ter zake zonder ingebrekestelling in verzuim is en derhalve wettelijke rente is verschuldigd aan Sanitech vanaf 1 april 2014 (de dag waarop Sanitech op grond van dat vonnis € 235.270,07 heeft voldaan op de derdenrekening van de advocaat van Montarlot, zie ook rov. 4.5). [79] Dit een en ander, dat gegeven is en in het arrest besloten ligt:
niet heeftlaten betekenen aan Sanitech en in plaats daarvan in onderhandeling is getreden met (de advocaat van) Sanitech;
vrijwillighet gehele bedrag aan Montarlot heeft voldaan op de derdengeldenrekening van de advocaat van Montarlot;
Sanitechis, die in dit geding een veroordeling eist van de bestuurders als in het dictum (onder 6.3), om te stellen en zo nodig te bewijzen dat - als bedoeld in rov. 4.11 onder (iii) - in de gegeven omstandigheden aan de bestuurders verweten kan worden dat zij “desondanks” gelden onttrokken hebben aan de vennootschap met verwaarlozing van het belang van Sanitech. Het subonderdeel merkt op, in noot 43 aldaar, dat van “deze stelplicht- en bewijslastverdeling” partijen ook zijn uitgegaan.
Het hof gaat ook wat betreft de in rov. 4.11 onder (iii) van het arrest bedoelde vraag, waarop rov. 4.16 mede betrekking heeft, en bezien ook in het licht van rov. 4.7-4.8, 4.9, slotzin en 4.10, slotzin alsmede rov. 4.11-4.15, 4.16, eerste zin en 4.17-4.19, ervan uit dat de stelplicht/bewijslast (in beginsel) rust op Sanitech, als eisende partij. [86] In rov. 4.16 brengt het hof m.i. mede tot uitdrukking:
Hierop stuit het subonderdeel af.
[eiser 1] en [eiser 2]als bestuurders van Montarlot, zodat het te dezen niet relevant is wat
Montarlotheeft gesteld. Indien het hof met “Montarlot” doelt of mede doelt op de
bestuurders, miskent het dat het in ieder geval niet aan de
bestuurderswas om te stellen als hiervoor vermeld, maar dat het aan Sanitech was om dat te doen.
Het subonderdeel loopt reeds vast op een verkeerde lezing van het arrest, en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag, wat betreft de stelplicht/bewijslast-verdeling die het hof ter zake hanteert. Ik verwijs naar de behandeling van subonderdeel 4.1, onder 3.22 hiervoor. Ten overvloede wijs ik erop:
prohibitiefis om aan te nemen dat in een geval als het onderhavige de bestuurders, willen zij niet in deze hoedanigheid jegens een partij als Sanitech persoonlijk aansprakelijk zijn, het (kort gezegd) daarheen hadden moeten leiden dat de betreffende vennootschap nog slechts ‘noodzakelijke’ betalingen in het kader van de ‘gewone bedrijfsuitoefening zou verrichten’;
Bij de behandeling van subonderdeel 1.1, onder 3.3 hiervoor, ben ik ingegaan op de crux van ’s hofs aansprakelijkheidsoordeel dat uitmondt in rov. 4.19 van het arrest (en het dictum onder 6.3). Omwille van de leesbaarheid herhaal ik hier die uiteenzetting.
In rov. 4.17 overweegt het hof dat “[g]elet op al deze feiten en omstandigheden de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt [kan] worden dat zij het door Sanitech betaalde bedrag hebben besteed aan de genoemde onverplichte betalingen, met verwaarlozing van het belang van Sanitech”, hetgeen hun aansprakelijkheid jegens Sanitech uit hoofde van onrechtmatige daad voor de daardoor ontstane schade constitueert. [93] Bezien in het licht van in het bijzonder rov. 4.9 , 4.10, slotzin en 4.11-4.18, lijdt het m.i. geen twijfel dat het hof daarbij in het bijzonder betrekt, kort gezegd:
ernstigrekening moesten houden met de mogelijkheid van vernietiging van het vonnis van 26 februari 2014 (bijvoorbeeld omdat het vonnis een duidelijke misslag bevatte of als er in hoger beroep nieuwe feiten en omstandigheden naar voren waren gebracht), nu, in essentie:
Vooropgesteld zij dat het hof dus niet in rov. 4.16 de vraag beantwoordt, met inachtneming ook van rov. 4.11 onder (iii), of de bestuurders in het licht van de gegeven feiten en omstandigheden persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden dat zij gelden onttrokken hebben aan Montarlot, door het besteden van het door Sanitech betaalde bedrag aan genoemde onverplichte betalingen, met verwaarlozing van het belang van Sanitech; dat doet het hof in rov. 4.17. Vooropgesteld zij verder dat het hof die vraag dus kenbaar wel beantwoordt in het licht van de gegeven feiten en omstandigheden, met inachtneming ook van rov. 4.11 onder (i) en (ii), zich aldus niet beperkend tot het in rov. 4.16 overwogene. Zoals ook volgt uit de behandeling van subonderdelen 4.1 en 4.2, die rov. 4.16 tevergeefs bestrijden (waarover onder 3.22 en 3.24 hiervoor), redeneert het hof daarbij vanuit een ter zake (in beginsel) op Sanitech als eisende partij rustende stelplicht/bewijslast, en onderkent het daarbij ook het door Montarlot en de bestuurders aangevoerde in het kader van hun verweer ter zake. Zoals volgt uit het voorgaande, ziet het hof bij zijn contextgebonden oordeel dat een zodanig persoonlijk ernstig verwijt hier op zijn plaats is niet voorbij aan een zekere, aan de bestuurders toekomende ruimte namens de vennootschap bepaalde betalingen (aan schuldeisers) te doen, met oog ook voor het daartoe zijdens Montarlot met inbegrip van de bestuurders aangevoerde (zie onder 3.22 hiervoor) en in aanmerking genomen de situatie in de relevante periode (zoals mede uiteengezet in rov. 4.9, slotzin, 4.12-4.15 en 4.16, eerste twee zinnen) die daarop naar de aard inwerkt, [101] maar oordeelt het hof, naar de kern genomen en met inachtneming van het partijdebat alsmede de gegeven feiten en omstandigheden van dit geval, dat het grotendeels onbetaald en onverhaalbaar gebleven zijn van Sanitechs terugbetalingsvordering op Montarlot vanwege de vernietiging van het vonnis van 26 februari 2014 met het arrest van 27 januari 2015 terug te voeren valt op uit de uit die feitelijke gang van zaken in die relevante periode volgende, buiten dat bereik van die te laten ruimte vallende besteding door de bestuurders van dat door Sanitech aan Montarlot betaalde bedrag aan onverplichte betalingen aan zichzelf (het ineens inlossen van hun vordering op Montarlot uit rekening-courant) en gelieerde partijen (Ascalon, Spec Holding en Synspec) in plaats van dit bedrag te reserveren, blijk gevend van betalingsonwil van de bestuurders jegens Sanitech (want van het “lichtvaardig en doelbewust onmogelijk maken van verhaal”, etc, waarover ook rov. 4.18). [102] , [103] Gelet daarop, en in het licht ook van de behandeling van subonderdelen 4.4 en 4.5 (die eveneens falen, zie onder 3.28 en 3.30 hierna), rechtvaardigt (ook) hetgeen het onderhavige subonderdeel aanvoert niet de conclusie dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of een ontoereikende motivering door aldus in dit geval genoemde ruimte te laten aan de bestuurders om in de relevante periode door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen te doen, en in het kader daarvan betalingen aan schuldeisers te verrichten, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voorzetten, te concluderen dat daarvan hier geen sprake was en dat te betrekken bij de beantwoording van voornoemde vraag naar de aansprakelijkheid van de bestuurders in die hoedanigheid jegens Sanitech uit onrechtmatige daad voor de daardoor ontstane schade zoals gevorderd door Sanitech (zie ook rov. 4.7), [104] , [105] waarbij nog zij aangetekend:
Hierop stuit het subonderdeel af.
nietkan worden gemaakt, reden waarom (“Derhalve”, etc.) het hof ten onrechte niet of ontoereikend op deze stellingen respondeert:
vrijwilligaan Montarlot betaalde;
De stelling
onder (a)onderkent het hof, blijkens rov. 4.9, slotzin van het arrest. Zoals uiteengezet bij de behandeling van onderdeel 2, onder 3.8-3.14 hiervoor, staat deze stelling niet in de weg aan ’s hofs oordeel, kort gezegd, dat Montarlot en de bestuurders in beginsel rekening moesten houden met de mogelijkheid dat het vonnis van 26 februari 2014 in hoger beroep vernietigd zou worden (zie rov. 4.9, slotzin en 4.16, eerste zin), noch vergde deze stelling ter zake een nadere motivering door het hof. Dit geldt ook voor de stellingen
onder (b) en (c), [108] die het hof aldus (impliciet) ook verwerpt. Temeer zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat deze stellingen
onder (a) t/m (c)kunnen afdoen aan ’s hofs oordeel, kort gezegd, dat de bestuurders ernstig rekening moesten houden met de mogelijkheid dat in geval van zo’n vernietiging Montarlot niet in staat zou zijn het door Sanitech betaalde bedrag terug te betalen (zie rov. 4.14-4.15) en dat (zoals het hof het uitdrukt in rov. 4.17) gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden dat zij dat bedrag hebben besteed aan de genoemde onverplichte betalingen met verwaarlozing van Sanitechs belang (zoals uiteengezet onder 3.3 en 3.26 hiervoor), noch dat deze stellingen ter zake een nadere motivering door het hof vergden. De stelling
onder (d)maakt het voorgaande niet anders, nu het hof onderkent dat het door Sanitech op 1 april 2014 betaalde bedrag van € 235.270,07 (zie rov. 4.5), dat Montarlot op 3 april 2014 op haar bankrekening ontving (zie rov. 4.12.a), op 4 april 2014 is doorgestort naar een privé-bankrekening van een van de bestuurders, [eiser 2] (zie rov. 4.12.b), en het in het licht van de feiten en omstandigheden van dit geval aan de bestuurders persoonlijk te maken ernstig verwijt niet zozeer relateert aan die doorstorting als zodanig, als wel aan, kort gezegd, de daarop volgende besteding door de bestuurders van dat bedrag (dus via die privé-bankrekening van [eiser 2] ) aan de in rov. 4.17 genoemde onverplichte betalingen aan de bestuurders zelf en gelieerde partijen (Ascalon, Spec Holding en Synspec) met verwaarlozing van Sanitechs belang. Dat kon het hof zo doen zonder daarbij nog weer nader in te gaan op deze stelling, die daaraan niet in de weg staat. In het verlengde hiervan maakt de stelling
onder (e)het voorgaande evenmin anders, nu ook die specifiek betrekking heeft op die privé-bankrekening en het gebruik daarvan door/voor Montarlot, niet op genoemde besteding van dat bedrag door de bestuurders. Het hof miskent de stellingen
onder (f) en (g)niet, maar oordeelt blijkens rov. 4.16 en 4.17, met oog ook voor het partijdebat in hoger beroep (zie onder 3.22 hiervoor) en inachtneming van de situatie in de relevante periode (zoals mede uiteengezet in rov. 4.9, slotzin, 4.12-4.15 en 4.16, eerste twee zinnen), en zonder schending van enige rechtsregel (zie onder 3.26 hiervoor), dat deze niet afdoen aan het aan de bestuurders in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval persoonlijk te maken ernstig verwijt nu het hier, kort gezegd en te bezien in het licht van genoemde situatie, gaat om onverplichte betalingen door de bestuurders aan zichzelf en gelieerde partijen met verwaarlozing van Sanitechs belang, welke betalingen niet vallen onder door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen, en in het kader daarvan verrichte betalingen aan schuldeisers, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voortzetten (dat van het tegendeel sprake was, heeft Montarlot met inbegrip van de bestuurders dus niet (afdoende) kunnen uitleggen aan het hof, wat bij dat tegendeel wel voor de hand had gelegen), blijk gevend van betalingsonwil van de bestuurders jegens Sanitech (want van het “lichtvaardig en doelbewust onmogelijk maken van verhaal”, etc., waarover ook rov. 4.18). Dat kon het hof zo doen zonder daarbij nog weer nader in te gaan op deze stellingen, die daaraan niet in de weg staan. Voor zover het subonderdeel met de stelling
onder (f)ook aansluiting zoekt bij subonderdeel 4.5, dat faalt (zie onder 3.30 hierna), deelt het in het lot daarvan. Wat betreft de stelling
onder (h)geldt dat het hof onderkent dat het vonnis van 26 februari 2014 bij arrest van 27 januari 2015 in hoger beroep is vernietigd en dat Sanitech daardoor een terugbetalingsvordering op Montarlot kreeg (zie rov. 4.6-4.8, 4.12), dat het hof ervan uitgaat dat de relevante betalingen zowel voor als na 27 januari 2015 plaatsvonden (zie rov. 4.12) (dus niet alleen ervoor), en dat wat betreft de periode daarvoor (met inbegrip van 4 april 2014 en nadien) Montarlot en de bestuurders in beginsel rekening moesten houden met de mogelijkheid dat genoemd vonnis in hoger beroep vernietigd zou worden (zie rov. 4.9, slotzin en 4.16, eerste zin; wat de bestuurders naar ’s hofs oordeel ook deden, zie mede rov. 4.18 over het hier ook toepasselijke lichtvaardig en doelbewust onmogelijk maken van verhaal, voor het geval van een ongunstig uitpakkend hoger beroep), waarover ook de behandeling van onderdeel 2 onder 3.8-3.14 hiervoor. Dat kon het hof zo doen zonder daarbij nog weer nader in te gaan op deze stelling, die daaraan niet in de weg staat. Bij deze stand van zaken, en temeer zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat deze stelling kan afdoen aan ’s hofs oordeel, kort gezegd, dat de bestuurders ernstig rekening moesten houden met de mogelijkheid dat in geval van zo’n vernietiging Montarlot niet in staat zou zijn het door Sanitech betaalde bedrag terug te betalen (zie rov. 4.14-4.15) en dat (zoals het hof het uitdrukt in rov. 4.17) gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval de bestuurders persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt kan worden dat zij dat bedrag hebben besteed aan de genoemde onverplichte betalingen met verwaarlozing van Sanitechs belang (zoals uiteengezet onder 3.3 en 3.26 hiervoor), noch dat deze stellingen ter zake een nadere motivering door het hof vergden. Tot slot de stelling
onder (i). Daarvoor geldt dat het hof deze onderkent, maar voor de onderhavige zaak verwerpt met zijn oordeel, kort gezegd, dat de bestuurders in het licht van de gegeven feiten en omstandigheden (waaronder die genoemd in rov. 4.16, tweede t/m zesde zin), waarin besloten ligt dat zij wat betreft de in rov. 4.16 bedoelde betalingen (“de hiervoor opgesomde betalingen”, etc.) het door Sanitech betaalde bedrag van € 235.270,07 niet hebben gereserveerd, persoonlijk een ernstig verwijt te maken valt dat zij dat door Sanitech betaalde bedrag hebben besteed aan genoemde onverplichte betalingen met verwaarlozing van het belang van Sanitech, waaruit volgt dat en waarom het de bestuurders onder dit gesternte, en bezien in het kader van hun aansprakelijkheid in die hoedanigheid jegens Sanitech uit onrechtmatige daad voor de daardoor ontstane schade, niet vrijstond deze gedragslijn (en de daaraan inherente niet-reservering van de desbetreffende bedragen) te volgen. Bij deze stand van zaken was er voor het hof geen aanleiding nog weer nader in te gaan op deze stelling, in het kader van de motivering van diens oordeel. De slotsom luidt dat hetgeen het subonderdeel aanvoert, ook in onderling(e) verband en samenhang bezien, niet maakt dat het hof (in rov. 4.16-4.17) ten onrechte niet of ontoereikend respondeert op deze stellingen van de bestuurders onder
(a) t/m (i).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Vooropgesteld zij dat waar het hof in rov. 4.16, vierde t/m zesde zin van het arrest kortweg verwijst naar “Montarlot”, het, gelet ook op de gedingstukken, tevens doelt het op hetgeen ter zake door de bestuurders is aangevoerd. Zie de behandeling van subonderdeel 4.2, onder 3.24 hiervoor. De stellingen
onder (a) en (b)betreffen in essentie een algemeen kenmerk van Montarlot en deze onderkent het hof, mede gelet op rov. 4.14, vierde zin. Uit die stellingen blijkt naar de aard niet dat (een of meer van) de specifieke, in rov. 4.16 bedoelde betalingen (“de hiervoor opgesomde betalingen”, etc.) zijdens Montarlot in de relevante periode vielen onder door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen, en in dat kader verrichte betalingen aan schuldeisers, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voortzetten, zoals bedoeld in rov. 4.16, derde en vierde zin. Die stellingen vergden dan ook geen nadere motivering door het hof in rov. 4.16, zoals bedoeld door het subonderdeel. Wat betreft de stelling
onder (c)geldt dat deze in essentie een algemeen kenmerk betreft van de wijze waarop Montarlot en haar dochtervennootschappen waren gefinancierd, hetgeen het hof onderkent waar het overweegt dat er sprake was van een rekening-courantverhouding tussen Montarlot en de bestuurders, in welk kader Montarlot een schuld had aan de bestuurders (zie rov. 4.12.c, 4.16, voorlaatste zin), en het ineens inlossen van die vordering door Montarlot op 4 en 7 april 2014 aanmerkt als niet aldus noodzakelijke, onverplichte betalingen (zie rov. 4.16, voorlaatste zin, alsmede rov. 4.17). Uit die stelling blijkt naar de aard niet dat (een of meer van) deze specifieke betalingen zijdens Montarlot in de relevante periode vielen onder door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen, en in dat kader verrichte betalingen aan schuldeisers, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voortzetten, zoals bedoeld in rov. 4.16, derde en vierde zin. Die stelling vergde dan ook geen nadere motivering door het hof in rov. 4.16, zoals bedoeld door het subonderdeel. Wat betreft de stelling
onder (d)geldt vooreerst dat het hof voorafgaand aan rov. 4.16 onder meer ingaat op de vraag of er, kort gezegd, in de relevante periode inderdaad feitelijk geen (winstgevende) activiteiten werden ontplooid (en geen inkomsten werden gegenereerd), welke vraag het hof bevestigend beantwoordt wat logischerwijs naast Montarlot (“een financiële holding, een ontwikkelbedrijf dat investeert”, etc.) ook haar dochtermaatschappij (“64% deelneming”) Ascalon raakt in lijn ook met het door Sanitech gestelde (zie rov. 4.14-4.15, alsook onder 3.22 hiervoor), in welk verband het hof bijvoorbeeld ook overweegt dat Montarlot heel in het algemeen nieuwe projecten noemt, die zich pas later zouden gaan uitbetalen, maar niet heeft geconcretiseerd welke projecten zij bedoelt en op grond waarvan en wanneer daaruit inkomsten waren te verwachten in 2014/2015, toen de in rov. 4.12 genoemde betalingen zijn verricht. Bezien tegen deze bij rov. 4.16 reeds gegeven achtergrond, en in aanmerking genomen dat uit deze niet geconcretiseerde stelling niet blijkt dat enige van de zijdens Montarlot (aan of ten behoeve van Ascalon) in de relevante periode gedane specifieke betalingen zoals bedoeld in rov. 4.12 zag op specifieke “feitelijke werkzaamheden” van Montarlot via Ascalon (al dan niet inzake ‘Codex’), vallend onder door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen, en in dat kader verrichte betalingen aan schuldeisers, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voortzetten, zoals bedoeld in rov. 4.16, derde en vierde zin, gaf deze stelling het hof geen aanleiding tot een nadere motivering in rov. 4.16, zoals bedoeld in het subonderdeel. Dit een en ander geldt eveneens voor de stelling
onder (e), die het hof blijkens rov. 4.14-4.15 evenmin miskent en waarvoor hoe dan ook geldt dat deze niet is geconcretiseerd (zie ook hiervoor) en dat daaruit niet blijkt dat enige van de zijdens Montarlot (aan Ascalon) in de relevante periode gedane specifieke betalingen zoals bedoeld in rov. 4.12 zag op een specifieke “investering”, vallend onder door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen, en in dat kader verrichte betalingen aan schuldeisers, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voortzetten, zoals bedoeld in rov. 4.16, derde en vierde zin. Ook deze stelling gaf het hof dus geen aanleiding tot een nadere motivering in rov. 4.16, zoals bedoeld in het subonderdeel. In lijn daarmee geldt ook voor de stellingen
onder (f) en (g), ten slotte, die in essentie zien op een algemeen kenmerk van Montarlot als “ontwikkelbedrijf” (wat het hof dus onderkent in rov. 4.14-4.15, zie ook hiervoor) en een “rolverdeling tussen moeder- en dochtervennootschap” die “in het gehele Nederlandse vennootschapsrecht gebruikelijk is”, dat daaruit naar de aard niet blijkt dat (een of meer van) de specifieke, in rov. 4.16 bedoelde betalingen (“de hiervoor opgesomde betalingen”, etc.) zijdens Montarlot in de relevante periode vielen onder door de gewone bedrijfsvoering van Montarlot (of van Ascalon) ingegeven bestedingen, en in dat kader verrichte betalingen aan schuldeisers, die feitelijk nodig waren om het bedrijf te kunnen voortzetten, zoals bedoeld in rov. 4.16, derde en vierde zin. Die stellingen vergden dan ook geen nadere motivering door het hof in rov. 4.16, zoals bedoeld door het subonderdeel. De slotsom luidt dat hetgeen het subonderdeel aanvoert, ook in onderling(e) verband en samenhang bezien, niet maakt dat het hof (in rov. 4.16) ten onrechte niet of ontoereikend respondeert op deze stellingen van Montarlot en de bestuurders
onder (a) t/m (g).
Hierop stuit het subonderdeel af.
Subonderdeel 5.1klaagt dat van een onjuiste rechtsopvatting en/of ontoereikende motivering blijk geeft ’s hofs oordeel in rov. 4.17 van het arrest dat “gelet op de feiten en omstandigheden” de bestuurders “persoonlijk” een ernstig verwijt gemaakt kan worden. Het subonderdeel voert aan, kort gezegd, dat uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder gemaakt moet kunnen worden, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid voor iedere aangesproken bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend, alsmede dat de schuldeiser van de vennootschap in beginsel per aangesproken bestuurder zal moeten stellen dat de desbetreffende bestuurder persoonlijk jegens hem gehandeld heeft (art. 149 en Pro 150 Rv). Het hof miskent dit althans laat na te motiveren waarom het desondanks niet voor iedere bestuurder afzonderlijk ( [eiser 1] en [eiser 2] ) vaststelt dat hij/zij in zijn/haar hoedanigheid onrechtmatig gehandeld heeft en dat dit handelen aan hem/haar toegerekend kan worden, want het hof vermeldt niet (1)
welkvoldoende ernstig verwijt specifiek [eiser 1] gemaakt kan worden en (2)
welkvoldoende ernstig verwijt specifiek [eiser 2] gemaakt kan worden.
Subonderdeel 5.2klaagt dat indien en voor zover het hof met zijn beslissing in rov. 4.19 van het arrest dat de veroordeling hoofdelijk uitgesproken zal worden om de reden dat de bestuurders “dit niet weersproken” hebben, als zijn oordeel tot uitdrukking brengt dat het aan [eiser 1] en [eiser 2] was om feiten te stellen waaruit zou (kunnen) volgen dat hen afzonderlijk
geenvoldoende ernstig persoonlijk verwijt te maken valt, miskent het hof dat
Sanitechin beginsel per aangesproken bestuurder (zowel [eiser 1] , als [eiser 2] ) moest stellen dat de desbetreffende bestuurder persoonlijk jegens Sanitech gehandeld heeft (art. 149 en Pro 150 Rv) en waarom deze bestuurder een voldoende ernstig verwijt treft en/of miskent het hof dat Sanitech niet voldaan heeft aan deze stelplicht.
Worden, zoals in het onderhavige geval, door de benadeelde schuldeiser van de vennootschap haar twee (directe) bestuurders in die hoedanigheid aangesproken uit hoofde van onrechtmatige daad, dan vergt het aannemen van hun beider bestuurdersaansprakelijkheid ter zake, in essentie, dat ten aanzien van ieder van hen kan worden vastgesteld dat de bestuurder, in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De stelplicht/bewijslast ter zake rust (in beginsel) op die schuldeiser, als eisende partij. Het element “persoonlijk” drukt het individuele karakter uit van deze, op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheid, te onderscheiden, bij een meerhoofdig bestuur en kort gezegd, van het in beginsel niet-individuele (collectieve) karakter van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van bepalingen als art. 2:9 BW Pro (zie lid 2, “Ieder van hen”, etc.) en art. 2:248 BW Pro (zie lid 1 in verbinding met lid 3). Zie bijvoorbeeld het Pelco-arrest van de Hoge Raad: [110]
welkernstig verwijt ieder van hen persoonlijk te maken valt, nu ieder van hen persoonlijk hetzelfde ernstig verwijt te maken valt. Wat betreft subonderdeel 5.2 zij daarbij ten eerste nog opgemerkt dat dit uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest, en daarmee feitelijke grondslag mist, door rov. 4.19, slotzin niet slechts aldus op te vatten dat de onder 6.3 van het arrest bedoelde veroordeling “hoofdelijk” zal zijn (“zo dat de een betalende de andere zal zijn bevrijd”) zoals gevorderd door Sanitech, omdat dát (dus: dat hoofdelijke karakter van die veroordeling) door de bestuurders niet is betwist: het door het subonderdeel veronderstelde oordeel (“als zijn oordeel tot uiting heeft gebracht”, etc.) huldigt het hof in werkelijkheid dus niet, wat ook logisch is, omdat bij rov. 4.19, slotzin de vaststelling van de aansprakelijkheid van de bestuurders jegens Sanitech (wegens het ernstig verwijt dat ieder van hen persoonlijk te maken valt) al een gepasseerd station is, en het daar nog ‘slechts’ gaat om de al dan niet hoofdelijkheid van de veroordeling, wat iets anders is (vgl. art. 6:102 lid 1 BW Pro, waaruit volgt dat als op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust, zij hoofdelijk verbonden zijn). Voor het overige geldt dat, gegeven het voorgaande, het hof dus hoe dan ook niet miskent dat het in beginsel aan Sanitech was per aangesproken bestuurder (zowel [eiser 1] , als [eiser 2] ) te stellen dat de desbetreffende bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treft en dat Sanitech heeft voldaan aan deze stelplicht.
Hierop stuiten de subonderdelen af.