Conclusie
1.Feiten
negligence and breach of contract.
lead claimantsdie door de Stichting worden aangewezen;
claims administratorzal aanstellen, die verantwoordelijk zal zijn voor de toekenning en de uitbetaling van de schadevergoeding aan de slachtof- fers; en
claims administratorte controleren.
2.Procesverloop
Fraternité Matin, althans op een door het hof te bepalen wijze, op kosten van Trafigura c.s. en op straffe van een dwangsom;
3.Onderdeel 1: bevoegdheids- en verwijzingsoordeel
eerste klacht). Althans, zo stelt het subonderdeel, heeft het hof miskend dat het de zaken tegen Trafigura Beheer en Trafigura Limited gelijktijdig had moeten (laten) behandelen, door ook de zaak tegen Trafigura Beheer terug te wijzen (
tweede klacht).
forum rei). Art. 4 wijst Pro daarbij alleen de internationaal bevoegde rechter aan (‘verweerder wordt opgeroepen voor “
de ge- rechten” van de lidstaat waar hij zijn woonplaats heeft’). De beantwoording van de vraag welke rechter binnen de betreffende lidstaat vervolgens relatief bevoegd is, wordt door de verordening aan het nationale procesrecht overgelaten.[26]
omdat daardoor vermeden kan worden dat in de verdragsluitende landen onderling onverenigbare beslissingen worden gewezen”.[31] Het HvJEU heeft het doel van deze be- voegdheidsregel in latere rechtspraak aldus verwoord, dat de regel ertoe strekt een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.[32]
Kalfelis-arrest, dat is gewezen onder de vigeur van art. 6 onder Pro 1 EEX-Verdrag.[33] Tegen de achtergrond van het vermelde in het rapport Jenard, overwoog het HvJEU in dat arrest als volgt (punten 8-13):[34]
het gerecht van de woonplaats” van een van de verweerders (de ankergedaagde). Aan de relatieve bevoegdheidsregels van het nationale procesrecht komt bij toepassing van deze bepaling derhalve geen betekenis toe.[36] In het rapport Jenard wordt de keuze voor deze – wat Strikwerda en Schaafsma noemen [37] – ‘dubbelfunctie’ van art. 8 onder Pro 1 Verordening Brussel I-bis als volgt toegelicht:[38]
beginselbevoegdheid van de rechter van de woon- plaats van de verweerder”. De uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.[39] Voorts geldt dat art. 8 onder Pro 1 autonoom moet worden uitgelegd aan de hand van het stelsel en de doelstellingen van de verordening.[40]
De Open Ankh[45] heeft de Hoge Raad een uitzondering aangenomen op het verbod van terugverwijzing in het geval waarin de appelrechter een uitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, (i) hetzij wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, (ii) hetzij op grond van het bepaalde in art. 1022 Rv Pro (het bestaan van een arbitrageovereenkomst), (iii) hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil. In deze uitzonderingsgevallen dient de appelrechter de zaak wél terug te wijzen naar de rechter in eerste aanleg, tenzij beide partijen afdoening door de appelrechter wensen, zo voegde de Hoge Raad in het kort nadien gewezen arrest
Meulen/Keijserstoe.[46] Weliswaar onderkent de Hoge Raad dat toe- passing van het verbod van terugverwijzing meebrengt dat in een aantal gevallen een substantieel gedeelte van het geschil tussen partijen slechts in één feitelijke instantie zal worden berecht, “
doch nu die gevallen zich niet met behulp van een duidelijk en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium laten onderscheiden, dient voormelde regel steeds toepassing te vinden”, zo is in het arrest
De Open Ankhoverwogen.
Meulen/Keijsers[47] bepaalt sinds 2002 art. 76 Rv Pro dat indien de appelrechter een vonnis of beschikking van de lagere rechter, waarbij deze zich onbevoegd had verklaard wegens het ontbreken van rechtsmacht of in verband met een overeenkomst tot arbitrage, vernietigt, de rechter de zaak naar deze lagere rechter verwijst
, tenzij partijen verklaren te verlangen dat de appelrechter de zaak aan zich houdt.Art. 76 Rv Pro bevat dus een tweetal uitzonderingen op de hoofdregel van het verbod van terugverwijzing en voegt daar- aan toe dat partijen zelf om afdoening door de appelrechter kunnen vragen.
rationesvan het terugwijzingsverbod spelen geen rol in deze gevallen, waarin de eerste rechter zich in het geheel nog niet heeft uitgesp- roken over het materiële geschil, aldus Vranken. De Hoge Raad is hier echter niet in meege- gaan. Ook het voorstel van A-G Wesseling-Van Gent om het verbod te doorbreken als sprake is van schending van een zo fundamenteel beginsel dat van een eerlijke en onpartijdige be- handeling niet meer kan worden gesproken (bijvoorbeeld schending van het beginsel van hoor en wederhoor), heeft de Hoge Raad niet gevolgd. [49]
AB&P c.s./AXAuit 2009 een nadere uitzondering op het terugwijzingsver- bod aangenomen, namelijk voor het geval “
in eerste aanleg ten onrechte ontslag van instantie is verleend en waarin dus de rechter op louter processuele gronden eveneens niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen”.[50] Deze uitzondering beperkt zich dus tot een zeer specifieke situatie: de eerste rechter heeft ten onrechte ontslag van instantie verleend.
AB&P c.s./AXAzo moest worden uitge- legd, dat het verbod van terugverwijzing níet geldt in alle gevallen waarin de rechter in eerste aanleg
op louter processuele grondenniet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak is toegekomen.[51] Daarmee zou de Hoge Raad de reikwijdte het verbod van terugverwijzing hebben willen relativeren.
AB&P c.s./AXA. De Hoge Raad oordeelde echter in beide zaken dat het hof de zaak aan zich diende te houden. De overwe- gingen uit het arrest
AB&P c.s./AXAworden herhaald, waarna overwogen wordt dat zich geen van de daar genoemde uitzonderingen voordoet. [54]
twee-instanties-beginsel” en is bij het omschrijven van een categorie van uitzonderingsgevallen de kans groot dat de vaagheid van de criteria tot interpretatieproblemen leidt. Om die reden moeten de uitzonderingen beperkt worden gehouden. Hij onderschrijft dan ook de opmerking van A-G Ten Kate,[61] dat het ook een belang op zichzelf is procedures niet te be- zwaren met geschillen over de vraag of de appelrechter die een einduitspraak vernietigt, de zaak al dan niet moet (of kan) terugwijzen.[62]
binnende lidstaat waar de ankergedaagde (Trafigura Beheer) woonplaats heeft, en bestaat hieruit dat de vorderingen tegen de verschillende verweerders niet (langer) tegelijkertijd in dezelfde feitelijke instantie worden behandeld en berecht.
eerste klachtvan subonderdeel 1.1 verdedigt dat in een dergelijk geval geen plaats is voor toepassing van art. 8 onder Pro 1 Verordening Brussel I-bis. Het subonderdeel kan hierin niet worden gevolgd. Daartoe geldt het volgende.
Kalfelis-arrest van het HvJEU, waarin naar dat rapport wordt verwezen (zie onder 3.11-3.12),[63] maar ligt ook besloten in punt 21 van considerans van de Verordening Brussel I-bis.[64] Dit punt 21 – het HvJEU verwijst bij zijn overwegingen over het doel van de hier aan de orde zijnde bevoegdheidsregel naar punt 15 van de considerans van de Verordening Brussel I, dat nagenoeg gelijkluidend is aan dit punt 21 [65] – houdt het volgende in (mijn onderstreping):[66]
in verschillende lidstatenonverenigbare beslissingen worden gegeven. Er moet een duidelijke en afdoende regeling zijn om problemen op het gebied van aanhangigheid en samenhang op te lossen, alsook om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd. Voor de toepassing van deze verordening moet die datum autonoom worden bepaald.”
verschillende lidstaten. Dit ligt ook in zoverre in de rede, dat de bevoegdheidsregel van art. 8 onder Pro 1 voorziet in een alternatief voor de hoofdregel van art. 4 van Pro de verordening dat rechtsmacht toekomt aan de rechter van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft (zie onder 3.9). Zou in het geval van meerdere verweerders uit verschillende lidstaten die hoofdregel worden gevolgd, dan zouden de zaken door verschillende nationale gerechten worden behandeld en berecht.
onderlingonverenigbare beslissingen worden gegeven doordat samenhangende vorderingen tegen verschillende ver- weerders afzonderlijk worden behandeld en berecht door gerechten
van verschillende lidsta- ten. Waarom art. 8 onder Pro 1 Verordening Brussel I-bis in het onderhavige geval geen toepassing zou kunnen vinden, is dan ook niet in te zien. Daarbij is nog op te merken dat het hof óók heeft geoordeeld (in cassatie als zodanig onbestreden) dat de Nederlandse rechter – in beginsel (zie rov. 3.9) – op grond van art. 8 onder Pro 1 Verordening I-bis rechtsmacht toe- komt ten aanzien van de vorderingen tegen Trafigura Limited. Dit illustreert dat het Neder- landse verbod van terugwijzing in zoverre en op zichzelf niet in de weg staat aan toepassing van de bevoegdheidsregel van art. 8 onder Pro 1 Verordening Brussel I-bis en deze regel in zo- verre en op zichzelf ook niet opzij zet (het verbod komt strikt genomen ook pas in beeld als de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt).
met het oog op de gelijktijdige behandeling het gerecht aanwijst dat de zaak behandelt en berecht”.[74] Uit de hiervoor onder 3.13 aangehaalde passage uit het rapport Jenard blijkt echter dat aan de keuze om deze bepaling rechtstreeks de relatieve bevoegdheid te laten bepalen (zonder dat daarbij betekenis toekomt aan het nationale pro- cesrecht op dit punt), andere redenen ten grondslag liggen, namelijk – in de woorden van Strikwerda en Schaafsma [75] – enerzijds het voorkomen van problemen die kunnen ontstaan wanneer het nationale procesrecht geen regels van interne relatieve bevoegdheid kent die aansluiten op de bevoegdheidsregels van de verordening en anderzijds het vergemakkelijken van de werking van de verordening. De stelling van Trafigura c.s. lijkt mij dan ook niet juist.
tweede klachtvan subonderdeel 1.1 houdt in dat het hof heeft miskend dat het de zaken tegen Trafigura Beheer en Trafigura Limited gelijktijdig had moeten (laten) behandelen, door ook de zaak tegen Trafigura Beheer terug te verwijzen. De klacht pleit daarmee voor het aannemen van een (nadere) uitzondering op het verbod van terugwijzing.[76]
subonderdeel 1.2wordt geklaagd dat voor het geval de klachten van subonderdeel 1.1 niet slagen, het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is. Niet zou zijn in te zien (i) dat (relevante) betekenis toekomt aan de omstandigheid dat de Stichting op dit punt niets kan worden tegengeworpen, (ii) dat op basis van art. 8 onder Pro 1 Verordening Brussel l-bis bevoegdheid kan worden aangenomen met als ratio het gelijktijdig kunnen behandelen van zaken, terwijl ’s hofs beslissing tot gevolg heeft dat geen sprake is van gelijktijdige behandeling van de zaken, en (iii) waarom als het hof de bevoegdheid op deze grond aanneemt jegens Trafigura Limited, het de zaak jegens Trafigura Beheer toch aan zich zou kunnen/moeten houden.
4.Onderdeel 2: gevorderde remedie niet beschikbaar onder het toepasselijke recht
lex causae) en dat op zich- zelf niet in geschil is dat dit in deze zaak het Ivoriaanse recht is. Het hof vervolgt dat de vraag of – en zo ja, in hoeverre en op welke wijze – een vorderingsrecht via een collectieve actie bij de Nederlandse rechter geldend kan worden gemaakt, naar Nederlands internationaal privaatrecht moet worden gekwalificeerd als een vraag van procesrecht, waarop Nederlands recht van toepassing is (
lex fori; art. 10:3 BW Pro). Daarop overweegt het hof (rov. 3.17):
prima facienooit zullen kunnen worden toegewezen.”
prima facienooit zullen kunnen worden toegewezen.
nietzonder meer kan worden aangenomen dat de vorderingen van de Stichting naar Ivori- aans recht
prima facienooit zullen kunnen worden toegewezen.
de vraag of – en zo ja, in hoeverre en op welke wijze – een vorderingsrecht via een collectieve actie bij de Nederlandse rechter geldend kan worden ge- maakt, (…).”) zou bedoelen dat op de materiële beoordeling c.q. de toewijsbaarheid van de gevorderde remedie Nederlands recht van toepassing is.
lex causaeen dat op zichzelf niet in geschil is dat dat in dit geval Ivoriaans recht is (vgl. onder 4.1). Er is dan ook geen grond om aan te nemen dat het hof met de woorden ‘geldend kan worden gemaakt’ zou hebben bedoeld dat op de materiële beoordeling van de vorderingen Nederlands recht van toepassing is. Het subonderdeel – dat zelf reeds opmerkt dat het hof dit niet lijkt te bedoelen – lijkt mij dan ook te berusten op een onjuist uitgangspunt, zodat het niet kan slagen.
5.Onderdelen 3, 4 en 5: juridisch kader
Urgendaals volgt:[86]
vaag en vloeiend” is.[88] Art. 3:305a BW, dat geen onderscheid maakt tussen beide typen collectieve acties, biedt grondslag voor zowel groepsacties als algemeen belangacties.[89]
De eiser zou bij een ter zake gevoerd verweer namelijk moeten be- wijzen dat in zijn geval het instellen van een collectieve actie in plaats van individuele acties gerechtvaardigd is. Die kritiek toen kwam mij terecht voor. Dat is de reden waarom deze voor- waarde niet meer apart in het wetsvoorstel is opgenomen. Ook nu zal het voor een eiser en nog meer voor de rechter die daarop moet beslissen, heel moeilijk zijn om aan te geven waarom van iemand in een concrete situatie het instellen van een individuele vordering in algemene zin al dan niet in redelijkheid kan worden gevergd. De procedure wordt hierdoor aanzienlijk gecompli- ceerd. De praktijk stelt deze extra eis in algemene zin tot nu toe niet. Daaruit zijn, voor zover mij bekend, ook geen problemen ontstaan.
Bovendien bestaat er naar mijn mening ook daarom geen behoefte aan deze toevoeging, omdat het wetsvoorstel in aansluiting op de rechtspraak, waarin het begrip “bundelen” wordt gebruikt, al als voorwaarde stelt dat het moet gaan om “gelijksoortige belangen”. In de optiek van het wetsvoorstel kunnen, zoals bekend, alleen gelijksoortige belan- gen worden gebundeld. (…).
Men zou ook kunnen zeggen, dat de rechtvaardiging van het mogen instellen van een collectieve actie gelegen is in de omstandigheid, dat het apart instellen van een aantal gelijksoortige vorderingen niet efficiënt is. Met andere woorden: in dat geval kan het in- stellen van individuele vorderingen in redelijkheid niet worden gevergd. Hiermee wordt tegelij- kertijd het subsidiaire karakter van de collectieve actie in voldoende mate weergegeven. Voor de duidelijkheid: het bezwaar van de toevoeging van de door de heer Korthals voorgestelde beper- king is dus, dat deze te algemeen luidt.
Het zou ten gevolge hebben, dat de vraag of het instellen van de individuele vordering al dan niet kan worden gevergd, wordt losgekoppeld van het crite- rium van de gelijksoortigheid van de vorderingen. Het dient naar mijn overtuiging geen zinnig doel om die vraag zo in abstracto, los van het criterium van de gelijksoortigheid, te stellen. De rechtspraak wordt daarmee naar mijn oordeel op een zinloze wijze gecompliceerd. Daarom ontraad ik de aanneming van dit amendement ten sterkste.”
In de tekst van artikel 305a Burgerlijk Wetboek is het subsidiaire karakter van het collectieve actierecht niet met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht. Dit betekent echter niet dat een collectieve actie onder alle omstandigheden is toegestaan. (…).
Een reden waarom volgens mij moet worden afgezien van een norm waarin het subsidiaire karakter tot uitdrukking wordt gebracht, is dat daarmee de eiser telkens moet bewijzen dat in zijn geval het instellen van een collectieve actie in plaats van individuele acties gerechtvaardigd is. Ook nu zal het voor een eiser en nog meer voor de rechter die daarop moet beslissen heel moeilijk zijn om aan te geven waarom van iemand in een concrete situatie het instellen van een individuele vordering in algemen zin al dan niet in redelijkheid kan worden gevergd. De procedure wordt hierdoor aanzienlijk gecompliceerd. De praktijk stelt deze extra eis in algemene zin tot nu toe ook niet. Daaruit zijn voor zover mij bekend nooit problemen ontstaan.
Met andere woorden, het komt mij voor dat het eerder op de weg van de gedaagde ligt om te stellen en te bewijzen dat in een concreet geval een collectieve actie niet gerechtvaardigd is.Vaak zal een gedaagde voor wie de zaak met een collectieve actie ook in één procedure is afgehandeld, aan een dergelijk verweer geen behoefte hebben.
Maar een expliciete wetsbepaling zou impliceren dat in ledere collectieve actie deze vaak moeilijk te beantwoorden vraag aan de orde zou moeten komen. Als verweer kan zij echter altijd naar voren worden gebracht.”
wildgroei”) van
ad hocopgerichte claimstichtingen, volgens de parlementaire geschiedenis vermoedelijk vooral het gevolg van het feit dat art. 3:305a BW ‘een vrijwel voorbehoudloze toegang’ tot de rechter bood. In de omstandigheid dat het handelen van deze claimstichtingen niet altijd primair zou zijn gericht op belangenbehartiging, en “
niet zelden” louter commercieel zou zijn gedreven, werd aanleiding gezien strengere toegangseisen te stellen. Dit heeft geresulteerd in het zojuist genoemde waarborgvereiste, dat tot doel heeft om belangorganisaties met onzuivere motieven te weren. Het vereiste biedt de rechter een handvat om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien hij twijfelt aan de motieven voor het instellen van de actie. Daarmee wordt voorkomen dat claimstichtingen het collectief actierecht gebrui- ken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven, aldus steeds de parlemen- taire geschiedenis.[113]
in algemene zin” een rol kunnen spelen:[115]
de norm”) zo is geredigeerd, “
dat het de rechter de mogelijkheid biedt om in zijn beoordeling tal van relevante factoren te betrekken die erop wijzen dat de belangen van de personen ten be- hoeve van wie de collectieve actie is ingesteld, al dan niet voldoende gewaarborgd zijn.”[117] Hieruit is op te maken dat de vraag of aan het waarborgvereiste is voldaan, moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval.[118]
6.Onderdeel 3: gelijksoortigheidsvereiste
in abstractoof in algemene zin onrechtmatig zou hebben gehandeld, en dus niet in een concrete rechtsverhouding
jegens(een) bepaalde (groep) personen (in casu: de ‘statutaire achterban’ van de Stichting).[122]
juist niet [ziet] op (en (…) ook niet [dwingt] tot)beoordeling van de hiervoor genoemde geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten”en dat die geschilpunten
“zo nodig inindividuelevervolgprocedures aan de orde kunnen komen” (mijn onderstrepingen). Gelet hierop en op de aard van de ‘geschilpunten’ die het hof eerder in rov. 3.25 noemt, begrijp ik de bestreden overweging zo, dat het hof met het woord ‘algemeen’ heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de beoordeling van de onrechtmatig- heid van de stortingen van de slops als zodanig, waarop de collectieve actie volgens het hof ziet, kan plaatsvinden zonder dat daarbij specifieke individuele factoren c.q. bijzondere om- standigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden hoeven te worden betrokken. Voor de eerste motiveringsklacht betekent dit dat de klacht feitelijke grondslag mist, nu zij uitgaat van een andere, onjuiste, lezing van de bestreden overweging.
dit onbetwiste feit”) een grondslag voor aansprakelijkheid van Trafigura c.s. oplevert, is op te maken dat het hof van oordeel zou zijn dat de vorderingen 1b en 1c zouden zien op de
aansprakelijkheidvan Trafigura c.s. en niet ‘slechts’, zo voeg ik toe, op de
on- rechtmatigheidvan haar handelen. Aldus zou het hof een onbegrijpelijk uitleg aan deze vor- deringen hebben gegeven.
onrechtmatigheidvan de stortingen van de slops. De tweede motiveringsklacht stuit op het voorgaande af.
in abstractoof in algemene zin kan worden vastgesteld, maar alleen in een concrete rechtsverhouding,
jegenseen ander. De oordelen zouden daarnaast aan een motiveringsgebrek lijden, omdat zonder nadere motivering niet zou zijn in te zien hoe kan worden aangenomen dat Trafigura c.s. aansprakelijk is of onrechtmatig zou hebben gehandeld, zonder dat dit in een concrete rechtsverhouding wordt beoordeeld. Daarnaast wordt geklaagd dat het hof voorbij is gegaan aan de essentiële stellingen van Trafigura c.s. dat zowel naar Nederlands als Ivoriaans recht een gevorderd aansprakelijkheids- of onrechtmatigheidsoordeel slechts kan worden betrokken op een concrete rechtsverhouding. Althans, niet is in te zien welke rechtsverhouding het hof voor ogen heeft gehad, nu het oordeelt dat dit geschilpunten zijn voor individuele vervolgprocedures. Het subonderdeel besluit met de klacht dat voor zover het hof van oordeel is dat sprake is van een algemeen belangactie, dit oordeel onjuist is, althans dat het hof daarmee een onbegrijpelijke lezing geeft aan het petitum van de Stichting.
“(…) de stortingen voor slachtoffers uiteenlopende gevolgen hebben gehad en dat het op voorhand niet eenvoudig is te bepalen wie wel en wie niet als slachtoffer kan worden aangemerkt.”. Deze overwegingen – de laatste overweging in het bijzonder, nu deze kennelijk refereert aan de stelling van Trafigura c.s. dat het niet mogelijk is om eenvoudig en objectief te bepalen wie behoort tot de groep belanghebbenden wier belangen de Stichting met de collectieve actie beoogt te behartigen [124] – duiden erop dat het hof het oog heeft gehad op de rechtsverhouding tussen Trafigura c.s. en de achterban van de Stichting. Die achterban is in de statuten van de Stichting omschreven als “
personen (hierna: ‘slachtoffers’), die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden die niet (volledig) is gecompenseerd en die voortvloeit of verband houdt met”, kort gezegd, de stor- tingen van de slops.[125] Een deel van de vorderingen spreekt in dit verband van “
personen die schade aan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden, welke schade niet of niet volledig is vergoed”, door de stortingen van de slops (zie onder 2.13).
in abstractoof in algemene zin kan worden vastgesteld. Ik verwijs naar wat hierover onder 6.4 en 6.9 is opgemerkt.
klacht 1). Althans zou zonder nadere moti- vering, die ontbreekt, niet zijn in te zien waarom in dit geval het baseren van de vorderingen op één feit leidt tot de slotsom dat dit vereiste is vervuld (
klacht 2). Het subonderdeel klaagt voorts dat het hof miskent dat voor de vraag of is voldaan aan de eis van gelijksoortigheid bepalend is of daarmee een effectieve en efficiënte rechtsbescherming wordt bevorderen en/of het instellen van een collectieve actie meerwaarde heeft boven individuele geschilbe- slechting, en dat deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval (
klacht 3).
algemeenoordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops en
juist niet ziet op (en ook niet dwingt tot)beoordeling van de eerder in rov. 3.25 opgesomde geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten. Zoals ik onder 6.4 heb uiteengezet, moet deze overweging zo worden begrepen dat bij de beoordeling van de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops als zodanig, waarop de collectieve actie volgens het hof ziet, kan worden geabstraheerd van specifieke, individuele factoren c.q. bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individu- ele belanghebbenden. Aldus kan niet worden gezegd dat het hof de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf (zie onder 5.14), die het hof bij zijn toets aan het gelijksoortigheids- vereiste ook vooropstelt (rov. 3.19), heeft miskend. De eerste twee klachten van het subonderdeel stuiten op het voorgaande af.
de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt, zich lenen voor bundeling,zodateen efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd” (zie onder 5.14; mijn onderstreping).[129]
juistnietziet op (en ook niet dwingt tot) beoordeling van deze geschilpunten of andere, meer gedetailleerde geschilpunten. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat ’s hofs oordeel dat de stellingen van Trafigura c.s. niet aan zijn eerder geven oordeel afdoen, onjuist of onvoldoende gemotiveerd is.
die [geschilpunten; A-G] kunnen zo nodig in individuele vervolgprocedures aan de orde komen”), dat is vereist dat de collectieve vorderingen kunnen worden beoordeeld zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden betrokken hoeven te worden. Ook zou het hof miskennen dat de stellingen van Trafigura c.s. hierop zien en de beoordeling daarvan aldus niet kan worden doorgeschoven naar vervolgprocedures. Het subonderdeel klaagt daarnaast dat ’s hofs oordelen onbe- grijpelijk zijn, omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat bij de beoordeling van de vorderingen van de Stichting kan worden geabstraheerd van bijzondere individuele omstandigheden.
de collectieve actie (…)ziet juist niet op (en dwingt ook niet tot) beoordeling van de hiervoor genoemde geschilpunten, of andere, meer gedetailleerde geschilpunten”; mijn onderstreping).
de collectieve actie slechts strekt tot het verkrijgen van een algemeen oordeel over de onrechtmatigheid van de stortingen van de slops”. Het hof heeft de vorderingen die de Stichting in de onderhavige procedure heeft ingesteld dus kennelijk zo opgevat, dat deze slechts een oordeel vergen over de
onrechtmatigheidvan de stortingen van de slops. Dit oordeel wordt in cassatie als zodanig niet bestreden.
World-Onlinezaak, onder verwijzing naar het
Safe Haven-arrest,[131] als volgt:[132]
jegens wieTrafigura c.s. aansprakelijk zou zijn, onrechtmatig zou hebben gehandeld of scha- deplichtig zou zijn. Ik begrijp het in de schriftelijke toelichting gevoerde betoog als volgt. In dit geval kan – bij de beoordeling van de vorderingen 1a, 1b en 1d [134] – niet worden geabstraheerd van bijzondere individuele omstandigheden, omdat deze vorderingen verklaringen voor recht betreffen dat Trafigura c.s. aansprakelijk is, onrechtmatig heeft gehandeld of schadeplichtig is
jegens, kort gezegd, personen die
schadeaan hun gezondheid en/of vermogen hebben geleden, lijden of zullen lijden als gevolg van de stortingen van de slops. De gevorderde vaststelling van aansprakelijkheid, onrechtmatigheid of schadeplichtigheid van Trafigura c.s. dient dan ook (mede) te berusten op een beoordeling of, en zo ja welke, personen door een (onrechtmatige) blootstelling aan de gestorte slops schade zouden hebben geleden, en die beoordeling kan slechts plaatsvinden aan de hand van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden, aldus Trafigura c.s.[135] Daarin zou ook het verschil zijn gelegen met de hiervoor genoemde
World Online-zaak, waarin bij de beoordeling van de onrechtmatigheidsvordering volgens Trafigura c.s. wél kon worden geabstraheerd van bijzondere individuele omstandigheden, omdat de onrechtmatigheid van de verweten gedra- ging werd beoordeeld in de verhouding tussen World Online en de banken enerzijds, en de fictieve maatman-belegger anderzijds.[136]
onrechtmatigheidvan de stortingen van de slops – waartoe de collectieve actie volgens het hof (in cassatie onbestreden) strekt – vereist is dat dit
precieswordt vastgesteld, in die zin dat de individuele belanghebbenden (de personen die schade hebben geleden of (zullen) lijden) concreet worden geïdentificeerd. Dat is immers in feite de consequentie van het betoog van Trafigura c.s.
preciestot die groep personen behoort. Het subonderdeel licht dit ook niet toe, anders dan dat de belangen van die personen door de Stichting met haar petitum voorwerp zijn gemaakt van het geding, zodat de rechter voor die personen de rechtsverhouding met Trafigura c.s. dient vast te leggen of te preciseren [137] c.q. dat toewijzing van de vorderingen 1a, 1b en 1d beoordeling en vaststelling van een onrechtmatige schending van de gebundelde belangen en rechten van belanghebbenden vergt, welke vaststelling (mede) dient te berusten op een beoordeling of, en zo ja welke, personen door een (onrechtmatige) blootstelling aan de gestorte slops schade zouden hebben geleden.[138] Dat betekent echter niet dat de rechter zich in deze collectieve procedure niet in algemene zin zou kunnen uitspreken over de rechtsver- houding tussen Trafigura c.s. en de ‘statutaire achterban’ van de Stichting. In eventuele indi- viduele vervolgprocedures – waarin het in de collectieve actie gegeven onrechtmatigheidsoordeel, dat alleen gezag van gewijsde heeft tussen de Stichting en Trafigura c.s.,[139] kan doorwerken [140] – zal dan aan de orde moeten komen of de betreffende persoon schade aan zijn gezondheid en/of vermogen heeft geleden, lijdt of zal lijden (en of die schade nog niet (volledig) is vergoed), als gevolg van de stortingen van de slops.
lex causaein dit geval het Ivoriaanse recht is. Uit de overwegingen van het hof in rov. 3.24-3.26 is niet op te maken of het hof bij de beant- woording van de vraag of bij de beoordeling van de collectieve vorderingen kan worden ge- abstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden (ook) de inhoud van het Ivoriaanse recht heeft betrokken. Ik laat die kwes- tie hier dan ook verder rusten. Wel is nog op te merken dat Trafigura c.s. in haar toelichting op subonderdeel 3.6 niet naar Ivoriaans recht verwijst, maar, voor zover hier van belang, alleen naar de parlementaire geschiedenis bij art. 3:305a BW (oud) en Nederlandse (feiten)rechtspraak.[141] Dit sluit aan bij de wijze waarop Trafigura c.s. dit betoog in hoger beroep heeft gevoerd.[142] Zij heeft (de inhoud van) het Ivoriaanse recht in hoger beroep slechts betrokken in het kader van haar betoog dat
vordering 1c– en dus níet de hier volgens het subonderdeel aan de orde zijnde vorderingen 1a, 1b en 1d (zie onder 6.32) – niet toewijsbaar is omdat deze vordering niet inhoudt
jegenswie onrechtmatig zou zijn gehandeld.[143]
in abstractokan worden vastgesteld, maar slechts jegens een ander;
dose-response relationship, die onmisbaar is om vast te kunnen stellen of blootstelling in een concreet geval tot schade heeft geleid, alleen op individueel niveau kan worden vastgesteld.
stelling (i), onder ain dit oordeel besloten ligt. Dat het hof het betoog van Trafigura c.s. op dit punt onder ogen heeft gezien, volgt ook uit het feit dat een belangrijk deel van ‘de geschilpunten’ die het hof in rov. 3.25 opsomt, blijkens de vindplaatsen die het subonderdeel noemt voor stelling (i), door Trafigura c.s. is aangedragen in het kader van haar betoog dat (de rechtbank ten onrecht heeft geconcludeerd dat) de stortingen van de slops niet kwalificeren als één en dezelfde gebeurtenis.[144] Daarbij is voorts nog aan te tekenen dat ook al zou het hof aan deze stelling zijn voorbijgegaan, dit niet afdoet aan zijn oordeel dat de vorderingen van de Stichting kunnen worden beoordeeld zonder daarbij de bijzondere, individuele omstandigheden aan de zijde van iedere belanghebbende te betrekken (zie onder 6.4).
stelling (i), onder bgeldt dat de respons van het hof daarop besloten ligt in rov. 3.25. Die overwegingen houden immers ook het oordeel in dat bij de beoordeling van de vorderingen van de Stichting kan worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden (zodat daarvoor in zoverre geen informatie over (het handelen van) deze belanghebbenden nodig is) (zie onder 6.4). Het hof noemt in rov. 3.25 ook het ‘geschilpunt’ dat “
de stortingen voor de slachtoffers uiteenlopende gevolgen hebben gehad”. Voor zover de stelling betrekking zou hebben op het betoog van Trafigura c.s. dat zich alleen aan de hand van een individuele beoordeling laat vaststellen of iemand tot de groep belanghebbenden behoort voor wie de Stichting opkomt en jegens wie de aan- sprakelijkheid of het onrechtmatig handelen van Trafigura c.s. zou moeten worden vastgesteld, geldt dat het hof ook dit betoog onder ogen heeft gezien, en heeft verworpen. De opsomming van ‘geschilpunten’ in rov. 3.25 bevat ook het punt dat “
het op voorhand niet eenvoudig is te bepalen wie wel en wie niet als slachtoffer kan worden aangemerkt”. Daarover hoeft volgens het hof bij de beoordeling van de collectieve actie echter geen oordeel te wor- den geveld (“
de collectieve actie (…) ziet juist niet op (en dwingt ook niet tot) beoordeling van de hiervoor genoemde geschilpunten”; mijn onderstreping). Ik verwijs in dit kader ook naar de bespreking van subonderdelen 3.6 (onder 6.34) en 3.8 (onder 6.47-6.48).
onder (ii)genoemde stelling mocht het hof bij zijn toets aan het gelijksoortigheidsver- eiste voorbijgaan, nu deze stelling geen betrekking heeft op de in dat kader te beantwoorden vraag of de betrokken belangen zich lenen voor bundeling (vgl. ook onder 6.15).[145]
stelling (iii), onder a, nu deze stelling niet is terug te lezen op de door het subonderdeel genoemde vindplaatsen.[146] Met betrekking tot de
onder b t/m dgenoemde stellingen, die in de kern inhouden dat vordering 1d niet kan worden beoordeeld zonder daarbij de bijzondere omstandigehden aan de zijde van de individuele slachtoffers in aanmerking te nemen, geldt het volgende. De bewuste stellingen gaan ervan uit dat vordering 1d noopt tot een beoordeling van, kort gezegd, de schade (en daarmee samenhangend: causaliteit) die elke belanghebbende afzonderlijk zou hebben geleden. Uit de overwegingen van het hof in rov. 3.25 maak ik echter, als gezegd (zie onder 6.29), op dat het hof de vorderingen van de Stichting kennelijk aldus heeft opgevat, dat deze
alleeneen oordeel vergen over de
onrechtmatigheidvan de stortingen van de slops. Dit oordeel is in cassatie als zodanig onbestreden gebleven. Bij deze stand van zaken is er geen grond voor de klacht dat het hof (kenbaar) had moeten responderen op de stellingen b t/m d; deze stellingen zien immers op het schadevraagstuk (en op de omstandigheid dat bij de behandeling daarvan niet kan worden geabstraheerd van bijzondere individuele omstandigheden). Dat vraagstuk is in de uitleg die het hof aan de vorderingen van de Stichting heeft gegeven niet aan de orde.
stelling (iv)geldt het volgende. De stelling dat de vaststelling dat blootstelling aan bepaalde stoffen in het algemeen kán leiden tot schade zowel juridisch als feitelijk geen nut heeft, staat blijkens de door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de sleutel van het (ontbreken van) belang van de Stichting bij deze vordering. Ook deze stelling heeft daarmee, evenals stelling (ii), geen betrekking op de toets die moet worden aangelegd bij de beoordeling of is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste, en hoefde als zodanig door het hof ook niet (kenbaar) bij deze beoordeling te worden betrokken (vgl. ook onder 6.15). Voor zover de stelling over het belang van de
dose-response relationshipniet in het verlengde ligt van de hiervoor besproken stelling (en daarmee ook op het voorgaande afstuit), maar zou draaien om het feit dat die relatie slechts op
individueelniveau kan worden vastgesteld, geldt dat het subonderdeel op dit punt – evenals een aantal van de onder (iii) genoemde stellingen – strandt op ’s hofs onbestreden gebleven uitleg van de vorderingen van de Stichting. Ik verwijs naar de bespreking van stelling (iii).
in de collectieve proceduredan ook
jegens deze groepin algemene zin of “
op grond van objectieve en eenvoudig toe te passen criteria vast te stellen groep” moet kunnen worden toegewezen, zonder dat daarbij de bijzondere omstandigheden aan de zijde van ie- dere individuele belanghebbende betrokken hoeven te worden (
klacht 1). Het subonderdeel klaagt daarnaast dat het hof miskent dat aansprakelijkheid of onrechtmatig handelen in een collectieve actie niet kan worden beoordeeld en vastgesteld of afgewezen jegens een groep personen waarvan alleen op basis van een uitvoerige beoordeling van de individuele omstandigheden van iedere belanghebbende achteraf en na het voeren van individuele pro- cedures kan worden vastgesteld wie daartoe behoorden/behoren (
klacht 2).
eerste klachtvan het subonderdeel lijkt mij, mede gezien de toelichting daarop door Trafigura c.s.,[147] min of meer een herhaling van zetten uit subonderdeel 3.2, dat onder meer klaagt dat het hof heeft miskend dat onrechtmatigheid niet
in abstractoof in algemene of absolute zin kan worden vastgesteld, maar alleen in (een) (concrete) rechtsverhouding(en) jegens een ander. Ik besprak onder 6.4 en 6.9 dat een dergelijk oordeel niet in ’s hofs overwegingen besloten ligt. De eerste klacht van subonderdeel 3.8 faalt derhalve.
tweede klacht van subonderdeel 3.8wordt in de schriftelijke toelichting van Trafigura c.s. aldus toegelicht dat een collectieve actie niet een effectieve en efficiënte rechtsbescherming kan bevorderen, en (ook) niet wordt voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste, als pas achteraf in individuele procedures kan worden vastgesteld wie behoren tot de omschreven groep belanghebbenden jegens wie de ingestelde vorderingen zijn toe- of afgewezen (en dus niet al met het toe- of afwijzend vonnis duidelijk is tussen wie de rechtsverhouding al dan niet wordt vastgesteld). Dat is volgens de schriftelijke toelichting onverenigbaar met art. 3:305a BW (oud), dat immers verlangt dat de rechter in één procedure dient te kunnen oordelen over de door de rechtsvorderingen aan de orde gestelde geschilpunten en vorderingen.[148]
per definitie opgekomen voor de belangen van alle door een gebeurtenis gedupeerde benadeelden”.[149] In zoverre zal dus met de uitspraak in een collectieve actie nooit precies duidelijk (kunnen) zijn wie ‘partij zijn’ bij de aan de orde zijnde rechtsverhouding, anders dan dat het gaat om het handelen van de wederpartij van de belangenorganisatie ten opzichte van de groep belanghebbenden voor wie deze organisatie opkomt. Deze groep kan bovendien meer of minder bepaalbaar zijn, afhankelijk van of het gaat om een groepsactie of een algemeen belangactie (zie onder 5.5).[150] Wat de voorwaarden voor ontvankelijkheid betreft, wordt geen onderscheid gemaakt tussen beide typen acties,[151] waaruit zich ook laat afleiden dat niet de eis wordt gesteld dat precies is vast te stellen wie tot de groep belanghebbenden behoort. Een dergelijke eis volgt ook niet uit de rechtspraak die wordt genoemd in voetnoot 38 van de procesinleiding. Uit het enkele feit dat zich in die zaken ‘eenvoudig en objectief’ liet vaststellen wie de belanghebbenden waren, zoals de voetnoot vermeldt, kan dit in ieder geval niet worden opgemaakt.[152] Een dergelijke eis lees ik ook niet terug in de parlementaire geschiedenis bij art. 3:305a BW (oud). Vergelijk ook de volgende passage uit de memorie van toelichting bij de WAMCA naar aanleiding van het te wijzigen tweede lid van art. 3:305a BW:[153]
kanworden bevorderd is onvoldoende om te oordelen dat die meerwaarde bestaat c.q. dat is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste. Hiervoor moet op zijn minst
aannemelijkzijn dat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming (daadwerkelijk) wordt bevordert (of kan of zal worden bevorderd), aldus het subonderdeel.
7.Onderdeel 4: waarborgvereiste
Anderzijds staat als onbetwist vast dat het risico bestaat dat de Stichting er niet in zal slagen dit doel te bereiken, in elk geval niet geheel, en zelfs dat de resultaten onbevredigend zullen zijn. Uit hetgeen over en weer is aangevoerd over de voorgeschiedenis van deze procedure, moet worden afgeleid dat dit risico niet denkbeeldig is.
gewaarborgddient te zijn dat áls de collectieve actie leidt tot baten voor de slachtoffers, deze ook bij de slachtoffers terecht gaan komen (
klacht 1). Althans, zo vervolgt het subonderdeel, miskent het hof dat gelet op de vaststelling dat er een ‘niet denkbeeldig’ risico is dat de pro- cedure vanwege het risico geen meerwaarde heeft, niet voldaan is aan het waarborgvereiste (
klacht 2). Voor het geval het bestreden oordeel niet onjuist is, werpt het subonderdeel de motiveringsklacht op dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom het aannemen van een ‘niet denkbeeldig’ risico niet in de weg zou staan aan een oordeel dat aan het waarborgvereiste is voldaan (
klacht 3).
voldoendezijn gewaarborgd.[154] Of dit het geval is, dient blijkens de parlementaire geschiedenis bij art. 3:305a BW (oud) te worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval (zie onder 5.17).
nietis voldaan aan het waarborgvereiste. Het hof beziet vervolgens of het risico in het geheel van argumenten van zodanig gewicht is, dat het de balans naar dit oordeel doet doorslaan. In rov. 3.41 komt het hof, na onder meer te hebben geoordeeld dat het risico met de door de Stichting getroffen en aangekondigde maatregelen voldoende is verkleind (rov. 3.37), tot de slotsom dat dit niet het geval is. Overwogen wordt (in rov. 3.41) dat “
hetgeen hiervoor in rov. 3.27-3.40 is overwogen, in samenhang beschouwd, (...) het hof tot het oordeel [leidt] dat is voldaan aan het waarborgvereiste”. Het hof voegt daaraan toe dat – zakelijk weergegeven – het risico tot een zodanig aanvaardbaar niveau is teruggebracht, dat op basis van een afwe- ging van alle argumenten, in samenhang beschouwd, kan worden geoordeeld dat aannemelijk is dat de procedure bij een voor de Stichting gunstige afloop meerwaarde zal hebben voor de slachtoffers, zodat zij er baat bij zullen hebben, en zodat het dus verantwoord is deze procedure te voeren.
voldoendezijn gewaarborgd.[155] Gezien het voorgaande kan het subonderdeel niet worden gevolgd in het betoog dat het hof bij de toets aan het waarborgvereiste een onjuiste, want onvoldoende maatstaf zou hebben aangelegd (klacht 1).
deze oordelen (…) onjuist en/of onbegrijpelijk [zijn] om de volgende redenen”. De betreffende rechtsoverwegin- gen houden in, kort gezegd, dat er een niet denkbeeldig risico bestaat dat de Stichting er niet (geheel) in zal slagen het resultaat te bereiken dat schadevergoeding in geld of natura zo veel mogelijk bij de werkelijke slachtoffers terecht komt, en dus dat de slachtoffers uiteindelijk baat zullen hebben bij de collectieve actie (rov. 3.34), en dat voor het oordeel dat aan het waarborgvereiste is voldaan voldoende is dat dit risico tot een aanvaardbaar niveau is terug- gebracht (rov. 3.35).
stelling (i)het volgende. In een strikte lezing beperkt subonderdeel 4.2, dat zelf geen rechtsoverweging(en) noemt waartegen wordt opgekomen, zich tot rov. 3.34 en 3.35. In dát kader was het hof niet gehouden de onder (i) genoemde stelling kenbaar in zijn oordeel te betrekken, nu deze stelling niet ziet op het risico dat in rov. 3.34 en 3.35 aan de orde is.
Vereniging UNAVDT-CI en de 25 lokale slachtoffer- organisaties – voorgeschiedenis en ‘claimcultuur’” (vgl. ook rov. 4.15 en 4.33 van het vonnis). Het standpunt dat wordt ingenomen op de door het subonderdeel genoemde vindplaatsen in de memorie van antwoord van Trafigura c.s., sluit aan bij dit in eerste aanleg gevoerde betoog. Tegen de achtergrond hiervan moet het arrest zo worden gelezen, dat de respons van het hof op stelling (i) besloten ligt in de overweging aan het slot van rov. 3.41, dat voor het oordeel dat is voldaan aan het waarborgvereiste niet nodig is dat het hof “
zich verder uitspreekt over de voorgeschiedenis van deze procedure of over de gestelde (claim)cultuur in Ivoorkust”. Het subonderdeel faalt derhalve in zoverre.
onder (ii)weergegeven stelling. Het hof overweegt in rov. 3.34 dat, kort gezegd, er een niet denkbeel- dig risico bestaat dat het doel om de schadevergoeding in geld of natura zo veel mogelijk bij de werkelijke slachtoffers terecht te laten komen niet (geheel) wordt bereikt, en komt vervol- gens tot het oordeel dat dit risico niet in de weg staan aan het oordeel dat is voldaan aan het waarborgvereiste (rov. 3.35-3.37, 3.41). Hieruit volgt dat het hof stelling (ii) onder ogen heeft gezien, en heeft verworpen. Voor zover de stelling betrekking zou hebben op de rol van Fa- diga, geldt dat het hof het betoog van Trafigura c.s. op dat punt in rov. 3.29-3.31 heeft verworpen.
kriti- sche beoordelingvan de feiten een oordeel te vormen over de vraag of de betrokken belan- gen
daadwerkelijkzijn gewaarborgd. Het subonderdeel klaagt daarnaast dat het hof zijn bestreden oordelen onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd heeft, nu niet valt in te zien dat het hof zich een kritische houding zou hebben aangemeten, laat staan daadwerkelijk en indringend de belangenwaarborging zou hebben getoetst.[156] Het subonderdeel verwijst naar de parlementaire geschiedenis bij art. 3:305a BW (oud), waar is vermeld dat het waarborgvereiste de rechter een handvat biedt om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien hij twijfelt aan de motieven voor het instellen van de actie.[157]
dat geen sprake (meer) is van (geloofwaardige) representativiteit c.q. contact met de slachtoffers en kennis van de lokale situatie; waaronder dat de Stichting aanvankelijk stelde de lokale slachtofferorganisaties en de Ivoriaanse koepelverenging nodig te hebben en inmiddels stelt (…) de banden hiermee te hebben doorgesneden, zonder op alternatieve wijze te voorzien in een oplossing voor de noodzake- lijkheid van deze banden, waardoor niet valt in te zien dat de Stichting in staat is die banden adequaat te onderhouden en daarvoor over voldoende kennis (ook van de lokale omstandig- heden) en vaardigheden beschikt”. ’s Hofs oordeel in rov. 3.32 doet daaraan volgens het subonderdeel niet af, in het bijzonder niet aan de omstandigheid dat de Stichting thans niet in staat is adequaat te communiceren met de vermeend gerepresenteerde slachtoffers, en ook nalaat dit te doen. Het subonderdeel vervolgt dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het miskent dat deze omstandigheden, waaronder representativiteit, adequaat contact en communicatie met de achterban, en kennis van de lokale situatie, rechtens relevante omstandigheden zijn in het kader van de waarborgtoets, in verband met de vraag in hoeverre erop vertrouwd kan worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren.
voldoende kennis, ervaring en vaardigheid aanwe- zig is om een procedure als de onderhavige te kunnen voeren”. Deze vraag beantwoordt het hof bevestigend, waarbij het betrekt dat de Stichting door middel van raadpleging van des- kundigen en door middel van studie kennis over Afrika en Ivoorkust kan verwerven (rov. 3.32). Anders dan het subonderdeel voorstaat, heeft het hof dus wel degelijk bij zijn oordeel betrok- ken in hoeverre de Stichting kennis heeft c.q. kan verwerven over de lokale situatie.[158]
representativiteit. Bij deze stand van zaken zie ik niet in waarom het hof de omstandigheid ‘adequaat contact en communicatie met de achterban’ had moeten betrekken in het kader van de vraag of de Stichting over voldoende kennis en vaardigheden beschikt.
subonderdeel 4.5getuigt het oordeel van het hof in rov. 3.35 dat “
gelet op de voorliggende vorderingen (…) dit risico pas in een eventuele vervolgprocedure daadwerkelijk aan de orde [kan] zijn” van een onjuiste rechtsopvatting voor zover dit oordeel inhoudt dat aan het risico bij de beoordeling van de vorderingen in déze procedure na de ontvankelijkheids- fase geen argumenten kunnen worden ontleend, in ieder geval voor zover deze argumenten tevens als verweer tegen de ingestelde vorderingen kunnen worden ingeroepen.
indien niettemin moet worden aange- nomen dat dit risico thans moet worden meegewogen bij de beoordeling van het beroep op het waarborgvereiste, geldt (…)”; rov. 3.35) meegewogen bij de toets aan het waarborgvereiste. Het oordeel van het hof daarover wordt door onderdeel 4 en, zoals hierna zal blijken, onderdeel 5 tevergeefs bestreden. Het subonderdeel strandt op het voorgaande.
8.Onderdeel 5: waarborgvereiste
de onderhavige procedure kan zorgen voor politie en maatschappelijke druk op Trafigura c.s.”. Dit betreft kennelijk een sa- mengevatte weergave van de stelling van de Stichting dat de slachtoffers baat hebben bij het gevorderde, onder meer omdat de Stichting aan de hand van verkregen verklaringen voor recht met behulp van maatschappelijke en politieke druk Trafigura c.s. kan proberen te be- wegen alsnog een collectieve schikking te treffen ter genoegdoening van de slachtoffers en ter bescherming van haar reputatie.[162]
de briefworden, samengevat, de volgende stellingen genoemd. De stel- lingen worden in de procesinleiding voorafgegaan door de woorden dat “
de brief geen effect sorteert dat ‘de banden zijn doorgesneden’, en (…) te meer niet [leidt] tot de conclusie dat aan het waarborgvereiste is voldaan, nu:”
de brief sorteert geen effect dat ‘de banden zijn doorgesneden, (…), nu: [volgen de stellingen (i)-(iv); A-G].”). De maatregelen uit de brief waarnaar het hof verwijst (rov. 3.36 jo. rov. 2.21) zien echter niet op het verbreken van de banden met UNAVDT-CI en de daaraan verbonden lokale slachtoffer- organisaties. Dat de brief daarop betrekking zou hebben, blijkt ook niet uit de passages in de brief die het hof in rov. 2.21 onvermeld laat. Het subonderdeel berust derhalve op een onjuist uitgangspunt. Waar het subonderdeel voorts ter inleiding op de weergave van de stellingen aanvoert dat de brief “
te meer niet [leidt] tot de conclusie dat aan het waarborgvereiste is voldaan, nu [volgen de stellingen (i)-(iv); A-G]” ziet het eraan voorbij dat het oordeel van het hof slechts betrekking heeft op de vraag of met de bewuste maatregelen van de Stichting, waarvan het realiteitsgehalte en de effectiviteit blijkens rov. 3.37 door Trafigura c.s. ter dis- cussie is gesteld, het risico voldoende is verkleind.
stelling (i)en
stelling (ii), voor zover deze inhouden dat de door de Stichting bij de brief beoogde wijzigingen van de bezwarende afspraken uit het Acte d’Accord naar Engels recht geen effect sorteren, geldt het volgende. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank, dat door het subonderdeel als één van de vindplaatsen wordt genoemd voor deze stellingen, volgt dat Trafigura c.s. ter zitting het volgende heeft gesteld ten aanzien van de brief (nadruk overgenomen):[165]
Mr. Knigge draagt de hoofdstukken 1 en 4 voor van de overgelegde ‘pleitnotities deelniet-ontvankelijkheid Stichting’ en verklaart in aanvulling daarop als volgt:
stelling (ii)voorts inhoudt dat de afspraken die volgen uit de Acte d’Accord maken dat sowieso niet aan het waarborgvereiste kan worden voldaan, geldt dat het hof daaraan in het kader van zijn bestreden oordeel voorbij kon gaan, nu dit oordeel – als gezegd (onder 8.12) – (slechts) ziet op de vraag of met de bewuste maatregelen van de Stichting het risico voldoende is verkleind. Hetzelfde geldt voor
stelling (iii), nu in het kader van dit oordeel niet relevant is dat het bestuur van de Stichting blijk zou hebben gegeven van onvoldoende deskundigheid. Het hof kon derhalve in het kader van zijn bestreden oordeel ook aan deze stelling voorbijgaan.
de rechtstreeks of middellijk met de Stichting verbonden Ivori- aanse (rechts)personenwaaraan het hof voorbij zou zijn gegaan, houdt in dat deze (rechts)personen niet voldoen aan de Claimcode. Deze omstandigheid dient bij de toets aan het waarborgvereiste te worden meegewogen en leidt niet tot de conclusie dat aan dit vereiste is voldaan, aldus het subonderdeel.
de e-mail (…) evenmin verandering [brengt] in het feit dat de Stichting, noch de met haar– nog steeds contractueel – verbonden Ivoriaanse verenigingen,voldoen aan de Claimcode” (mijn onderstreping). Uit de overweging van het hof in rov. 3.36 kan echter worden opgemaakt dat het erom gaat dat de Stichting met deze e-mail aan [betrokkene 2] heeft bericht dat zij
de banden verbreektmet UNAVDT-CI en de daaraan verbonden lokale slachtofferorganisaties (vgl. ook rov. 2.22). Dáárop ziet de hier aan de orde zijnde stelling volgens de vindplaatsen die het subonderdeel noemt echter niet. Het hof kan dan ook niet worden verweten dat het bij zijn bestreden oordeel aan deze stelling is voorbijgegaan.
de e-mailnoemt het subonderdeel, samengevat, de volgende stellingen, die worden voorafgegaan door de woorden “
de e-mail is ongeloofwaardig, sorteert geen effect, en leidt voorts niet tot de conclusie dat aan het waarborgvereiste is voldaan (in ieder geval niet zonder afdoende op de betreffende stellingen van Trafigura in te gaan, hetgeen niet is gebeurd), nu:”
voldoende is verkleind,ook al kan thans niet met zekerheid worden vastgesteld dat alle maatregelen doel zullen treffen” (mijn onderstreping). Gelet op dit eindoordeel over de getrof- fen maatregelen, was het hof niet gehouden om in detail op alle stellingen van Trafigura c.s. over de e-mail in te gaan. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van Trafigura c.s., ook niet als moet worden aangenomen dat de e-mail er inder- daad niet toe heeft geleid dat de banden met UNAVDT-CI en de daaraan verbonden lokale slachtofferorganisaties zijn verbroken, zoals de stellingen in de kern inhouden. Het hof cal- culeert immers in dat wellicht niet alle maatregelen doel zullen treffen.
9.Onderdeel 6: veegklachten
eersteklacht stelt dat indien en voor zover één of meer van de klachten van de onderdelen 2 en 3 doel treft, ook rov. 3.26, 3.44 en 3.46 niet in stand kunnen blijven. De
tweedeklacht houdt in dat het slagen van één of meer klach- ten van de onderdelen 4 en 5 ook raakt aan rov. 3.33, 3.41-3.44 en 3.46.