Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vervolgens het navolgende vast. Ter zake van het realiseren van woningen, commerciële ruimte en parkeervoorzieningen aan de [b-straat] te Terneuzen worden twee overeenkomsten aangegaan tussen [I] B.V. enerzijds en [A] en [D] c.q. [medeverdachte 2] als opdrachtgever anderzijds. Het betreft de ‘Samenwerkingsovereenkomst Herontwikkeling [b-straat] te Terneuzen’ d.d. 19 januari 2006 en de ‘Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [b-straat] ’ d.d. 21 november 2007 (hierna: de ASOK). Hierin zijn door de betrokken partijen afspraken gemaakt over de ontwikkeling van het project en is onder meer contractueel vastgelegd dat aan het einde van het project tussen partijen zou worden afgerekend.
In het kader van de ontwikkeling van dit project is op 25 april 2007 de werkmaatschappij ‘ [b-straat] B.V.’ opgericht. De helft van de aandelen [b-straat] B.V. werd gehouden door aannemer [I] B.V. en de andere helft door [F] B.V., zijnde een houdstermaatschappij waarin [A] en medeverdachte [medeverdachte 2] elk voor 50% aandeelhouder waren. [medeverdachte 2] en [A] bezaten dus beiden 50% van de aandelen in [F] B.V., die op haar beurt weer de helft van de aandelen in [b-straat] B.V. bezat.
Op 21 december 2007 is door [A] het aandelenpakket [F] B.V. gekocht van [medeverdachte 2] voor een bedrag van € 262.500,-. Voorafgaand aan de aandelenverkoop heeft op 19 november 2007 een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 1] , waarbij [betrokkene 1] blijkens berichten op het [medeverdachte 2] Intranet de verkoop van aandelen van [medeverdachte 2] zou gaan bespreken. Op de daaropvolgende dag, 20 november 2007, is er e-mailcorrespondentie geweest tussen [betrokkene 1] en medeverdachte [medeverdachte 3] , kennelijk betrekking hebbend op de verkoop van de aandelen in [F] B.V. In deze e-mails zijn onder meer berekeningen gemaakt van de beoogde winstmarges voor [I] , [A] en [medeverdachte 2] .
Vervolgens is op 21 november 2007 de Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst herontwikkeling [b-straat] ondertekend, waarbij op nadrukkelijk aandringen van verdachte (handmatig) een voorgecalculeerde brutomarge werd opgenomen en door de betrokken partijen geparafeerd. Deze brutomarge werd vastgesteld op € 2.100.000,- en werd als volgt verdeeld: € 600.000,- voor [A] , € 500.000,00 voor [medeverdachte 2] en € 1.000.000,- voor [I] . Het hof, met de rechtbank, stelt vast dat de in deze verdeling genoemde marges nagenoeg gelijk zijn aan de marges welke in de e-mailcorrespondentie (in de bijlage onder C) tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] werden vermeld.
Op 4 december 2007 werd er vervolgens door [betrokkene 1] , namens [medeverdachte 2] , een brief gestuurd aan [A] waarin werd verzocht om het winstdeel ad € 500.000,- uit te betalen, hetzij als voorschot op het resultaat, dan wel d.m.v. aandelenoverdracht in [F] B.V. aan woningbouwvereniging [A] . Het genoemde bedrag komt overeen met dat uit de handgeschreven aanvulling in de ASOK.
Naar aanleiding van deze brief heeft verdachte aan [betrokkene 3] , op dat moment Hoofd Financiën bij [A] , verzocht om aan de hand van de winstmarges de prijs voor de aandelenoverdracht te berekenen. [betrokkene 3] kwam daarop met een voorstel van € 187.500,-. Dit bedrag vond verdachte te laag waarop hij het eenzijdig heeft verhoogd tot € 262.500,-, waarna op 21 december 2007 door [A] een bedrag van € 262.000,- voor de aandelen werd betaald.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof het volgende.
[…]
Het hof leidt ter zake van feit 3 (project [b-straat] ) uit de voren omschreven feiten en omstandigheden af dat verdachte en diens medeverdachten de exit van [medeverdachte 2] reeds voorafgaand aan het sluiten van de ASOK hebben besproken met het kennelijke doel een goede prijs voor de aandelen van [medeverdachte 2] in [F] B.V. te realiseren. De sleutelpositie van verdachte binnen [A] , zoals hierboven beschreven, stelde hem in staat om eenzijdig en zonder deugdelijke onderbouwing over te gaan tot uitkoop van [medeverdachte 2] , althans hen een geldbedrag te doen toekomen. Verdachte heeft begin december na ontvangst van de brief van [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] een berekening en constructie laten bedenken om aan dit verzoek van [medeverdachte 2] tot overname van de aandelen gevolg te geven. Deze berekening was echter aanzienlijk lager, zijnde € 187.500,-, dan het uiteindelijk op instigatie van verdachte betaald bedrag van € 262.000,-Geconfronteerd met de omstandigheid dat verdachte deze vergoeding voor de aandelenoverdracht op € 262.000,- heeft gesteld terwijl [betrokkene 3] na een berekening tot een aanzienlijk lager bedrag was gekomen, heeft verdachte geen andere verklaring kunnen geven dan dat hij vond dat “ [medeverdachte 2] een hoger bedrag toekwam en [medeverdachte 2] niet nog eens het vel over de oren gehaald moest worden”. De omstandigheid dat een handelspartner waar een lang lopende relatie mee bestaat ook financieel behoorlijk dient te worden bejegend, kan volgens het hof echter in dezen verklaren noch rechtvaardigen dat een bijna 30% hoger bedrag van de totale aankoopsom voor de betreffende aandelen werd betaald. Het hof vindt bovendien de timing van de verkoop van de aandelen door [medeverdachte 2] opmerkelijk. Op dat moment was nog niet begonnen met de bouw en [A] wilde dat [medeverdachte 2] betrokken bleef bij het project. Uit het niets lijkt [medeverdachte 2] – in een tijd waarin voor wat betreft de economische vooruitzichten (de bouwconjunctuur) niet te voorzien was dat de winst zou stijgen – een verzoek te doen tot overname van de aandelen en daarmee uitbetaling van een geprognosticeerd resultaat, waaraan door verdachte zonder enige slag of stoot gevolg wordt gegeven op een manier die, zoals geschetst, als afwijkend kan worden omschreven vanuit een zakelijke benadering.
Betalingen aan verdachte door [medeverdachte 2]
[…]
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat medeverdachten [medeverdachte 3] en wijlen [betrokkene 1] aan verdachte geldbedragen hebben toegeschoven naar aanleiding van vastgoedprojecten van [medeverdachte 2] ten behoeve van woningbouwvereniging [A] . […]
Positie verdachte binnen [A]
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte binnen de woningbouwvereniging [A] , als directeur-bestuurder, in de ten laste gelegde periodes bij feit 1 en 3 een sleutelpositie bekleedde, waarin hij zich mede door zijn wijze van optreden kon onttrekken aan een effectieve controle door de Raad van Commissarissen. Dit blijkt onder meer uit de navolgende omstandigheden. Verdachte had een vergaande bevoegdheid tot acquireren en verwierf zelfstandig registergoederen/projecten, waarbij hij zelf de onderhandelingen voerde en solistisch te werk ging, waardoor [A] voor voldongen feiten werd gesteld. De bij [A] werkzame projectmanagers werden pas na de acquisitie bij projecten betrokken, terwijl verdachte zich ook dan met de uitvoering van projecten bleef bemoeien, in ieder geval wat betreft de keuze van architecten en aannemers. Bij de vergaderingen van de Raad van Commissarissen had verdachte grote invloed op de agendering en was hij bovendien verantwoordelijk voor de selectie van de stukken die daarbij ter sprake kwamen. Tijdens deze vergaderingen voerde verdachte het woord, lichtte hij geagendeerde onderwerpen toe en beantwoordde hij vragen van commissarissen. De Raad van Commissarissen was hierdoor afhankelijk van verdachte voor wat betreft de informatie over acquisities en lopende projecten.
[…]
Gelet op de hiervoor beschreven gang van zaken ter zake van het project [b-straat] (feit 3) en in aanmerking genomen dat door [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] geld in privé aan verdachte werd toegeschoven, concludeert het hof dat verdachte en zijn medeverdachten de uitkoop van de aandelen vooraf hebben geregisseerd en zichzelf met de opbrengsten daarvan hebben bevoordeeld.
Verdachte heeft tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen geen melding gemaakt van de geschetste wijze waarop ter zake van de projecten [a-straat] en Schutterhof is onderhandeld met respectievelijk [B] B.V./ [C] en [medeverdachte 2] , waarbij hij [medeverdachte 2] gezien de geschetste omstandigheden zonder redelijk doel en ten nadele van [A] in een financieel veel gunstigere positie bracht.
[…]
Voor het project [b-straat] geldt eveneens dat de Raad van Commissarissen erop mocht vertrouwen dat de directeur van [A] aan de Raad de juiste en volledige informatie zou geven. Verdachte heeft hierbij geen melding gemaakt dat de prijs van de aandelen door hem eenzijdig op een veel hoger niveau was gesteld dan eerder intern was berekend als redelijk. Hierbij neemt het hof ter zake van dit project tevens in overweging dat niet is gebleken dat de betreffende Aanvullende Samenwerkingsovereenkomst ter goedkeuring is voorgelegd aan de raad van commissarissen, hoewel dit wel had moeten gebeuren. Hiermee heeft verdachte aan de Raad van Commissarissen een onvolledig beeld geschetst en tevens informatie onthouden die wezenlijk was voor voorafgaande dan wel ad hoe goedkeuring omtrent de koopovereenkomst betreffende de aandelen van [medeverdachte 2] in [F] B.V.
Verdachte heeft daarnaast tijdens de vergaderingen van de Raad van Commissarissen ook nimmer melding gemaakt van de betalingen aan hem verricht door [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] . Verdachte was op grond van de reglementen van [A] echter uitdrukkelijk gehouden tegenover de vereniging tot een behoorlijke taakvervulling en tevens verplicht om de Raad van Commissarissen (al dan niet achteraf) deugdelijk en volledig te informeren. Dat heeft verdachte nagelaten. Ware de Raad van Commissarissen volledig geïnformeerd geweest, dan zou zij hebben ingegrepen door minst genomen verdachte hieromtrent te bevragen en daaraan alsdan noodzakelijk geoordeelde gevolgen te verbinden. Dat [A] mogelijk in financiële zin profijt heeft gehad van het door verdachte gevoerde beleid, doet er niet aan af dat verdachte de voor hem gunstige omstandigheid heeft gecreëerd waarin de Raad van Commissarissen kennelijk onvoldoende in staat was controle te houden op zijn bestuurlijk optreden.
Conclusie:
Op grond van de in het voorgaande geschetste feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde in feit 1 en feit 3 tezamen en in vereniging met onder andere [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] , met het oogmerk om zich en [betrokkene 1] en [medeverdachte 3] en/of een ander, wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, zijnde die van betrouwbaar bestuurder, hetzij door listige kunstgrepen, zijnde verschillende misleidende feitelijke handelingen, een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor de woningbouwvereniging [A] is bewogen tot de afgifte van genoemde geldbedragen. Daarmee heeft verdachte zich ter zake van feit 1 en 3 schuldig gemaakt aan oplichting.
Concluderend acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 3 (eerste alternatief/cumulatief) tenlastegelegde medeplegen van oplichting wettig en overtuigend bewezen, zoals na te melden.
[…]”
17. De eerste deelklacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt dat [A] door de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen is bewogen tot de afgifte van het geldbedrag van € 262.000,--. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat het geldbedrag is genoemd in een overeenkomst tussen [A] en [medeverdachte 2] , dat het geldbedrag vervolgens door [A] is overgemaakt, dat de overeenkomst door de verdachte als directeur is gesloten en dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte bevoegd was dergelijke overeenkomsten te sluiten. Volgens de stellers van het middel wordt de verdachte in feite verweten zichzelf te hebben bewogen tot afgifte.
18. In dat kader stel ik voorop dat voor oplichting blijkens art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt "bewogen" tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel "beweegt" tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.