Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
International Safety Management(ISM)-manager van het schip (en uit dien hoofde verantwoordelijk voor de veilige exploitatie van en het voorkomen van verontreiniging door het schip). Voorafgaand aan het incident heeft het schip persistente oliën vervoerd, die in de periode van 7 t/m 17 juni 2018 zijn gelost in Antwerpen en Rotterdam. Ook na het incident is het schip ingezet als olietanker.
report of survey’ gedateerd 26 juli 2018. Op 8 maart 2019 heeft Van Ameyde aanvullend gerapporteerd in een addendum bij dat rapport. Er heeft geen gezamenlijke expertise met gelaedeerden of andere betrokken partijen plaatsgevonden.
commercial wash’ (met Envirocare 370) van tank 1DS, een relatief kleine dektank, waarin geen persistente olie zou zijn vervoerd (rov. 7.3.2). In hoger beroep heeft NCC haar lezing aldus aangepast dat in ladingtank 14C ook was-/spoelwater afkomstig uit tank 9C aanwezig was, omdat daarin – nadat een ‘
prewash’ en ‘
commercial wash’ waren uitgevoerd – witte aanslag op verwarmingselementen en (staande) beugels was aangetroffen. In deze tank was een substantie die valt onder de definitie van olie in de zin van het CLC-Verdrag 1992 vervoerd (rov. 7.3.3). Het hof heeft de stellingen van NCC zo begrepen dat een tank als 9C, die al een ‘
prewash’ en een ‘
commercial wash’ had ondergaan, daarmee vrij was van residuen van persistente olie, waardoor die residuen niet meer in het waswater van een latere wasbeurt konden zitten (rov. 7.3.4). NCC is niet gemotiveerd ingegaan op de bedenkingen van verweerders ten aanzien van deze nieuwe lezing. Ook heeft NCC geen (gedetailleerde) informatie verstrekt over het van het waswater van tank 14C getrokken monster en de wijze van bemonstering (rov. 7.3.5). Tegen deze achtergrond kan niet worden geoordeeld dat NCC voldoende heeft onderbouwd dat aan boord, althans in tank 14C, geen residu van persistente olie aanwezig was, of hooguit een verwaarloosbare hoeveelheid (rov. 7.3.6).
prewashes’ – die volgens NCC voldoende waren om de tanks ‘vrij van olie’ en daarmee ook ‘vrij van residuen’ te doen zijn – vaak korter hebben geduurd (15 minuten) dan Odfjell zelf in haar richtlijnen voorschrijft (20-30 minuten). Dat – wat door verweerders gemotiveerd is betwist – zo’n 15 minuten durende ‘
prewash’ inderdaad volstaat voor het bereiken van een staat dat een tank, waarin persistente olie is vervoerd, vrij van residuen is, is door NCC niet onderbouwd met een verklaring van een onafhankelijke deskundige/instantie (rov. 7.4.2). Dat inderdaad ten aanzien van alle (20) tanks waarin persistente oliën zijn vervoerd uitgebreide wasprogramma’s (met Envirocare 370) met lozing op zee zijn doorlopen en dat de tanks daarna schoon waren, is evenmin op overtuigende wijze aangetoond. NCC beroept zich op bijlage 2 bij het rapport van Van Ameyde, maar de juistheid van de vermeldingen in dat ongedateerde en niet getekende document staat echter niet vast. Verder blijkt niet dat alle tanks kort na het incident zijn geïnspecteerd en er zijn geen door derden afgegeven reinigingscertificaten – van kort voor of direct na het incident – met betrekking tot alle beweerdelijk schoongemaakte tanks (rov. 7.4.3). De bedenkingen worden niet weggenomen met de verklaringen die de bemanningsleden na de afwijzende beslissing van de rechtbank tegenover de advocaat van NCC hebben afgelegd. Die verklaringen zijn weinig gedetailleerd en ook niet steeds in lijn met de (wisselende) stellingen van NCC. Uit de verklaringen volgt ook niet overtuigend wie precies op welk moment in tank 9C is neergedaald en toen – als enige tekortkoming – de beweerdelijke witte afzetting daarin heeft geconstateerd en vervolgens gerapporteerd (rov. 7.4.4).
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Summary Record of the Eighteenth Meeting’ d.d. 14 augustus 1986) en het IOPC-document 92FUND/WGR.2/7 (‘
Report of the Second Meeting of the Second Intersessional Working Group’ d.d. 31 augustus 2000) kan worden geconcludeerd dat het aantonen van de afwezigheid van residuen (bijzonder) zwaar is of kan zijn.
Chairmanvan het Fonds, waaruit volgt dat het moeilijk kan zijn om aan te tonen dat aan boord geen residuen (meer) aanwezig zijn, respectievelijk dat moet worden aangenomen dat aan boord van
dedicated crude oil tankersaltijd residuen aanwezig zijn, hetgeen het hof ook van toepassing acht op een chemicaliëntanker nadat daarin persistente oliën zijn vervoerd, zoals in geval van het schip. Niet kan worden gezegd dat het hof uitsluitend op basis van deze documenten heeft geconcludeerd dat het aantonen van de afwezigheid van residuen (bijzonder) zwaar is of kan zijn, zodat de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
ervarendoor de partij op wie de bewijslast rust, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Dat het hof heeft aangenomen dat dit voor NCC het geval zou kunnen zijn, zou onder meer kunnen worden verklaard door de omstandigheid dat NCC heeft nagelaten – ook na daartoe een verzoek te hebben ontvangen – om na het incident een onafhankelijk onderzoek of tegensprekelijke expertise te organiseren, zoals het hof onbestreden heeft vastgesteld in rov. 7.2.
ookde belangen van de wederpartij van degene die zich op de uitzonderingsbepaling beroept, maken dat, als uitgangspunt, aan de onderbouwing/bewijsvoering hoge eisen mogen worden gesteld. Kennelijk heeft het hof dit niet als de enige factor beschouwd die maakt dat hoge eisen mogen worden gesteld aan de bewijsvoering in het onderhavige geval en moeten rov. 7.1.3-7.1.5 in samenhang worden gelezen. De tegen die overwegingen gerichte klachten kunnen niet slagen (zie hierboven), zodat het onderdeel faalt bij gebrek aan belang.
prewashes’ korter hebben geduurd dan Odfjell zelf in haar richtlijnen voorschrijft ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat niet is aangetoond dat aan boord geen residuen van persistente olie aanwezig waren, dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Uit dat feit kan, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de tanks nog een relevante hoeveelheid (residuen) persistente oliën bevatten, aldus het onderdeel.
prewash’ volstaat voor het bereiken van een staat dat een tank, waarin persistente olie is vervoerd, vrij van residuen is. In zoverre ontbreekt het NCC aan belang bij deze klacht.
prewashes’ voldoende waren om de tanks ‘vrij van olie’ en daarmee ook ‘vrij van residuen’ te doen zijn. Verweerders hebben dit – kennelijk naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd – betwist door erop te wijzen dat de ‘
prewashes’ 5-15 minuten korter hebben geduurd dan voorgeschreven in de richtlijnen van Odfjell. NCC heeft zich vervolgens beroepen op het uitblijven van bemerkingen van Port State Control. Het hof heeft deze reactie niet overtuigend bevonden, aangezien:
prewash’ van 15 minuten ertoe leidt dat een tank, waarin persistente olie is vervoerd, vrij van residuen is;
prewashes’ vrij van persistente oliën en residuen waren en dat er daarna, zonder officiële registratie, urenlange wasprogramma’s met Envirocare 370 met lozing op de Noordzee konden worden uitgevoerd; en
prewashes’ korter hebben geduurd, kan worden afgeleid dat de tanks nog een relevante hoeveelheid persistente olie bevatten.
commercial wash’ standaard wordt uitgevoerd en in dit geval ook daadwerkelijk is uitgevoerd, acht het hof nu juist onvoldoende onderbouwd. Dat de ‘
commercial wash’ niet is gedocumenteerd in het Oil Record Book of het deklogboek wordt verder niet aan NCC tegengeworpen, maar blijft hoe dan ook voor risico van NCC op wie immers de stelplicht en bewijslast rusten. Bovendien laat de omstandigheid dat bijlage 2 om een bepaalde reden niet is ondertekend onverlet dat daarin – naar het oordeel van het hof – inconsistenties voorkomen. Aldus kan niet worden gezegd dat het oordeel van het hof in rov. 7.4.3 onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de stellingen van NCC, zodat het onderdeel faalt.
prewash’ heeft plaatsgevonden, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van de stellingen van NCC, waarop het hof niet (voldoende begrijpelijk) heeft gerespondeerd.
prewashes’ hebben plaatsgevonden, maar dat zij twisten over de vraag of een ‘
prewash’ van een kortere duur dan voorgeschreven volstaat voor het bereiken van een staat dat een tank, waarin persistente olie is vervoerd, vrij van residuen is. Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
obiter dictumgegeven beslissing dat het hof niet gehouden was om het Fonds ambtshalve op te roepen (rov. 3.5.4 van de beschikking in het incident). [43]
kanhij op grond van art. 362 Rv Pro in verbinding met art. 279 lid Pro 1, derde volzin, Rv te allen tijde niet in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen. [44] In de memorie van toelichting valt te lezen:
rechtstreeksin zijn belangen kon worden geschaad door de beschikking van het hof. Het hof moest immers oordelen over het verzoek van NCC haar aansprakelijkheid te beperken op basis van het LLMC in samenhang met het Bunkerverdrag. Gelet op deze insteek van de procedure was het bij voorbaat duidelijk dat het oordeel van het hof geen rechtstreekse gevolgen zou hebben voor de rechten en verplichtingen van het Fonds: in geval van afwijzing van het verzoek zou NCC (vooralsnog) onbeperkt aansprakelijk zijn en in geval van toewijzing zou de aansprakelijkheid van NCC beperkt zijn tot ruim € 17 miljoen overeenkomstig het Bunkerverdrag. In géén geval zou het Fonds tot financiële vergoedingen worden verplicht. De belangen van het Fonds zouden wél rechtstreeks in het geding zijn geweest wanneer NCC een verzoek tot beperking van de aansprakelijkheid zou hebben ingediend op basis van het CLC-Verdrag 1992, aangezien bij toewijzing van zo’n verzoek de aansprakelijkheid van NCC beperkt zou zijn tot ongeveer € 22 miljoen en het Fonds wél verplicht zou zijn om de aanvullende vergoedingen te financieren. Een dergelijk verzoek is, zoals gezegd, niet ingediend. Ook heeft in deze zaak geen van de partijen verzocht het Fonds op te roepen. Gelet op het voorgaande faalt het onderdeel.