Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onaanvaardbaaris. Aan deze zware eis is volgens het hof onder de gegeven omstandigheden niet voldaan. Het rechtsgevolg in kwestie vloeit niet voort uit zomaar een (contractuele) regel, maar uit een wettelijke bepaling van dwingend recht (dat wil zeggen een bepaling waarbij niet ten nadele van de werknemer in het arbeidscontract kan worden afgeweken). In zo’n geval mag een rechtgevolg slechts onder bijzondere omstandigheden terzijde worden gesteld (dat heeft de hoogste rechter in Nederland op dit terrein, de Hoge Raad, een aantal keren bepaald [6] ). Die ruimte wordt helemaal klein wanneer de wetgever bij het opstellen van de wettelijke regel waaruit het rechtsgevolg voortvloeit, de belangen in kwestie al heeft meegewogen. Dit is bij artikel 7:668 BW Pro het geval. Zoals hierboven al wordt overwogen is de aanzegplicht in de wet opgenomen om een werknemer met een tijdelijk contract niet tot het einde toe in onzekerheid te laten over het wel of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van de (overeengekomen) duur. Volgens de wetgever brengt het uitgangspunt dat een werkgever zich goed moet gedragen (“goed werkgeverschap”) met zich dat de aanzegging schriftelijk moet worden gedaan. Als dit niet het geval is, dan is volgens de tekst van de wet en de memorie van toelichting het gevolg dat een aanzegvergoeding moet worden betaald. Letterlijk hierover in de memorie van antwoord [7] : “
Om de positie van de werknemer te versterken wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat de mondelinge toezegging van de werkgever op dit punt wordt geformaliseerd via een schriftelijke aanzegplicht”. De wetgever heeft er met andere woorden expliciet voor gekozen dat een mondelinge aanzegging niet voldoende is. De wettelijke bepaling waarin die keuze is vastgelegd is van recente datum en de invoering van de wet Arbeidsmarkt in Balans is geen aanleiding geweest deze bepaling te wijzigen (zoals wel bij een aantal andere recent ingevoerde bepalingen is gebeurd). Gezien deze argumenten houdt het hof in dit geval toch vast aan de wettelijke ‘hard and fast rule’. Ten overvloede merkt het hof nog op dat de (rechts)praktijk ook gebaat kan zijn bij (in beginsel) onverkorte toepassing van de schriftelijkheidseis omdat daardoor geschillen over de verschuldigdheid van de (vaak betrekkelijke geringe) aanzegvergoeding kunnen worden vermeden.”
relatie. [8] Indien de werkgever de arbeidsrelatie wel wil voorzetten, dan moet zij dit ook aan de werknemer aanzeggen, inclusief de voorwaarden waaronder dit volgens werkgever dient te gebeuren.
Aanzegtermijn van een maand bij beëindiging van tijdelijke contracten met een duur van zes maanden of langer”) opgenomen als beleidsvoornemen onder punt 4, “
Tegengaan van het doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid”, onder het kopje “
Tijdelijke contractvormen”. [11] De hier vermelde beleidsvoornemens maakten deel uit van paragraaf 2.5.2, die als titel heeft
Wegen voor een verantwoorde inzet van externe flexibiliteit en flexibele arbeidscontracten.Uit de daaraan voorafgaande paragraaf 2.5.1 blijkt dat de in paragraaf 2.5.2 opgenomen beleidsvoornemens bedoeld zijn om een evenwicht te vinden tussen enerzijds de gewenste flexibiliteit van arbeidsrelaties, en anderzijds de behoefte om de doorgeschoten flexibiliteit aan banden te leggen. In dat kader zijn er zes overkoepelende beleidsvoornemens, namelijk (1) tegengaan van oneigenlijk gebruik van flexibele arbeidsrelaties: schijnconstructies, bui-tenlandroutes; (2) handhaving en naleving; (3) betere regeling verantwoordelijkheden aanneming; (4) tegengaan van doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid; (5) betere ordening van zogeheten driehoeksrelaties; (6) investeren in employability/scholing van flexibele werknemers. De aanzegplicht valt dus, als gezegd, onder de opsomming van verschillende beleidsvoornemens in het kader van het vierde punt, het tegengaan van het doorgeschoten gebruik van legale vormen van flexibele arbeid.
De regering wil voldoende flexibiliteit in de economie houden, en kiest er daarom bewust voor om het pallet aan flexibele arbeidsvormen niet te beperken. Wel moet voorkomen worden dat mensen langdurig en onvrijwillig ingeschakeld worden op basis van onzekere flexibele contracten. De balans tussen vast en flexibel werk moet op dit punt worden hersteld. Het wetsvoorstel voorziet daartoe in een breed scala van maatregelen op dit terrein.”
Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd eindigen in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is conform huidig recht aan de werkgever of en wanneer hij de werknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe overeenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Bij beëindiging van de arbeidsrelatie dient de werknemer immers op zoek te gaan naar ander werk.
In het nieuwe eerste lid wordt geregeld dat de werkgever verplicht is de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst (de aanzegplicht; onderdeel a).
Aangezien werknemers met een tijdelijk contract vaak in onzekerheid verkeren over de vraag of hun contract al dan niet wordt voortgezet, heeft het kabinet ervoor gekozen om voor tijdelijke contracten van zes maanden of langer een wettelijke aanzegtermijn van één maand op te nemen. Door deze maatregel is voor werknemers met een tijdelijk contract eerder duidelijk of zij op zoek moeten naar een andere baan, hetgeen de transitie van werk naar werk kan bevorderen en ertoe leidt dat de werknemer wellicht geen beroep hoeft te doen op een uitkering. Het is niet uit te sluiten, zoals de Afdeling stelt, dat een werkgever in het vervolg een standaardmail aan de werknemer stuurt met de mededeling dat er geen ruimte is voor verlenging van het contract. Ook in dat geval heeft de maatregel het beoogde effect, namelijk dat er tijdig duidelijkheid is voorde werknemer. Het valt overigens nog te bezien of werkgevers hiertoe standaard zullen overgaan omdat zij daarmee ook werknemers verliezen over wie tevredenheid bestaat en een nieuwe werknemer zal moeten worden aangetrokken (met de kosten van dien) als de desbetreffendewerkzaamheden niet ook komen te vervallen. (…)
Zowel de leden van de VVD-fractie als de leden van de SGP-fractie vragen of deze aanzegtermijn valt te omzeilen door meteen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst alvast op te zeggen tegen de einddatum en wat de regering van deze mogelijkheid vindt.
Zoals in de memorie van toelichting is toegelicht (pagina 20) eindigen arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in beginsel van rechtswege, tenzij schriftelijk is overeengekomen dat voorafgaande opzegging nodig is. Het is conform huidig recht aan de werkgever of en wanneer hij dewerknemer informeert over zijn voornemen om de arbeidsrelatie al dan niet voort te zetten door het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Een werknemer met een tijdelijk contract is echter gebaat bij tijdige informatie van zijn werkgever over het al dan niet voortzetten van deovereenkomst. Bij beëindiging van de arbeidsrelatie dient de werknemer immers op zoek te gaan naar ander werk.
De werkgever is verplicht een maand voor het eindigen van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd de werknemer te informeren over zijn voornemens aangaande de overeenkomst. Kan de regering bevestigen dat van de werknemer verwacht mag worden dat hij naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en zich daadwerkelijk op zijn rechten heeft beroepen? Is de regering eveneens van mening dat het onwenselijk is dat werknemers aanspraak kunnen maken op de vergoeding wanneer de werknemer niet voor het eindigen van de overeenkomst naar de voornemens van de werkgever heeft gevraagd en wanneer zelfs geen behoefte bestaat aan het voortduren van de overeenkomst?”
schriftelijkeaanzegplicht. Met de schriftelijke aanzegplicht is beoogd dat de werknemer tijdig duidelijkheid verkrijgt over het al dan niet voortzetten van de arbeidsrelatie na het beëindigen van zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst, zodat hij tijdig op zoek kan gaan naar ander werk. Dat bevordert “
de transitie van werk naar werk”.
altijdgeldt en dat niet vereist is dat de werknemer eerst om duidelijkheid heeft verzocht of dat de werknemer zich daadwerkelijk op zijn rechten heeft beroepen (namelijk, zo begrijp ik, dat de werknemer zich beroept op voortzetting van de arbeidsrelatie). Ook doet het er niet toe (vergelijk de onder 4.21 geciteerde vraag) of er “
behoefte bestaat aan het voortduren van de overeenkomst”. Hieruit volgt m.i. dat niet ter zake doet of de werknemer al dan niet al ander werk heeft gevonden, aansluitend aan de tijdelijke arbeidsovereenkomst. Hiermee ligt in de parlementaire geschiedenis besloten dat geen
nadeelvan de werknemer is vereist voor het kunnen inroepen van de gevolgen van het niet hebben voldaan aan de wettelijke aanzegplicht.
schriftelijkis aangezegd. En dus niet, zo voeg ik toe, of de werknemer bekend was of had kunnen zijn met de beëindiging.
meteen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst aangeven (aanzeggen) dat er geen sprake van een opvolgend contract zal zijn” (zie hiervoor onder 4.18). Ook kan een werkgever een standaardmail aan de werknemer sturen met de mededeling dat er geen ruimte is voor verlenging van het contract (zie onder 4.17).
schriftelijkmoet worden nagekomen. Een mondelinge aanzegging is niet voldoende, ook niet wanneer vast zou staan dat voor de werknemer duidelijk was dat de arbeidsrelatie niet wordt voortgezet en de werknemer geen nadeel heeft geleden door het niet-naleven van de schriftelijke aanzegplicht.
contra legemis. [31] Ook Pennings en Sprengers stellen zich op het standpunt dat aan de mondelinge aanzegging geen betekenis toekomt, nu de wetgever uitdrukkelijk verlangt dat de aanzegging schriftelijk geschiedt. [32]
onaanvaardbaarzijn. Dat betekent dat het er niet om gaat of de bepaling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of dat een bepaald gevolg ‘niet redelijk’ is; er moet sprake zijn van onaanvaardbare gevolgen. [38] Uit de term ‘onaanvaardbaar’ kan bovendien worden afgeleid dat de gevolgen objectief gezien onaanvaardbaar moeten zijn, in die zin dat ‘geen redelijk mens er anders over kan denken’. [39]
eersterechtsklacht en motiveringsklacht (p. 3, onder 2.1) houdt in dat het hof bij zijn oordeel dat het schriftelijkheidsvereiste niet opzij kan worden gezet op grond van art. 6:248 lid 2 BW Pro, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Vast staat in deze zaak immers dat werknemer uit de (mondelinge) mededelingen van [betrokkene 1] voldoende duidelijk had begrepen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd, hij vervolgens is gaan zoeken naar een andere baan en deze ook heeft gevonden, direct aansluitend aan het dienstverband waardoor hij geen nadeel heeft geleden doordat de aanzegging niet schriftelijk, maar mondeling is gedaan.
tweederechtsklacht (p. 10, 2.1-Ia, onder a) klaagt Maxs dat het hof miskent dat de aard en strekking van de aanzegging van art. 7:668 lid 1 en Pro 3 BW voor de onderhavige situatie (dus in het geval waarbij de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd) ziet op het bevorderen van de werkzekerheid van werknemers, zodat werknemers op de hoogte zijn van het feit dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd en zij aldus tijdig kunnen omzien naar een andere baan, waarbij het volgens de wetgever van goed werkgeverschap getuigt wanneer een werkgever tijdig duidelijkheid over het al dan niet voortzetten verschaft.
derderechtsklacht en motiveringsklacht (p. 10, 2.1-Ia, onder b) klaagt Maxs dat het hof miskent dat voor de vraag of een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ter zake van een regel van dwingend recht kan slagen, de aard van die regel moet worden meegewogen en het door die regel beschermde belang.
vierderechtsklacht en motiveringsklacht (p. 10-11, 2.1-Ia, onder c) klaagt Maxs dat het oordeel in rov. 4.5 en 4.6 dat er hier niet sprake is van een rechtsgevolg dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat aan deze zware eis, volgens het hof, onder de gegeven omstandigheden niet is voldaan, mede omdat de wetgever de belangen in kwestie al heeft meegewogen, onjuist is althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
vijfderechtsklacht en motiveringsklacht (p. 15-16, onder 2.1-Ib) klaagt Maxs dat het oordeel dat de aanzegging schriftelijk dient te geschieden des te meer onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd is, nu het hof in rov. 4.5 en 4.6 van de bestreden tussenbeschikking heeft overwogen, kort samengevat, dat het redelijk lijkt dat de vergoeding niet hoeft te worden betaald omdat werknemer voldoende duidelijk begrepen had dat dat de arbeidsrelatie niet zou worden voortgezet, dat hij ander werk is gaan zoeken en dat ook heeft gevonden, direct aansluitend aan het dienstverband bij Maxs.
lijktom in dit geval door de vingers te zien dat Maxs de mededeling niet schriftelijk heeft gedaan, maar vervolgens in rov. 4.6 uit te leggen dat een wettelijke bepaling niet al terzijde mag worden gesteld wanneer dit
redelijkis; daarvoor moet zijn voldaan aan de zware eis dat een rechtsgevolg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaaris. Aan de hand van de strekking van art. 7:668 lid 1 BW Pro en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging beargumenteert het hof dan dat in het onderhavige geval niet voldaan is aan deze zware eis.