Conclusie
Nummer21/00190
aangever [slachtoffer]:
getuige [betrokkene 1]:
Lichamelijk onderzoek
Aanvullend onderzoek
Conclusie
[verbalisant 2](…).
mededeling van de verbalisant:
verbalisanten dan wel één van hen:
verbalisant:
Onderzoek naar biologische sporen
Resultaten, interpretatie en conclusie
Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Ik zag dat de mannen aan het vechten waren.Ik heb geen wapen gezien. De afstand tussen mij en de mannen was ongeveer 20 meter. Er zijn over en weer klappen gevallen.”
), op de grond liggen en bovenop hem zat de man met grijs haar.(noot raadsman, betreft aangever)
. Ik zag dat deze man met grijs haar bijzonder rake klappen uitdeelde aan de man op de grond. Ik kreeg de indruk dat deze man met grijs haar de kale man “tottaloss” aan het slaan was. Hij bleef maar slaan de hele tijd. Het was echt te bizar voor woorden. Uiteindelijk is de vechtpartij gestopt”
Camerabeelden
Letselverklaring
DNA-onderzoek
Bewijsuitsluiting
Bespreking van het verweer met betrekking tot het DNA-onderzoek
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. De steller van het middel wijst erop dat door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt op welk moment en op welke wijze het mes is veiliggesteld en in beslag is genomen. En dat bovendien is aangevoerd dat het mes kennelijk eerst naar het beslaghuis is gestuurd. Om hier verdere helderheid over te krijgen is het voorwaardelijk verzoek gedaan de betreffende verbalisant te bevragen. Onder deze omstandigheden zou het niet zonder meer begrijpelijk zijn dat het hof heeft geoordeeld dat de kans op contaminatie verwaarloosbaar klein is, in het bijzonder aangezien het hof geen vaststellingen heeft kunnen doen omtrent wat en wanneer er al dan niet met het mes is gebeurd.
NJ2021/169 m.nt. Jörg heeft Uw Raad de volgende overwegingen geformuleerd met betrekking tot de toepassing van bewijsuitsluiting:
tweedemiddel bevat de klacht dat artikel 6, eerste en derde lid, sub d, EVRM is geschonden omdat het hof het verzoek van de verdediging om ten aanzien van de rechercheur die het lemmet in beslag heeft genomen het ondervragingsrecht te mogen uitoefenen ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen. Nu het hof de veroordeling mede heeft doen steunen op de waarnemingen van verbalisant [verbalisant 4] bij het aantreffen van het mes, terwijl het betreffende mes vanwege de daarop aangetroffen DNA-sporen die aan de verdachte en de aangever worden toegeschreven in belangrijke mate aan het bewijs heeft bijgedragen, zou de betreffende verbalisant moeten worden beschouwd als een getuige à charge. Gelet op de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland en het arrest van Uw Raad d.d. 20 april 2021 had het belang bij het horen van verbalisant [verbalisant 4] volgens de steller van het middel moeten worden voorondersteld.
NJ2021/173 m.nt. Reijntjes (post-Keskin) overwoog Uw Raad als volgt (met weglating van voetnoten):
NJ2017/440 m.nt. Kooijmans heeft overwogen:
derdemiddel bevat de klacht dat het hof een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt strekkend tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen en/of het onder 1 bewezenverklaarde opzet niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. De steller van het middel meent, zo begrijp ik, dat in de randnummers 26 t/m 31 van de pleitnota een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt besloten ligt dat ontoereikend gemotiveerd is verworpen. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat ’s hofs oordeel dat het meermalen met kracht met een lemmet in de romp proberen te steken naar de uiterlijke verschijningsvorm zodanig is gericht op de dood van de aangever dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard, niet zonder meer begrijpelijk is. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zou niet volgen dat met kracht gestoken is en het hof zou evenmin nauwkeurig hebben aangegeven waaraan die omstandigheid is ontleend.