Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure in eerste en tweede aanleg
1. Een proces-verbaal van bevindingend.d. 19 december 2018 van de politie (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 19 december 2018 omstreeks 16:15 uur kregen wij, verbalisanten, opdracht om te gaan [naar] de Stationssingel te Rotterdam. Ter plaatse werden wij aangesproken door het personeel van de school. Wij hoorden hen aan ons vertellen dat er een jongen binnen zat. Zijn vriendin zat daar op school. De jongen heeft gevochten met een groepje jongens.
De jongen identificeerde zich als [aangever] . Wij zagen dat de neus van [aangever] naar rechts stond. Wij zagen veel bloed in zijn gezicht. Wij zagen dat de huid onder zijn linker oog opgezwollen was.
Ik, verbalisant, zag een meisje en hoorde haar verklaren: "Ik ben de vriendin van [aangever] . Mijn naam is [betrokkene 1] . Mijn vriend is zojuist in elkaar geslagen. Voor ik het wist doken de jongens op [aangever] . Ze begonnen met gebalde vuist op hem in te slaan. Voornamelijk in zijn gezicht, maar ook in zijn buik.
Een van de jongens die ons aanvielen herkende ik van gezicht. Ik weet dat hij [betrokkene 3] heet. Of je het zo schrijft weet ik niet precies. Hij zit achter mij bij Nederlands.”
[aangever] is mishandeld door ongeveer vijf leerlingen van onze school. Ik weet inmiddels via een aantal getuigen dat de personen die erbij waren en die mogelijk ook [aangever] hebben mishandeld, leerlingen van ons zijn. Ze heten: [betrokkene 3] , [medeverdachte] , [verdachte] geboren op [geboortedatum] 2001
(het hof begrijpt: de verdachte), [betrokkene 5] en [betrokkene 2] . [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben mij op 19 december 2018 verteld dat zij bij de vechtpartij aanwezig waren. Deze jongens hebben ook de namen van de andere drie jongens gegeven. Volgens hen zouden de andere drie jongens ook betrokken zijn geweest bij de vechtpartij. Op de camerabeelden van school is te zien dat de eerder genoemde jongens die zich schuldig zouden hebben gemaakt aan de mishandeling voorbij een camera lopen richting de locatie waar de mishandeling heeft plaatsgevonden.
[aangever]:
Op 19 december 2018, omstreeks 15:45 haalde ik mijn vriendin op van school, het […] , gevestigd op de Stationssingel te Rotterdam. Wij liepen vanuit haar school richting het Centraal Station. Terwijl wij naar het Station liepen zag ik op straat een groep van vijf jongens. Deze jongens ken ik niet zelf, maar ik weet dat zij bij mijn vriendin op school zitten. Ik kan de jongens als volgt omschrijven:
Jongen 1: naam gelijkend op [betrokkene 5] of [betrokkene 5] .
Jongen 3: naam gelijkend op [betrokkene 3] .
Ik weet dat een jongen nog [medeverdachte] heet.
Jongen 1 en jongen 2 stonden voor mij. Uit het niets, zag ik dat jongen 2 met opzet een slaande beweging met zijn vuist maakte richting de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde dat zijn vuist met kracht mijn gezicht raakte. Op de plek waar hij mij raakte voelde ik een onmiddellijke pijn. Door de klap raakte ik uit balans. Ik zag dat ik door de jongens werd ingesloten. Ik zag dat de jongens in een soort kring om mij heen stonden. Ik voelde en zag dat ik meerdere malen werd geslagen op mijn gezicht en op mijn lichaam. Ik voelde pijn op de plekken waar zij mij raakte[n]. Ik viel op de grond. Toen ik op de grond lag kreeg ik een schop aan de linkerkant van mijn gezicht. Ik voelde dat er een warme vloeistof uit mijn neus liep. Toen ik mijn hand bij mijn neus zette, zag ik dat ik bloed aan mijn hand had.
Ik moest met spoed naar de spoedeisende hulp van het Sint Franciscus Gasthuis in Rotterdam. Ik werd daar behandeld en zij constateerde[n] dat de geweldpleging mij een gebroken neus en beschadigde linker oogkas opleverde. Op 21 december 2018 word ik aan mijn neus geopereerd. Ik begrijp niet waarom zij met vijf man mij moesten mishandelen.
[betrokkene 6]:
[betrokkene 2] heeft verklaard dat hij er bij was. [betrokkene 2] verklaarde dat ook over [betrokkene 3] . [betrokkene 3] verklaarde dat ook over zichzelf. [betrokkene 2] heeft verteld dat [betrokkene 5] het meest heftige heeft gedaan. [betrokkene 2] heeft verteld dat die andere twee jongens, [verdachte] en [medeverdachte] , ook geweld hebben gebruikt. [betrokkene 2] vertelde dat het slachtoffer vrij snel op de grond lag en dat die anderen toen door zijn gegaan.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 21 december 2018 van de politie (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als de op 21 december 2018 afgelegde verklaring van
[betrokkene 1]:
Op 19 december 2018 werd ik door mijn vriend [aangever] opgehaald op school gelegen aan de Stationssingel te Rotterdam. Ik zag vijf jongens staan. Wij liepen in de richting van het Centraal Station. Ik zag in het groepje een jongen die ik van naam ken. De naam van deze jongen is [betrokkene 3] , want deze zit in mijn klas. Ik zag dat een jongen op [aangever] af liep en hem direct een vuistslag in het gezicht gaf. Ik zag dat [aangever] op de grond viel.
[betrokkene 2]:
Op 19 december 2018 kwam ik uit school. Ik liep met een groepje van ongeveer 4 à 5 jongens. Dit zijn vrienden van mij. Een van mijn vrienden zat te klieren tegen een meisje dat bij ons op school zit. Het vriendje van dit meisje was er ook opeens. We stonden op de Stationssingel. Ik zag dat het meisje en haar vriend weg liepen in de richting van het Centraal Station. Ik hoorde dat de vriend van het meisje iets tegen ons riep. Wij zijn naar het meisje en haar vriend toegelopen. Toen we bij hen kwamen begon het gevecht. Het begon nogal snel. Hij kreeg klappen en stoten. Drie vrienden uit mijn groepje hebben de vriend van het meisje geschopt en geslagen. Ik heb ook gezien dat een van mijn vrienden de vriend van het meisje tegen zijn hoofd schopte toen hij op de grond lag. Aan [betrokkene 6] heb ik verteld wat er was gebeurd. Ik heb dit ook aan de directrice verteld. Ik heb toen tegen beiden de waarheid verteld.
7. Een proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachted.d. 8 januari 2019 van de politie (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (…) als de op 8 januari 201[9] afgelegde verklaring van
[betrokkene 2]:
Op de dag van het incident liep ik met [verdachte] , [betrokkene 5] , [betrokkene 3] en [medeverdachte] . Ik wil geen namen noemen. Ik wil wel vertellen in de vorm van jongen 1, jongen 2, jongen 3 en jongen 4 over wie dan wat gedaan heeft. Jongen 1 en de vriend van het meisje begonnen te bekvechten met elkaar. Toen zag ik dat jongen 2, jongen 3 en jongen 4 naar de vriend toeliepen. Jongen 2 gooide zijn tas neer en liep naar de vriend van het meisje toe en gaf hem een stoot. Toen kwam jongen 1 erbij. Die gaf hem ook een stoot. Toen werd het vriendje van het meisje gevloerd. Ik denk dat jongen 1 en jongen 2 dit samen deden. Ik zag dat het vriendje van het meisje stoten kreeg. Ik zag dat jongen 1 en 2 bezig waren en ik zag dat jongen 3 een trap tegen het hoofd van het vriendje gaf.
[betrokkene 3]:
In het proces-verbaal van bevindingen (pg 23) wordt aangegeven, dat een jongen gevochten heeft met een groepje jongens die mogelijk op […] zitten. Door de ter plaatse gekomen agenten wordt gesproken met de vriendin van de jongen: [betrokkene 1] .
Tegenover de verbalisanten verklaart zij op de dag van het incident dat haar vriend in elkaar is geslagen door een groepje jongens, mogelijk van Marokkaanse komaf. Slechts 1 van de jongens herkent zij van gezicht: [betrokkene 3] . Hij zit achter haar bij Nederlands. De overige jongens herkent zij niet.
Ook in haar verklaring van 21 december (pg 68/69) geeft zij aan de jongens niet te kennen, behalve de eerder door haar genoemde [betrokkene 3] . De overige jongens kent zij niet.
Daags na het voorval zingen de namen van 5 verdachten rond op school. De namen van [medeverdachte] , [betrokkene 5] en [verdachte] worden genoemd door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , althans zo wordt dat aan de politie verteld door de directrice en de teamleider van de school. Hoe dit gesprek tot stand is gekomen en wat deze jongens precies zouden hebben verteld aan de directrice is niet te achterhalen. Medeverdachte [betrokkene 3] verklaart bij de politie in elk geval uitdrukkelijk, dat hij geen namen heeft genoemd op school (pg 123).
Getuige [betrokkene 1] geeft in haar verklaring van 3 januari 2019 aan (pg 78/79 van het dossier), dat zij aan de hand van de haar getoonde foto’s de daders herkent. De foto’s die aan de getuige zijn getoond, zijn te klein en te onduidelijk om iemand en dus ook om [verdachte] te kunnen herkennen.
Bij haar verhoor bij de Rechter-Commissaris op 4 juni 2019 geeft [betrokkene 1] aan, dat zij bij haar verhoor op 3 januari 2019 andere foto’s heeft gezien, dan de foto’s die achter haar verklaring in het dossier zitten. Tijdens haar verhoor zijn grotere foto’s aan haar getoond. Deze foto’s zitten echter niet in het dossier.
De vermeende herkenning door [betrokkene 1] bij de politie kan dus niet bijdragen aan het bewijs. De foto’s die aan haar getoond zijn, zitten immers niet in het dossier en niet valt te controleren welke foto’s destijds door de politie aan de getuige zijn getoond.
Ook anderszins kan haar vermeende herkenning niet voor het bewijs worden gebruikt. Bij de RC verklaart [betrokkene 1] immers dat zij de verdachten bij de politie had herkend aan hun gezicht. Even later verklaart zij bij de RC echter, dat de foto’s niet scherp zijn en dat zij geen gezichten kan zien op de foto’s.
De directrice van school is op 7 januari 2019 als getuige gehoord (pg 84). Zij verklaart uitdrukkelijk, dat zij niemand herkent aan de hand van de door de politie getoonde foto’s. Zij heeft samen met de teamleider [betrokkene 6] de bewegende beelden bekeken en aan de hand daarvan zijn de beelden groter gemaakt. [betrokkene 6] heeft verteld wie wie zou zijn geweest op de beelden. Zij heeft de jongens zelf niet herkend. Haar verklaring kan derhalve niet bijdragen aan het bewijs tegen [verdachte] .
Ook de vermeende herkenning door medeverdachte [betrokkene 2] kan niet gebruikt worden voor het bewijs tegen cliënt.
Bij de politie verklaart [betrokkene 2] , dat hij [verdachte] en andere jongens herkent. Tijdens zijn verhoor bij de RC op 4 juni 2019 geeft hij echter aan, dat die herkenning onjuist is en dat hij [verdachte] op de foto’s niet herkent. Hem worden foto’s getoond en hij kan niet zien wie de jongens zijn.
Bij de politie is [betrokkene 2] als verdachte gehoord. Hij had er alle belang bij om zijn eigen aandeel in de vechtpartij te beperken en het aandeel van anderen te vergroten. Tijdens zijn verhoor bij de RC was inmiddels duidelijk dat de strafzaak tegen hem was geseponeerd. Hij kon op dat moment dus vrijuit verklaren. Hij verklaart bij de RC dat hij niet weet of [verdachte] bij de vechtpartij aanwezig was en dat hij zich niet kan voorstellen, dat hij de naam van [verdachte] heeft genoemd op school.
Voorts is van belang, dat een eventuele herkenning van [verdachte] , geen bewijs oplevert tegen hem ten aanzien van het ten laste gelegde feit. Het bewijst immers niet, dat [verdachte] betrokken is bij de vechtpartij. De vermeende herkenning heeft geen betrekking op de tijd en plaats van het ten laste gelegde feit. Van de vechtpartij zelf zijn geen foto’s of camerabeelden.
Ook op andere wijze is er geen sprake van bewijs van betrokkenheid door [verdachte] bij het incident. Voor zover [verdachte] al herkend wordt van de foto’s, geven de getuigen bij de RC aan dat ze niet zeker weten of [verdachte] daadwerkelijk bij de vechtpartij aanwezig was en wat dan precies zijn aandeel zou zijn geweest in de vechtpartij. Ook elders in het dossier wordt niet verklaard over wat dan de bijdrage van [verdachte] aan de vechtpartij zou zijn geweest.
De verklaringen die zijn afgelegd bij de RC kunnen in elk geval niet zonder meer terzijde worden gelegd. Sterker nog: beide getuigen geven een verduidelijking van hun eerder afgelegde verklaring en verklaren over hun eigen waarnemingen. Dit maakt juist, dat hun eerder afgelegde verklaringen onbruikbaar worden.
Mocht uw hof van mening zijn, dat de gebruikte foto’s, de vermeende herkenning door de getuigen of de bij de politie afgelegde getuigenverklaringen wel voor het bewijs tegen [verdachte] kunnen worden gebruikt, dan verzoek ik u uitdrukkelijk om de getuigen opnieuw te horen, eventueel ter zitting of anders door de Raadsheer Commissaris.”
De afdrukken van de camerabeelden op basis waarvan de herkenning van de verdachte door verbalisanten zou zijn geschied zullen door het hof niet voor het bewijs worden gebezigd.
3.Het eerste middel
Ten aanzien van [betrokkene 1] :
kunnenherkennen omdat er geen gezichten te zien zijn.
NJ2016, 141 m.nt. T.M. Schalken [11] niet zou moeten worden gezegd dat, gelet op het voorgaande, het oordeel van het hof dat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van [betrokkene 2] als getuige moet worden afgewezen op de grond dat deze getuige reeds in eerste aanleg bij de rechter-commissaris in aanwezigheid van de raadsvrouw is gehoord en dat zonder nadere onderbouwing geen noodzaak wordt gezien deze getuige nogmaals te (laten) horen, niet zonder meer begrijpelijk is? Dat klemt te meer nu het hof in de bewijsmotivering enkel verwijst naar de bewijsmiddelen en geen enkele overweging heeft gewijd aan het feit dat het hof kennelijk geen belang hecht aan de verklaring die [betrokkene 2] heeft afgelegd bij de rechter-commissaris. Daarbij zou dan in het bijzonder in aanmerking moeten worden genomen dat:
kennelijkertoe strekte zijn verklaringen op betrouwbaarheid te toetsen;
4.Het tweede, derde, vierde en vijfde middel
betrokken is geweestbij de vechtpartij. Volgens bewijsmiddel 4 is aan de getuige verteld dat de verdachte ook geweld heeft gebruikt. Anders dan in het middel wordt gesteld kan zo’n verklaring wel degelijk bijdragen aan een bewezenverklaring van openlijk geweld. Daarbij gaat het er immers om of de verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld. [16] Uit de totale bewijsconstructie van het hof (zie onder randnummer 3.11) komt naar mijn oordeel afdoende naar voren dat verdachte en zijn mededaders het slachtoffer hebben geschopt en geslagen. Het hof was niet gehouden hier een nadere bewijsoverweging aan te wijden.