Conclusie
Nummer20/04321
Inleiding
Het zevende middel
zevende middelbehelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel.
Het eerste middel
eerste middeldat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van een aantal zowel belastende als ontlastende getuigen heeft afgewezen.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord.
De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [verdachte] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
(…)
22. [betrokkene 6] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [i-straat 1] te [plaats] .
Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven.
De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.
(…)
(…)
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
(…)
(…)
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes – waarnaar de steller van het middel verwijst – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.
Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het onder 1 bewezenverklaarde, doordat op basis van die bewijsvoering toerekening aan de verdachte van de gedragingen van [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 8] , bestuurders van de verdachte, onbegrijpelijk is en/of met onvoldoende redenen is omkleed en/of uit die bewijsvoering niet kan blijken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten met betrekking tot het gebruik maken van valse invoices als in feit 1 bedoeld.
opmerking griffiers: daar waar het hof [medeverdachte 5] noemt, dient steeds te worden gelezen [medeverdachte 5] thans [medeverdachte 5]].
Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [medeverdachte 5] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [medeverdachte 5] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [medeverdachte 5] waarbij het adres [c-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. [9] Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege [medeverdachte 5] en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [medeverdachte 5] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [10]
Aldus concludeert het hof dat [medeverdachte 8] en [medeverdachte 2] de werkelijk belanghebbenden bij het vuurwerk in de vijf containers waren en dat zij, door [medeverdachte 7] bij de afhandeling van het transport naar voren te schuiven en hem hierbij gebruik te laten maken van een valse naam, opzet hebben gehad dat het vuurwerk met gebruik van valse invoices zou worden ingeklaard. Aan het einde van het vervoerstraject werd door [medeverdachte 2] gebruik gemaakt van de rechtspersonen [verdachte] en [medeverdachte 5] , waarvan hij bestuurder was. [verdachte] werd gebruikt om een andere herkomst van (een deel van) het vuurwerk voor te wenden. [medeverdachte 5] stelde haar bunker ter beschikking voor de opslag.
-het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
-de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
-de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.
Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.
Het feit dat een deel van de handelingen die deel uitmaken van het medeplegen - handelingen van [medeverdachte 8] , maar ook van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] - heeft plaatsgevonden na het moment waarop de invoices zijn afgegeven, maakt dit niet anders. Uit het samenstel van alle handelingen, ook die na het afgeven, is immers af te leiden dat sprake was van een vooropgezet plan van de betrokken medeplegers, waar het gebruik maken door afgifte aan [G] deel van uitmaakte, waarna de goederen konden worden ingevoerd, vervoerd en opgeslagen in Duitsland, waarna zij ter beschikking kwamen van verdachte, [verdachte] en de mededaders.
De persoon die zich volgens [medeverdachte 7] ‘ [betrokkene 3] ' noemde zou achteraf [betrokkene 3] [betrokkene 5] moeten zijn, die een ‘gebrekkige’ arm heeft en hij zou ook als [betrokkene 3] [betrokkene 5] later door [medeverdachte 7] zijn herkend. De als getuige gehoorde [betrokkene 3] [betrokkene 5] heeft ontkend zich ooit [betrokkene 3] te hebben genoemd en heeft verklaard dat de namen [medeverdachte 7] en [E] Ltd. hem niets zeggen.4’ Het hof constateert dat nergens uit blijkt dat [betrokkene 5] bemoeienis heeft gehad met de bunkers in [plaats] , het e-mailadres [e-mail 1] @live.nl of de fax van de buren van de firma [medeverdachte 6] , Tevens constateert het hof dat [betrokkene 3] [betrokkene 5] zich nooit heeft gemeld in het kader van de verzegeling van de bunkers in [plaats] . Ook is niet uit het dossier naar voren gekomen dat [betrokkene 5] zich ooit als [betrokkene 3] heeft uitgegeven. Tenslotte komt uit het procesdossier niet naar voren dat [betrokkene 5] bemoeienis heeft gehad met het bedrijf [E] Ltd. Deze omstandigheden ondersteunen de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [betrokkene 5] .
Het derde middel
derde middelbehelst de klacht dat uit de bewijsvoering ten aanzien van de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3 niet kan volgen dat van opzet bij [verdachte] en/of de verdachte en/of de medeverdachte(n) als opdracht- dan wel feitelijk leidinggevers sprake is.
2.zij op 10 december 2008 in Nederland, als degene die twee containers met vuurwerk, (te weten (CCLU720178 en CCLU6051619), binnen en buiten het grondgebied van Nederland bracht, opzettelijk, niet ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van dat vuurwerk schriftelijk het voornemen hiertoe heeft gemeld bij Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
3.
Ter zak feit 2 en 3 (zaak 4):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op [geboortedatum] werd door leden van het Observatieteam van de politieregio Brabant Zuidoost gezien dat een trekker met oplegger, waarop container CCLU6670758 was geplaatst, vanuit België bij de grensovergang Hazeldonk Nederland binnenreed. [57] Omdat nog steeds geen melding was gedaan ex artikel 1.3.2 lid 1 en lid 2 Vuurwerkbesluit werd de container gecontroleerd door de Vliegende Brigade Vuurwerk. Bij de controle werden twee soorten vuurwerk aangetroffen en beoordeeld, te weten artikelnummer 994 en 6634. [58] Na de controle en het kopiëren van de begeleidende documenten werd de reis voortgezet en het transport gevolgd tot de grensovergang nabij Enschede. Uit de documenten bleek dat het in de container aanwezige vuurwerk allemaal zogenaamde flowerbeds betrof. [59]
[verdachte] @hotmail.comen het Duitse telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld. [60]
degene die ... binnen het grondgebied van Nederland bracht", welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit.
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan.(...)(...)4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt;b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht;c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt;d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding;e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd;f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland.
Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat deimporteurvan vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...) [69]
invoer en uitvoer.
Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen [70] :
Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen.
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederlandinvoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen,vervoeren,uitvoerenen zich ontdoen van deze stoffen of preparaten.2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende:i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen.De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. [73]
doen de chauffeurs zelfals zij in Duitsland zijn.”
Er moeten dan ook verplichtingen worden nageleefd in Nederland. U vraagt mij of het mogelijk is dat het transport alleen in België en Duitsland plaatsvindt en niet via Nederland. Dat is een mogelijkheid. Als de vervoerder die weg kiest of de klant dat vraagt dan kan dat.”
Het is aan de transporteur om te bepalen hoe hij precies rijdt. En op die wijze wordt het dan aangevraagd.”
Allereerst is het door de omstandigheid dat het mogelijk én aantrekkelijker is om Nedérland te vermijden maar zeer de vraag of de kans dat de vrachtwagens toch over Nederlands grondgebied zouden rijden wel aanmerkelijk is te achten. De verdediging meent dan ook dat onvoldoende vaststaat dat sprake is van zo een aanmerkelijke kans. Het feit dat de route via Nederland korter is, is daarvoor in ieder geval onvoldoende.
Het vierde middel
vierde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 5 niet de inhoud van de bewijsmiddelen althans niet de voor de bewezenverklaring redengevende omstandigheden bevat, terwijl zonder deze inhoud de bewezenverklaring op essentiële onderdelen niet uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
- 45 facturen, volgens factuuropdruk (telkens) afkomstig van [verdachte] , gericht aan [Q] Ltd . en
De boekhouding van [verdachte] had betrekking op de jaren 2004 tot en met 2008.
Volgens de boekhouding van [verdachte] had deze onderneming enkel twee debiteuren inzake de verkoop van vuurwerk. Dit betroffen [Q] Ltd . en [E] Ltd. [86]
Jaar afnemer verkoopprijs
[E] Ltd. te [plaats] (GB) [90] € 84.000,00
2007: [Q] Ltd . te [plaats] (GB) [91] € 405.494,00
Voorts verklaart de getuige het volgende. [verdachte] is een klant van [R] . [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] zijn de natuurlijke personen achter [verdachte] en hun zoon [medeverdachte 2] ook, als bestuurder. Zij heeft [medeverdachte 2] éénmaal gezien tussen 2004 en 2006. De zendnota’s kwamen toe te Luxemburg, de cashnota’s werden door de [medeverdachte 6] ’s gewoon binnen gebracht. De administratie werd aangeleverd vanuit Nederland. Deze stukken werden aangereikt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] . Zowel de aankopen als de verkopen werden cash betaald. Er werd in aanvang geen enkele banktransactie doorgevoerd. Bij tekortkomingen deelde men (voornamelijk [medeverdachte 3] ) haar mede dat er cash betaling was doorgevoerd welke zij, getuige, dan ook zo inboekte. Door de getuige werd een kasboek bijgehouden op basis van de facturen die [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] haar aanleverden.
Bij onduidelijkheden inzake het boeken kon zij contact opnemen met [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] . Zij moest dan zeggen: ‘kan u mij eens opbellen’ of iets in die zin. [medeverdachte 3] belde dan met een ‘beveiligde telefoonlijn’ terug. Eén keer moest zij bij het faxen van de balans van [verdachte] deze balans naar een buurbedrijf van de [medeverdachte 6] ’s versturen.
De reden van deze telefoonwerkwijze en het toesturen van de balans aan het buurbedrijf was, dat de vuurwerkhandel streng gecontroleerd werd en correspondentie onderschept kon worden en telefoon afgeluisterd.
De getuige herkende de haar getoonde verkoopfacturen van [verdachte] aan [E] Ltd. d.d. 18 december 2006. Deze facturen waren aangereikt door [medeverdachte 8] of [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] . De vermelding op de factuur ‘door klant voldaan’ betekende voor haar dat de factuur reeds cash was betaald. Deze betaling werd door haar dan ook in het kasboek verwerkt.
Als reden voor de vele contante betalingen had [medeverdachte 3] verteld, dat bij levering van het vuurwerk, ook meteen de factuur werd afgeleverd en de betaling onmiddellijk diende te gebeuren. Immers, wanneer het vuurwerk is geleverd en de klant dit had afgestoken, dan zou de betaling niet meer geschieden. Op een bepaald moment was er veel cash geld voorhanden. Er werd besloten om via een Luxemburgse bankrekening te werken. Hierop werden dan de voorhanden cash-gelden gedeponeerd. [medeverdachte 8] reed hiertoe naar Luxemburg teneinde de stortingen door te voeren. Op vraag van de bank, teneinde de afkomst van het geld te vast te stellen, werden dan facturen overgemaakt, ter bevestiging. [medeverdachte 8] Contacteerde de getuige dan met de vraag de facturen door te faxen naar de bank, alwaar hij zich op dat moment bevond.
in het kader van dit onderzoekmeldt hoe zij bereikbaar is. Daarvan gaat ook het hof uit.
Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de getuige [betrokkene 5] inhoudende dat hij geen bemoeienis heeft gehad met vuurwerkhandel door of namens [Q] of [E] Ltd., niet betrouwbaar is. Daarbij wordt verwezen naar verklaring van [getuige 18] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Daarnaast zijn er ook geen telefoontaps met [betrokkene 5] en bevinden zich in de computer van [medeverdachte 2] geen e-mails of andere documenten waarin de naam van [betrokkene 5] voorkomt. Tevens is niet gebleken dat [medeverdachte 2] beschikte over het e-mailadres of over het telefoonnummer van [betrokkene 5] . Het enige spoor in de computer van [medeverdachte 2] is het feit dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ door [medeverdachte 2] is gegoogeld.
De door de verdediging gestelde betrokkenheid van [betrokkene 5] bij deze feiten wordt echter, zoals weergegeven, niet met enig ‘hard’ gegeven uit de periode van de feiten zelf ondersteund. De betekenis daarvan waardeert het hof hoger dan die van verklaringen achteraf van bij de [medeverdachte 6] ’s betrokken getuigen. Daarom acht het hof [betrokkene 5] verklaring dat hij [E] Ltd. en [Q] Ltd . niet kent wel betrouwbaar.
[medeverdachte 8] was gedurende de gehele tenlastegelegde periode directeur van [verdachte] en had formeel grote zeggenschap binnen de vennootschap. [medeverdachte 3] heeft sinds medio 2006 formeel geen positie meer binnen [verdachte] , maar feitelijk kwam de winst van [verdachte] nog steeds mede aan haar ten goede, dit gezien de betrokkenheid van haar echtgenoot bij deze vennootschap. Uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] blijkt dat zowel [medeverdachte 8] als [medeverdachte 3] facturen hebben afgeleverd ter opneming in de administratie van [verdachte] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers aldus [getuige 5] en volgens [getuige 4] kon zij als er vragen waren bij het boeken terecht bij [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] . Blijkens de verklaring van [getuige 4] heeft [medeverdachte 8] de facturen onder andere gebruikt om bij het storten van grote hoeveelheden contant geld op een Luxemburgse bankrekening de herkomst hiervan tegenover de bank te verantwoorden. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt verder dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van een ‘beveiligde telefoonlijn’ als het [verdachte] aangelegenheden betrof. Het totaalbedrag van alle facturen beloopt bijna 1 miljoen euro. De enige twee in de administratie opgenomen debiteuren ter zake verkoop van vuurwerk door [verdachte] zijn [E] Ltd. en [Q] Ltd .
Het vijfde middel
vijfde middelricht zich met een aantal deelklachten tegen de bewezenverklaring van het aan de verdachte onder feit 6 tenlastegelegde en bewezenverklaarde.
€ 73.000,00 +
€ 100.000,00 +
€ 200.000,00 +
De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het hof merkt ook [medeverdachte 3] aan als medepleger, mede gezien haar grote rol bij het opmaken van de valse bedrijfsadministratie van [verdachte] . Ook zij heeft bijgedragen aan verhullende handelingen, door tegenover getuige [getuige 4] te verklaren dat de facturen juist waren, wetende dat deze vals waren. [verdachte] kan ten slotte als medepleger worden beschouwd omdat de gedragingen - toerekenbaar want verricht binnen de sfeer van deze rechtspersoon - feitelijk zijn uitgevoerd in een bewuste en nauwe samenwerking door haar, de bestuurders van [verdachte] en [medeverdachte 3] .
Het hof, met de rechtbank, is ten slotte van oordeel dat betrokkenheid van [medeverdachte 6] B.V. - die overigens niet expliciet is tenlastegelegd - niet is bewezen.
rechtstreeks verbandof dat het onvoldoende bewijs aanwezig acht voor een
bepaaldmisdrijf.
NJ2019/298, m.nt. Rozemond – het beoordelingskader uiteengezet ten aanzien van het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”. Dit door de Hoge Raad geformuleerde kader houdt het volgende in. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Het zesde middel
zesde middelricht zich met een tweetal deelklachten tegen ’s hofs oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachte, [medeverdachte 8] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 5] .
Ter zake feit 7 (zaak 7):
Juridisch kaderHet hof stelt het volgende voorop.
een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD 1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
organisatie het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
Dat de valsheid in geschriften en het witwassen werden begaan tegen de achtergrond van handel in vuurwerk waarbij de voorschriften zoals neergelegd in de vuurwerkwetgeving niet werden nageleefd blijkt uit het feit dat bij diverse transporten vuurwerk werd aangetroffen waarbij - deels zware - overtredingen werden geconstateerd met betrekking tot de vuurwerkwetgeving.
Zaak 2: niet aangemelde vuurwerktransporten” en “
Zaak 7: valse facturen”. Onder het kopje ‘
Zaak 2: niet aangemelde vuurwerktransporten’ gaat het hof in op een aantal vermeende door de verdediging gevoerde verweren en concludeert het hof onder meer dat [medeverdachte 6] B.V. als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt, [medeverdachte 8] en [medeverdachte 3] als feitelijk leidinggevers kunnen worden aangemerkt aan de verboden gedragingen begaan door [medeverdachte 6] B.V. en dat sprake is van medeplegen. Onder het kopje over zaak 7 gaat het hof nader in op een aantal in de boekhouding van [medeverdachte 5] aan [E] Ltd. aangetroffen facturen en oordeelt vervolgens dat van strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] B.V. niet is gebleken. Ook verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde verweer dat het opnemen van valse facturen in eigen bedrijfsadministratie niet valt aan te merken als het gebruik maken van valse stukken als waren deze echt en onvervalst, omdat de valsheid bij alle partijen bekend was.